Home

Nieuwe klimaatmodellen worden realistischer en schrappen extreme scenario's

Het Scenario Model Intercomparison Project (ScenarioMIP) voor CMIP7 presenteert een volledig nieuwe serie wereldwijde klimaatscenario’s die vanaf 2026 door klimaatmodellen wordt doorgerekend en de basis moet vormen voor de volgende IPCC-rapporten. Onder leiding van de Nederlandse klimaatwetenschapper Detlef van Vuuren werkt een grote internationale groep onderzoekers aan zeven toekomstpaden, nu zonder de meest extreme hoge en lage scenario’s die de afgelopen jaren onder vuur lagen. De set beschrijft de wereld van 2025 tot 2100 en wordt met gestileerde verlengingen doorgetrokken tot 2500 om ook langetermijneffecten en onomkeerbare processen in beeld te krijgen.

De beslissing om de warmste en koudste varianten te laten vallen volgt op jarenlange kritiek dat vooral de ‘hete’ scenario’s niet meer aansloten bij de werkelijkheid. Die oudere modellen gingen uit van enorm veel steenkoolgebruik en vrijwel afwezig klimaatbeleid, wat leidde tot projecties van 4 tot 6 graden opwarming tegen 2100. Volgens critici waren die aannames niet realistisch en kregen ze toch veel gewicht in onderzoek, bijvoorbeeld naar zeespiegelstijging, en in de publieke discussie als zogenaamd meest plausibele uitkomst.

In de nieuwe opzet kiest ScenarioMIP voor een compacte maar brede reeks “plausibele” emissiepaden: van een hoog scenario met zoveel uitstoot als nog geloofwaardig wordt geacht tot een zeer ambitieus pad dat zo dicht mogelijk bij 1,5 graden opwarming probeert te blijven. Daartussen liggen onder meer een variant waarin pas na het midden van deze eeuw stevig wordt ingegrepen, een middenpad dat het huidige beleid doortrekt, en een middenscenario dat later alsnog naar netto nul emissies gaat. Drie lage scenario’s verkennen verschillende routes om de doelen van het Akkoord van Parijs te benaderen; in de strengste varianten dalen CO2-uitstoot en methaan snel en wordt uiteindelijk netto negatieve uitstoot bereikt om een tijdelijke overshoot van 1,5 graad terug te draaien.

Eerste doorrekeningen met eenvoudige klimaatmodellen laten zien dat de nieuwe scenario’s in 2100 grofweg uitkomen tussen 1,5 en bijna 3,5 graden opwarming ten opzichte van 1850–1900. Dat betekent niet dat de wereld “veilig” is of automatisch op koers ligt voor Parijs, benadrukt Van Vuuren: "Het nieuwe scenario heeft ook nog steeds enorme gevolgen voor het klimaat. Op den duur kom je in het nieuwe scenario op dezelfde temperatuur uit, alleen later." De aarde is nu al ongeveer 1,4 graad opgewarmd sinds het grootschalige gebruik van fossiele brandstoffen, en het streven om de opwarming tot 1,5 graad te beperken geldt inmiddels als vrijwel onhaalbaar.

Een belangrijke vernieuwing in CMIP7 is dat de meeste klimaatmodellen de scenario’s in zogeheten emissie-gedreven modus gaan draaien. Daarbij worden de CO2-emissies voorgeschreven en berekent het model zelf welke concentraties in de atmosfeer ontstaan, inclusief onzekerheden in de koolstofkringloop en terugkoppelingen in het klimaatsysteem; voor andere broeikasgassen blijven concentraties voorgeschreven. Deze aanpak moet een realistischer beeld geven van de spreiding in toekomstige CO2-niveaus en de effecten van landgebaseerde maatregelen als herbebossing, al kost dat meer rekenkracht, en daarom wordt minstens één scenario ook in de klassieke concentratie-gedreven modus gevraagd en bij voorkeur met meerdere modelruns per scenario.

De nieuwe scenario’s zijn ontwikkeld in nauwe samenwerking tussen klimaatmodellen en geïntegreerde beoordelingsmodellen (IAM’s), die emissies, landgebruik en de inzet van technieken als bio-energie met CO2-opslag (BECCS), directe luchtvangst (DACCS) en grootschalige herbebossing uitwerken. Landgebaseerde maatregelen worden zoveel mogelijk procesmatig doorgerekend in aarde-systeemmodellen, terwijl de netto emissiestromen van kunstmatige CO2-verwijdering uit de IAM’s worden overgenomen. Met de verlengingen tot 2500 onderzoeken wetenschappers onder meer hoe stabiel het klimaat blijft bij langdurige opwarming rond 4 graden (middenpad) of 6 graden (hoog scenario) en wat er in theorie nodig zou zijn om bij hoge overshoot via zeer grote negatieve emissies weer richting 1,5 graad of zelfs bijna pre-industrieel niveau terug te koelen.

Alle scenario’s worden door de ontwerpers als plausibel gezien, maar krijgen bewust geen waarschijnlijkheden mee; vragen over hoe kansrijk ze zijn en hoe eerlijk de inspanningen verdeeld worden tussen landen laten de makers over aan de bredere onderzoeksgemeenschap. Om de bruikbaarheid voor beleid en impactstudies te vergroten, zijn zo recent mogelijke emissiedata gebruikt, zijn natuurlijke factoren zoals zon en vulkanen gestandaardiseerd en sluiten de tijdslijnen aan op de planning van het Zevende IPCC-rapport en de mondiale voortgangstoets in 2028. De CMIP7-simulaties moeten de komende jaren de basis leggen voor nieuwe inzichten in klimaatrisico’s, grenzen aan aanpassing en de gevolgen van uitgesteld of juist versneld klimaatbeleid.

Afbeelding ter illustratie (Afbeelding: Grok AI / FOK.nl)

Source: Fok frontpage

Previous

Next