Regiocabaret Ze zijn razend populair en trekken volle zalen met hun cabaretvoorstellingen, vooral in de regio. Toch zijn ze in het landelijke circuit niet of minder bekend. „Waarom zou ik voor 25 man in Amsterdam spelen als er in Hardenberg 500 op me wachten?”
Christel de Laat in haar show 'En door!?'
In Eindhoven is het inmiddels de normaalste zaak van de wereld: cabaretier Rob Scheepers (51), die avonden achtereen een van ’s lands grootste theaterzalen vult. Toch was hij buiten de zuidelijke provincies lange tijd weinig zichtbaar. Toen het Amsterdamse impresariaat Buro Stek – dat Scheepers nu vertegenwoordigt – in 2015 hoorde over een cabaretier die zonder promotie drie keer de grote zaal van het Eindhovense Parktheater volspeelde, leidde dat tot verbazing. Hoe kreeg iemand waar ze nog nooit van hadden gehoord dit voor elkaar?
Als je aan ‘het theatercircuit’ denkt, denk je al gauw aan Nederland als één culturele markt. Dat beeld blijkt te simpel. Een cabaretier als Scheepers treedt ook landelijk op, maar is vooral in Brabant een grote ster. In het oosten van het land spelen Thijs Kemperink en Bert Eeftink grote, uitverkochte tournees, terwijl zij in de Randstad nauwelijks te zien zijn. De tournee van de Brabantse Christel de Laat, ze speelt voornamelijk in het zuiden en het oosten van Nederland, is inmiddels tot ver in 2027 uitverkocht. Wat ‘landelijk succes’ heet, betekent vaak: gezien worden door landelijke kranten, tv-programma’s, cabaretjury’s, festivals en prestigieuze zalen zoals Carré en De Kleine Komedie in Amsterdam. Maar er zijn cabaretiers die grotendeels buiten dat circuit opereren en soms meer publiek trekken dan de bekende namen.
Volgens Jelle van der Meulen, programmeur van theater De Harmonie in Leeuwarden, hangt succes niet alleen af van kwaliteit, maar ook van infrastructuur. Hij beschrijft het theater waar hij werkt als een piramide: onderaan „een humuslaag van lokaal talent”, bovenaan de absolute top. De Harmonie organiseert verschillende cabaretavonden voor de verschillende piramidelagen: van open podia, een ‘cabaretcafé’ tot het Leeuwarder Cabaret Festival. Het doel is doorstroom naar de kleine zaal, de middenzaal en uiteindelijk de grote zaal. „Zo hebben we een trappetje waarmee we comedians stapsgewijs bij ons publiek proberen te introduceren.”
Cabaretier Rob Scheepers (51) is vooral in het zuiden van Nederland een grote ster.
Brabant en Limburg beschikken, net als de oostelijke provincies, over veel theaters én inwoners (oftewel: potentieel publiek). In deze regio’s is het mogelijk een carrière op te bouwen zonder in de rest van het land te hoeven spelen. Programmeur Anita van der Linden van De Tamboer in het Drentse Hoogeveen probeert dit te faciliteren door veel noordelijke makers te programmeren: „Juist omdat het in de rest van het land zo moeilijk is om binnen te komen.”
Ook identificatie speelt een rol. Regionale humor bestaat volgens Van der Meulen niet, maar cabaret vaart wel bij herkenning. Het werkt het best wanneer iemand op het podium voelt „alsof hij je buurman of buurvrouw kan zijn”. Van der Linden werkte eerder in Schiedam, waar cabaretier Richard Groenendijk, sterk gebonden aan Rotterdam en omgeving, moeiteloos acht keer de zaal uitverkocht. In Hoogeveen kreeg ze de zaal niet eens één keer vol. Hetzelfde mechanisme ziet ze ook andersom: streektaalvoorstellingen lopen in Drenthe uitstekend, maar zouden in de Randstad veel minder publiek trekken.
Herkenbaarheid begint vaak bij hoe iemand klinkt. Bij cabaretiers die veel in bepaalde regio’s spelen, is meestal duidelijk hoorbaar waar ze vandaan komen. Ze hebben een accent, of spelen hele voorstellingen in het dialect. Dat hoeft geen barrière te zijn, vertelt Thijs Kemperink (43) voorafgaand aan een voorstelling in Coevorden. Hij speelt zijn voorstellingen in Twents dialect ook in Groningen, Drenthe, de Achterhoek en zelfs Friesland. Hij ziet het als cultureel verwante regio’s. Kemperink: „Woorden die mensen niet kennen, begrijpen ze wel door de context.”
