Home

Opinie: Waarom een smartphoneverbod de echte problemen niet oplost

Wie jongeren wil beschermen, moet niet alleen naar het scherm van de smartphone kijken. Het probleem is niet enkel dat mobieltje, maar de sociale wereld die erin wordt samengeperst.

Wie het debat over smartphones, sociale media en jongeren volgt, krijgt soms de indruk dat de samenleving eindelijk haar hoofdverdachte heeft gevonden. De smartphone zou kinderen ongelukkig maken, sociale media zouden hun zelfbeeld aantasten, algoritmes zouden hun aandacht kapen en platformbedrijven zouden hun kwetsbaarheid uitbuiten.

In al die zorgen zit een kern van waarheid. Maar een kern van waarheid is nog geen volledige diagnose. Juist wanneer de maatschappelijke onrust terecht is, wordt nuance noodzakelijker om het probleem scherper te kunnen zien.

Een recent Amerikaans vonnis tegen Meta en Google lijkt op het eerste gezicht koren op de molen van wie sociale media vooral als schadelijk beschouwt. Een jury in Los Angeles oordeelde dat Instagram en YouTube mede verantwoordelijk zijn voor de psychische schade bij een jonge vrouw die als kind intensief gebruikmaakte van deze platforms. Meta en Google moesten samen 6 miljoen dollar betalen. De jury vond dat beide bedrijven nalatig waren in hun ontwerpkeuzes en onvoldoende waarschuwden voor mogelijke schade. Meta werd voor 70 procent verantwoordelijk gehouden, Google voor 30 procent. De zaak draaide onder meer om ontwerpmechanismen zoals eindeloos scrollen, autoplay en algoritmische aanbevelingen.

Over de auteur

Alexander Smit is postdoc-onderzoeker naar de digitalisering van de samenleving vanuit het perspectief van kansarme mensen met een grotere afstand tot de digitale en geletterde samenleving, daarnaast is hij docent aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Geen neutrale technologieën

Dat oordeel doorbreekt gelukkig de fictie dat digitale platforms slechts neutrale technologieën zijn waarmee jongeren toevallig iets doen. Ze zijn ontworpen om gedrag te sturen, aandacht vast te houden en betrokkenheid meetbaar te maken. Elke melding, aanbeveling, like, filter en volgende video draagt een norm in zich: blijf kijken, vergelijk jezelf, reageer, deel, optimaliseer je zichtbaarheid.

Maar wie uit dit vonnis concludeert dat sociale media op zichzelf psychische schade veroorzaken, maakt het debat te eendimensionaal. Zelfs in deze zaak werd betoogd dat de jonge vrouw al kwetsbaarheden kende in haar jeugd en thuissituatie. De jury oordeelde dat de platforms een substantiële factor waren in de schade. Dat is iets anders dan zeggen dat zij de enige oorzaak waren.

Daar ligt dan ook het probleem in het huidige debat. Correlatie wordt te vaak behandeld als causatie. Jongeren gebruiken meer sociale media. Jongeren rapporteren meer mentale problemen. Dus sociale media veroorzaken mentale problemen. Die redenering klinkt logisch, maar is wetenschappelijk en maatschappelijk te mager.

Wetenschappelijk onderzoek laat al langer zien dat de relatie tussen sociale media en gezondheid complex, wederkerig en afhankelijk van context is. Mentale problemen kunnen mediagebruik beïnvloeden, mediagebruik kan bestaande problemen versterken, en beide kunnen samenhangen met onderliggende omstandigheden zoals armoede, gezinsstress, eenzaamheid, schooldruk of gebrek aan sociale steun.

Vergelijking met voetbal

Een verbod op sociale media of de smartphone zal deze onderliggende oorzaken niet wegnemen. Een vergelijking met voetbal maakt duidelijk hoe snel een geïsoleerde blik tot een vertekend beeld leidt. Stel dat we alleen kijken naar standaardsituaties, zoals corners. Daar wordt de bal relatief vaak gekopt. We weten dat herhaald koppen neurologische risico’s kan hebben, zeker bij kinderen. Wie zich uitsluitend op corners richt, kan dan redeneren: voetbal bestaat voor een groot deel uit koppen, koppen is schadelijk, dus voetbal is schadelijk en moet worden verboden.

Maar zodra we uitzoomen, verandert het beeld. Voetbal bestaat niet alleen uit koppen. Het is ook rennen, samenspelen, bewegen, anticiperen, verliezen, winnen, motorische ontwikkeling, sociale binding en leren functioneren in een team. Dat maakt de risico’s van koppen niet onbelangrijk. Integendeel, ze vragen om regels, training en preventie. Als koppen schadelijk is, moeten we koppen reguleren. We hoeven daarvoor niet het hele spel af te schaffen.

Als bepaalde platformmechanismen schadelijk zijn, moeten we die aanpakken. Maar wie de smartphone als geheel tot vijand verklaart, loopt het risico ook die jongeren te raken voor wie digitale verbondenheid ook een vorm van steun, toegang en participatie is.

