Ecologie Katten die in weides bivakkeren halen drie kwart van hun dieet uit het wild. Bijvoorbeeld gruttokuikens. In Friesland brengen ecologen kattengedrag in kaart. Hun baasjes zijn „vaak verbaasd hoe ver hun kat loopt”.
Deze boerderijkat wordt op heterdaad betrapt door de wildcamera: hij heeft een konijn of haas gevangen in natuurgebied Reitdiep-Midden, Groningen.
Vanaf een kleine boerderij ten noorden van het Friese dorp Nes loopt een pad naar het weidevogelreservaat Soarremoarre. Hier steken gele en paarse bloemen boven het ruige gras uit, de bodem is dooraderd met muizenholen en in de verte schieten hazen in zigzaglijnen over de velden. De enige geluiden komen van vogels die in alle richtingen tegen de blauwe hemel dansen.
Ecoloog Esther Swankhuisen kijkt op haar telefoon en wijst naar een punt midden in een nabijgelegen perceel. „Daar staat er één, daar moeten we heen.” Haar blik blijft hangen bij een dunne, zwarte paal, die nauwelijks te zien is. Even verder kijken en we zien nog twee, drie, vier van diezelfde paaltjes in het weiland. Aan elke paal is een wildcamera bevestigd, vertelt Swankhuisen, telkens gericht op een nest dat tussen de grashalmen verborgen ligt.
De afgelopen vier jaar onderzocht Swankhuisen hoe loslopende katten zich in weidevogelreservaten als deze gedragen. Ze deed dit promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen, gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. In 2021 gaf het ministerie opdracht om de polariserende discussie rond de invloed van loslopende katten op beschermde weidevogelpopulaties met wetenschappelijke data te onderbouwen.
Esther Swankhuisen in de Soarremoarsterpolder.
De schattingen van het aantal zwerfkatten in Nederland lopen uiteen van 135.000 tot 1,2 miljoen. Daarnaast zijn er ongeveer drie miljoen huiskatten, waarvan de meeste een deel van hun tijd buitenshuis doorbrengen. Welke invloed dat op de Nederlandse natuur heeft, is tot nu toe nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Swankhuisen wilde dat veranderen door concreet in kaart te brengen wat loslopende katten in weidevogelreservaten doen. Waar gaan ze heen als ze het huis verlaten, hoe ver gaan ze en eten ze onderweg ook beschermde diersoorten? Nu haar onderzoek is afgerond en ze haar proefschrift schrijft, deelt ze voor het eerst al haar bevindingen met het publiek.
Op weg naar de wildcamera’s in het Friese weideland blijft Swankhuisen zo lang mogelijk op het pad om de weidevogels zo min mogelijk te verstoren. Toch zwelt het gezang om ons heen aan naarmate we dichter bij de camera − en dus het nest – komen en gaat het over in waarschuwend geschreeuw. „Grutto, grutto, grutto”, klinkt het onophoudelijk. „Ze roepen hun eigen naam”, merkt de ecoloog glimlachend op. „Ze slaan alarm, omdat wij hier langslopen.”
Hetzelfde gebeurt als hier een kat langsloopt, legt ze uit. Zodra de ouders gevaar vermoeden, verlaten ze hun nest en cirkelen krijsend boven de indringer in een poging hem te verjagen. Soms sluiten zelfs ouders van andere nesten zich daarbij aan. „Als dat meerdere keren per dag gebeurt, kan dat problematisch worden”, zegt Swankhuisen. „De eieren moeten bebroed worden. Elke keer dat een vogel opvliegt, bestaat de kans dat een ei niet uitkomt omdat het te lang is afgekoeld.”
Grutto’s en een gruttonest in de Soarremoarre.
Zijn de kuikens al uitgekomen, dan reageren ze op de waarschuwing van hun ouders door zich plat op de grond te drukken om zich in het hoge gras te verstoppen. Dat levert stress op. „Te veel stress – dat heb je ook bij mensen – is niet goed voor je gezondheid”, zegt Swankhuisen. „En als je bezig bent met je verstoppen, kun je die tijd niet gebruiken om insecten te zoeken en zo goed te groeien.”
Daarmee kan zo’n verstoring de overlevingskansen van kuikens verminderen. Uit Swankhuisens onderzoek blijkt dat die verstoring in een weidevogelreservaat bij Groningen constant is – vrijwel overal en 24 uur per dag. „De kat heeft dus een negatieve invloed op weidevogelpopulaties, zelfs als hij geen dieren actief doodt”, benadrukt de promovendus.
Zijn onze geliefde katten dus verantwoordelijk voor teruglopende weidevogelpopulaties? En zo ja, moeten we onze katten binnenhouden en zwerfkatten afschieten? Of valt die invloed mee en moeten we vooral kijken naar andere ‘boosdoeners’, zoals vossen, steenmarters en landbouwpraktijken?