Kemperink leerde bewust zijn accent en soms Twentse zinsbouw niet af. Zijn vriendin en een regisseur raadden dit eerst wel aan, maar een advies van wijlen Pieter Bouwman, cabaretier en regisseur, bleef hangen: het gaat erom dat mensen je begrijpen. Kemperink: „Als ik ga nadenken over hoe ik praat, word ik minder mezelf. In Twente zeggen we bijvoorbeeld: ‘Ik ga naar de kroeg heen’ en niet ‘ik ga naar de kroeg’.”
De Brabantse Christel de Laat (59), momenteel een van ’s lands bestverkopende cabaretiers, ziet haar onaangepastheid als onderdeel van haar succes: „We worden opgevoed met het idee dat een dialect moeilijk te verstaan is en dat we allemaal in dat ene dialect, het Algemeen Beschaafd Nederlands, moeten praten. Ik vind dat je dan authenticiteit verliest. En ik ben iemand die authentiek op het podium wil staan. Ik praat nou eenmaal Brabants en ga dat niet aanpassen.”
De nieuwe tournee van Christel de Laat (59) is tot ver in 2027 uitverkocht.
Dat dit idee ook grenzen kent, blijkt bij het Fries, wat een taal, en geen dialect is. Programmeur Van der Meulen ziet op dit moment geen actieve Friestalige professionele cabaretiers. „Je legt jezelf dan een heel duidelijke grens op: de provinciegrens.” Tegelijkertijd bestaat er wel succesvol Friestalig toneel, dat binnen de provincie tournees van dertig voorstellingen kan spelen. Een verklaring van het verschil tussen cabaret en toneel heeft Van der Meulen niet direct.
Herkenning zit niet alleen in taal, maar kan ook zitten in thematiek. Bert Eeftink (59) speelt momenteel een voorstelling over een duivenmelker. Een onderwerp dat je eerder met de provincie associeert dan met een stad als Leiden of Amsterdam. Programmeur Van der Linden vertelt: „We hebben in de gemeente Hoogeveen 58.000 inwoners. In de dorpen vind je veel landbouw. Het is een andere doelgroep dan in de Randstad. Een voorstelling over de wolf zou hier bijvoorbeeld goed kunnen aanslaan.”
Niet elke cabaretier blijft binnen zijn regionale context opereren. Cabaretiers zoals Herman Finkers, Hans Teeuwen of Theo Maassen hebben duidelijk herkenbare roots, maar trokken naar Amsterdam, werden lid van bekende comedyclubs zoals Toomler, deden mee aan cabaretfestivals en verschenen op tv.
Opvallend is dat cabaretiers met thuisbasis in een bepaalde regio zelden de klassieke route van toneelscholen, comedyclubs en cabaretfestivals doorlopen. De Laat begon op haar 25ste als entertainmentact in ’t Tunneke, een partycentrum in een Brabants dorp. Bezoekers eten er, in combinatie met amusement. „Bourgondische feesten” waren het, vertelt ze in haar woonplaats Schijndel. De Laat liep er rond als keukenmeid: op klompen, met lange rok, een schort en hoofddoekje, grappen makend tussen de tafels. „Heel Brabants.”
Folkloristisch, maar ook een harde leerschool: ze had niet de luxe van een podium, microfoon en stil publiek. Later liet De Laat zich als typetje inhuren op Brabantse beurzen, jaarmarkten en personeelsfeesten. In twintig jaar bouwde ze in de evenementensector een „hartstikke goede positie” op.
Bert Eeftink (59) als het mopperende mannetje Helligen Hendrik.
Ook Scheepers begon zijn carrière bij een typisch zuidelijk verschijnsel: het tonpraten, geworteld in de carnavalscultuur. Als typetje sta je in een ton en probeer je een zaal vol drinkende mensen aan het lachen te maken. Scheepers vertelt dat rond tien of elf uur de beste tijd is om op te treden: „Eerder is het publiek nog te nuchter en later te dronken.” Hij beschrijft optredens waarbij hij tussen kotsplekken door richting het podium moest slalommen, obers met volle dienbladen die voor de ton wandelen en mensen die tegen het podium urineren.
Ondanks dat ongemak spreken De Laat en Scheepers beiden van waardevolle ervaringen. Eerst leerden ze het vak en bouwden regionaal publiek op. Later betaalde deze regionale populariteit zich uit in theatersucces. Aanvankelijk hoofdzakelijk in Brabant. De Laat: „Ik was toen al vijftig en dacht: ik ga toch niet meer heel Nederland door als het hier ook gewoon lukt?” Later besloot ze zich, na aanmoedigingen van haar impresariaat, ook over de provinciegrenzen te wagen. Met succes, hoewel ze er nog steeds voor kiest om de helft van haar optredens in Brabant te spelen.
