On her Majesty’s Secret Service is de sufste James Bond-film die er bestaat en toch zit ik ’m te kijken. Want ik zag hoe elegant de Britse koning Charles president Trump ondermijnde, zelfverzekerd, brutaal, een beetje schalks, een beetje sexy. En ik dacht: zou Charles een soort 007 kunnen zijn? Hij heeft zelfs een license to kill, niet fysiek, wel mentaal. En dan is hij on his majesty’s secret service, terwijl hij zelf de majesty is. Wat een ravissante verstrengeling van belangen zou dat impliceren.
Daar stopte het gedachte-experiment, al leefde het weer even op bij een sterke aflevering van Andere Tijden, over Prins Bernhard en de steekpenningen van Lockheed. Over vorstelijke belangenverstrengeling gesproken, de frappe van de documentaire is veelzeggend: de prins beurde stevige bedragen, maar hij deed er niets voor terug.
Als na-ijleffect zit ik dus On her Majesty’s Secret Service te kijken. Uit 1969. Ik zag ‘m eerder al eens, toen ik niks van film wist, behalve dat ik er de hele tijd naartoe wilde.
De Britse koning koning Charles III luistert naar president Donald Trump tijdens een staatsbezoek aan de Verenigde Staten, Washington, 28 april 2026.
Vreemd. Ook de andere antieke Bond-films zag ik lang geleden en ik weet nog van alles. Flarden van de verhalen, de mond van Sean Connery, de zangerige warmte van zijn stem. Achtervolgingen, kostuums, schurken, moorden, bedscènes (soms verbazend wreed voor vrouwen, maar dat viel me toen niet op). Van deze film herinner ik me alleen iets met bloed uit een sneeuwschuiver. Niet dat hij helemaal niet opschiet, niet de grapjes, niet de schurk, niet eens de Bond-girl. Het komt me zelfs niet bekend voor dat de Bond van dat moment, het fotomodel George Lazenby, zonder ophouden uit zijn ronde bruine ogen staart als Bambi op het moment dat de jagers zijn moeder afschieten. Hoe kan het geheugen iets zo volledig loslaten?
Ik zit in het theater. Ik heb er zin in, het stuk heet Opening Night, het is een bewerking van de gelijknamige film van John Cassavetes, door het gezelschap De Hoe. Op die titel kwam ik af. Die film is een schatkist voor theatermakers, hij leidde al tot een aantal aangrijpende voorstellingen.
Het doek gaat op, daar zijn de acteurs. De eerste zinnen klinken, ik zie een spectaculaire jurk. En ik weet: deze voorstelling zag ik al. Geen idee wanneer, maar ik weet zo ongeveer alles nog. Niet de letterlijke teksten natuurlijk, maar wel de enscenering, het gedoe en gezoek. De pesterigheid, de grappen, het drama, de intimiteit. Ik herinner me het kleverige spinnenweb van echt en onecht dat de acteurs weven uit de mensen die ze spelen en uit de mensen die ze zijn (al weet je dat niet zeker, dat is nou net het punt).
En ook al weet ik dat het komt, weer raakt me de zin: „Ik wil liefde zoals ik het speel”. Dat verlangen treft het hart van de theaterkunst, misschien wel van alle kunsten bij elkaar.