Op die laatste vraag antwoordt Swankhuisen zelfverzekerd: „We hebben in Nederland belangrijke broedgebieden − meer dan 80 procent van de West-Europese gruttopopulatie broedt hier. Vanuit de wetgeving rond natuurbeheer hebben we de keuze gemaakt om weidevogels te beschermen”, zegt ze. „We doen er in Nederland dus echt alles aan om die gebieden zo geschikt mogelijk te maken: vossen en steenmarters worden beheerd zodat ze het gebied niet meer in komen, boeren moeten later maaien, koeien mogen pas later het land op. Maar wat doen we met de katten?”, vraagt ze, om haar eigen vraag meteen te beantwoorden: „Nog heel weinig.” Volgens haar te weinig. „Want ik vind het heel erg dat er vossen worden afgeschoten, als er vervolgens wel heel veel katten het veld in lopen.”
Tegen die achtergrond vergaarde Swankhuisen in samenwerking met natuurbeschermingsorganisaties, vrijwilligers en lokale bewoners gps-gegevens, wildcamerabeelden en ontlasting van katten. Dat laatste maakte het mogelijk het eetgedrag van loslopende katten te analyseren.
Verspreid over drie jaar verzamelden Swankhuisen en haar collega’s 165 poepmonsters in graslanden en duingebieden door heel Nederland. Dna-analyse van de ontlasting liet zien dat kleine zoogdieren het grootste deel van hun dieet uitmaakten, vooral veldmuizen, bosmuizen en huisspitsmuizen. Daarnaast bestond circa 10 procent van hun dieet uit vogels, waaronder de graspieper en de slobeend. „Beide soorten van de Rode Lijst”, merkt de ecoloog op. Ook vond ze hazen en konijnen in de monsters. Opvallend was dat gemiddeld slechts een kwart van het dieet uit kattenvoer bestond − de rest verzamelden de katten buitenshuis, onder meer in de Nederlandse weidelanden.
In het weidevogelreservaat Soarremoarre staat Swankhuisen inmiddels naast een van de wildcamera’s en kijkt ze neer op een gevuld nestje in het gras. Vier groen-zwart gevlekte eieren liggen met de punt naar beneden in een klein kuiltje. Ze behoren toe aan een gruttopaar, dat boven ons nog steeds alarm slaat.
De kuikens die uit zo’n nest komen, kregen van een collega van Swankhuisen kleine radiozenders. Zo konden de ecologen in twee gebieden in Friesland en Groningen rond de 130 kuikens volgen – waarvan slechts vijftien het weideland levend verlieten. „We weten dat dit te weinig is om de soort in stand te houden”, zegt Swankhuisen.
Net als in een detectivefilm gingen de onderzoekers op zoek naar de dode lichamen om met behulp van dna-sporen in de bijtwonden de dader te achterhalen. Slechts dertien kuikens vonden ze terug. De rest verdween spoorloos, bijvoorbeeld omdat roofdieren de kuikens uit het gebied meenamen. Van de teruggevonden kuikens bleken er vier door katten te zijn gedood; de rest viel ten prooi aan andere roofdieren. Vergelijkbare resultaten uit een ander studiegebied in Zuid-Holland bevestigen dit beeld. „Katten nemen dus zeker een plek in het voedselweb in”, concludeert Swankhuisen. Daarmee is de directe predatie in kaart gebracht.
Om de mate van verstoring te bepalen wilde Swankhuisen weten hoeveel katten er überhaupt in zo’n weidevogelreservaat rondlopen. Samen met lokale helpers voorzag ze daarom zoveel mogelijk katten in twee reservaten in Friesland en Groningen van een halsband met gps-zender – zowel huiskatten, boerderijkatten als zwerfkatten, of zoals de onderzoeker ze noemt, „katten zonder duidelijke eigenaar”.
„We hebben van tevoren in elke brievenbus en in de lokale krant laten weten dat we dit gingen doen”, vertelt Swankhuisen. Bovendien ging ze in dorpen rond de onderzoeksgebieden van deur tot deur, legde haar onderzoek uit en vroeg of ze de katten mocht zenderen. De zwerfkatten vingen de onderzoekers met een kooi, deden ze een gps-zender om en lieten ze weer vrij. Uiteindelijk droegen veertig katten in de twee gebieden, verspreid over drie broedseizoenen, een gps-zender. Katten die ze niet konden vangen of niet mochten zenderen, volgden ze met zestig wildcamera’s, geplaatst bij in- en uitgangen van de weilanden en bij nesten.