Niet alleen problematisch gebruik

Wie alleen kijkt naar problematisch gebruik, nachtelijk scrollen, schoonheidsfilters, verslavende aanbevelingen of online pesten, ziet reële schade. Maar wie daaruit afleidt dat digitale media als geheel schadelijk zijn, verwart een risicovol mechanisme met de volledige sociale praktijk. Jongeren gebruiken smartphones ook om vriendschappen te onderhouden, steun te zoeken, huiswerk te organiseren, identiteit te verkennen, nieuws te volgen, muziek te maken, humor te delen en contact te houden met werelden waar zij offline niet vanzelf toegang toe hebben.

Het punt is dus niet dat smartphones of sociale media per definitie goed of slecht zijn. Het punt is dat hun werking ongelijk verdeeld is. Voor een jongere met stabiele ouders, voldoende geld, een rustige kamer, goede begeleiding en een sociaal vangnet kan de smartphone een instrument zijn dat binnen grenzen blijft. Voor een jongere die opgroeit in onzekerheid, schaamte, stress, discriminatie of sociaal isolement kan hetzelfde apparaat iets anders worden: een vlucht, een spiegel, een afhankelijkheidsstructuur, een bron van vergelijking of een plek waar bestaande kwetsbaarheid wordt versterkt.

Sociaal-digitale ongelijkheid

Daarom is het belangrijk om sociaal-digitale ongelijkheid in ogenschouw te blijven houden. Digitale schade ontstaat niet los van sociale verhoudingen. Zij hecht zich eraan vast. Sociale media vergroten niet automatisch ongelijkheid, maar zij kunnen bestaande ongelijkheden intensiveren. Wie minder steun krijgt, minder digitale begeleiding heeft, minder taalvaardig is, minder toegang heeft tot veilige sociale ruimtes of sterker afhankelijk is van online erkenning, loopt meer risico dat platformlogica schadelijk uitpakt.

Dat inzicht ontbreekt vaak in pleidooien voor een algemeen smartphoneverbod. Dan doen we alsof de smartphone het probleem is, terwijl de smartphone vaak de plek is waar andere problemen zichtbaar worden. Eenzaamheid wordt zichtbaar in eindeloos scrollen. Armoede wordt zichtbaar in beperkte toegang tot apparaten, data en begeleiding. Onzekerheid wordt zichtbaar in filters en vergelijkingscultuur. Gebrek aan volwassen steun wordt zichtbaar in nachtelijk gebruik. Sociale uitsluiting wordt zichtbaar in groepsapps, online pesten of juist het ontbreken van digitale verbondenheid.

Dat betekent niet dat platformbedrijven vrijuit gaan. Integendeel, juist omdat kwetsbaarheid ongelijk verdeeld is, rust er een zwaardere verantwoordelijkheid op bedrijven die verdienen aan aandacht, emotie en gedragsdata. Zo is er dus zeker onderzoek dat laat zien dat er aanwijzingen zijn voor fundamentele risico’s, maar ook dat de volledige impact beter onderzocht moet worden en dat bescherming niet alleen bij gezinnen of scholen mag worden neergelegd. Beleidsmakers, bedrijven, onderzoekers, scholen en ouders dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid.

Een volwassen debat zou daarom niet moeten beginnen met de vraag: moeten smartphones weg? De meer relevante vragen zijn: welke ontwerpkeuzes maken jongeren kwetsbaarder? Welke groepen worden het hardst geraakt? Welke vormen van gebruik zijn schadelijk, neutraal of juist ondersteunend? Welke sociale voorwaarden beschermen jongeren tegen problematisch gebruik? En waarom verwachten we van individuele ouders en scholen dat zij problemen oplossen die mede worden geproduceerd door mondiale platformbedrijven?

Smartphone is geen losstaand object

De smartphone is geen losstaand object in de broekzak van een kind. Het is een knooppunt van marktlogica, opvoeding, onderwijs, sociale status, mentale gezondheid, peercultuur, algoritmische sturing en publieke regulering. Wie alleen het scherm ziet, mist de structuur erachter.

Daarom hebben we geen debat nodig dat sociale media vrijpleit, maar ook geen debat dat technologie aanwijst als monocausale boosdoener. We hebben een preciezer vocabulaire nodig. Niet schermtijd, maar gebruikspatronen. Niet verslaving als algemene metafoor, maar aandacht voor ontwerpmechanismen. Niet jongeren als homogene risicogroep, maar verschillen naar klasse, gender, thuissituatie, gezondheid, taalvaardigheid en sociale steun. Niet enkel verbieden, maar ook reguleren, begeleiden en compenseren.

De kern is dat we bewuster bezorgd moeten zijn. Sociale media en smartphones veroorzaken hun schade niet los van de samenleving. Ze versterken de breuklijnen die er al zijn. Wie jongeren wil beschermen, moet daarom niet alleen naar het scherm kijken, maar naar de wereld die in dat scherm wordt samengeperst.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next