De Laat en Scheepers bewandelden dus niet de geijkte weg. Scheepers spreekt met relativering over ‘cabaretfestivalletjes’: „Ik heb niet meegedaan aan festivals. Geen titel achter mijn naam. Op die manier word je vaak verkocht in de Randstad. Op posters staat héél dik gedrukt wat je gewonnen hebt. Maar dan komt zo’n finalistentourtje hier in Budel en staan ze voor achttien man te spelen. Omdat er geen hond geïnteresseerd is. Want het is wederzijds hè: het is ook niet zo dat het hier bij ons stormloopt voor cabaretiers uit Amsterdam.”
Ook Eeftink doorliep een atypisch pad. Hij werkte lang als journalist bij RTV Oost, en verzorgde jarenlang hobbymatig een oudejaarsconference in zijn woonplaats Goor. Daar ontstond een typetje dat hij later in de vorm van een radiocolumn naar de regionale omroep bracht: Helligen Hendrik („Twents voor bozige Hendrik”), een mopperend oud mannetje dat zich druk maakt over allerlei triviale zaken. Daaruit volgde het theaterpersonage, waarmee hij sinds zijn veertigste zeer succesvol optreedt in Oost-Nederland.
Publiek komt voor een avond „onbedaarlijk lachen en niet voor een fijnzinnige avond met diepe doordenkers”, zegt Eeftink in een theaterzaal in het Twentse Rijssen. Hij speelt volledig in Nedersaksisch dialect. Dit ontstond nadat met name díé stukken in zijn plaatselijke oudejaarsconferences goed aansloegen. Eeftink breidde zijn speelgebied geleidelijk uit tot heel Oost-Nederland, waar hij in grote zalen staat. Toen hij eens bij de Amsterdamse Kleine Komedie aanklopte, bleek dat een brug te ver: „Ze kenden me niet en durfden het niet aan.”
Thijs Kemperink (43) speelt voornamelijk in het oosten van het land.
Ook het speelgebied van Thijs Kemperink breidde zich het afgelopen decennium uit: Overijssel, Gelderland, Drenthe en tegenwoordig ook Groningen. Hij begon in het westen: na zijn werk bij een groothandel in de bouw reed hij van Hengelo naar het Amsterdamse Comedycafé voor zes minuten speeltijd. Later in zijn loopbaan speelde hij ook in het Amsterdamse Bellevue, tot hij zich afvroeg: „Waarom zou ik voor 25 man in Amsterdam spelen als er in het Overijsselse Hardenberg 500 op me wachten?”
Culturele nabijheid speelt een grote rol, denkt Kemperink: „Of ik nou in Twente, Drenthe, Gelderland of Groningen speel: wij delen eenzelfde wij-gevoel. Dat helpt bij de binding met het publiek. Ik vermoed dat er in de Randstad toch een ander soort wij-gevoel is.” Ook De Laat merkt tussen provincies onderling weinig verschillen, maar kijkt wel anders naar een stad als Amsterdam: „Daar heerst denk ik een ander soort mentaliteit, een ander idee over wat kunst is. Meer kunst met een grote K.” Ze voegt toe: „Dat is geen oordeel, want daar houd ik ook van, maar het trekt ander publiek.”
„Laat dat hautaine idee los dat al het goede uit de Randstad komt”, zegt Scheepers. „Want dat voel ik soms wel een beetje.” Sentimenten over culturele hiërarchie komen vaker terug. Scheepers vertelt over arrogant gedrag van sommige randstedelijke stand-upcomedians, De Laat over de jury van de cabaretprijzen die niet eens bij haar voorstelling kwam kijken en Kemperink over een recensent die jaren geleden over zijn voorstelling schreef dat „de Tukkers er wel lekker op gingen”. Kemperink: „Dat vond ik denigrerend.”
Uiteindelijk is het maar zo’n 20 procent van de programmering waarin Nederlandse theaters onderling van elkaar verschillen, vertelt Van der Meulen. Dáár ontstaat ruimte waarin (grote) regionale carrières kunnen ontstaan en groeien. De overige 80 procent is grotendeels hetzelfde: „De grote knallers staan bijna overal.” Het zijn de poortwachters – media, jury’s, prestigieuze podia – die bepalen wanneer het héle land doorheeft dat iemand als De Laat inmiddels ook een grote knaller is geworden.