„Als ik de resultaten aan eigenaren liet zien, waren ze vaak verbaasd hoe ver hun kat loopt”, vertelt Swankhuisen. De gps-gegevens tonen aan dat katten gemiddeld 100 meter van huis blijven en zelden verder dan één kilometer gaan, al komen uitschieters tot meer dan vier kilometer voor. Niet-gecastreerde katers leggen vaker grotere afstanden af, vooral in de lente op zoek naar een vrouwtje: gemiddeld één kilometer, met uitschieters tot bijna vier kilometer. „En dat is hemelsbreed, dus ze kunnen natuurlijk helemaal slingerend op dat eindpunt uitkomen”, merkt de ecoloog op. In een dichtbevolkt land met versnipperde natuur en kleine weidevogelreservaten is één tot twee kilometer al veel, zegt ze.
„Ik kan me voorstellen dat mensen denken: de meeste katten gaan dus niet zo ver. Maar je hoeft er maar een paar bij te hebben die zo ongelooflijk ver lopen”, legt ze uit. „Voor een weidevogel maakt het niet uit of elke dag dezelfde kat langs het nest komt of telkens een andere. Elke kat is er dan al één te veel.”
Verder kan Swankhuisen met de verzamelde gps-gegevens reconstrueren hoe elk dier zich door het gebied bewoog. „Als je die bewegingspatronen over elkaar legt op een kaart, dan raakt die bijna volledig gevuld”, zegt ze. Met andere woorden: er is in de onderzochte weidevogelgebieden vrijwel geen plek waar niet op enig moment van de dag een kat langskomt.
Dat geldt niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd. In het Friese gebied waren katten vooral ’s nachts aanwezig – in het gebied bij Groningen 24 uur per dag. Die aanwezigheid overdag vergroot de predatiedruk op vogels. „Als er minder katten zouden zijn, zouden vogels nog steeds stress ervaren, maar minder vaak”, zegt Swankhuisen. „Dan zou er meer balans zijn en dat zou de kans dat kuikens overleven vergroten.”
Hoe duidelijk Swankhuisens conclusie ook is – ja, katten spelen een rol bij de afname van weidevogelpopulaties – zo onduidelijk is welke maatregelen daaruit moeten volgen. Daarom besloot de ecoloog halverwege haar promotie een sociaal-wetenschappelijk onderdeel aan haar onderzoek toe te voegen. „Ik besefte dat het zonde is om zoveel tijd te steken in puur ecologisch onderzoek en alleen daarop maatregelen te baseren. Je moet ook rekening houden met wat mensen die een kat hebben, belangrijk vinden.”
Een loslopende kat doet zich in Friesland tegoed aan weidevogelkuikens of eieren.
Deze boerderijkat met GPS-tracker zender loopt via een van de grotere ingangen het weidevogelreservaat in Reitdiep-Midden, Groningen in.
Om die reden interviewde ze samen met een sociaal wetenschapper van de Wageningen Universiteit verschillende betrokkenen zoals kattengedragsdeskundigen, juristen, dierenartsen en agrarische organisaties. Dat deden ze in Nederland om inzicht te krijgen in hoe verschillende deskundigen het probleem rond katten zien en welke oplossingen zij aandragen. Daarnaast vlogen de onderzoekers naar Australië, waar al verder ontwikkeld beleid rond katten bestaat, om te leren welke maatregelen daar werken en hoe die strategisch zijn ingevoerd en gecommuniceerd. Op die manier wilden ze tot beter onderbouwd advies voor beleidsmakers komen.
Tekst loopt door onder de video (ca. 2,5 minuut)
Een timelapse van de bewegingen van de ‘manegekat’, tussen april en juli 2023. Duidelijk is dat de kat vaste routes volgt en soms langere tijd op één locatie blijft.
Swankhuisen pleit niet voor één simpele maatregel, maar voor een combinatie van ingrepen waarbij zowel natuur- als dierenwelzijn wordt meegewogen. Ze is niet principieel tegen het afschieten van zwerfkatten als onderdeel van beheer, maar ziet vooral verantwoord kattenbezit als sleutel: katten chippen, castreren en, waar mogelijk, binnenhouden of beperken tot erf of tuin. Dat is belangrijk, legt ze uit, omdat huis- en boerderijkatten de bron zijn voor zwerfkatten.
„Er is een grote verandering nodig in onze manier van denken over katten als huisdier”, zegt de ecoloog, terwijl ze haar blik over het weideland laat gaan. „Daarvoor heb je bewustwording van het probleem nodig. Of, als dat niet werkt, regels vanuit de overheid. Mensen houden zich tenslotte ook aan de maximumsnelheid, deels uit eigen overtuiging, maar ook omdat het een regel is.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin