Durf te vragen Mensen kunnen met hun ogen communiceren. Maar is er niet meer aan de hand met de oogbol?
De mens is redelijk uniek met duidelijk zichtbaar oogwit.
De ogen zijn de spiegels van iemands ziel en een blik zegt meer dan duizend woorden. Spreekwoorden genoeg over hoe intens of betekenisvol oogcontact met een ander mens is. Hoeveel ik ook van ze hou, als ik mijn katten Tommy en Saartje in de ogen kijk, voelt het toch anders en valt me iets op. Hoe komt het dat mensen veel oogwit hebben en dieren niet of nauwelijks?
De klassieke ‘coöperatieve ooghypothese’ (CEH) gaf als eerste antwoord op deze vraag. Mensen gebruiken hun ogen niet alleen om te zien, maar ook om mee te communiceren, zo betoogde Michael Tomasello in 2007, voortbouwend op onderzoek van het Tokyo Institute of Technology in 2001. Doordat het menselijk oogwit (in wetenschappelijke kringen ‘sclera’ genoemd) sterk afwijkt van de kleur van de iris en het zwart van de pupil, is het makkelijker om de richting en beweging van de blik van een ander te volgen. Deze non-verbale communicatiemogelijkheid stelt mensen beter in staat om gedrag op elkaar af te stemmen, samen te werken en te bedenken wat een ander zou kunnen denken of zien. Hierdoor zouden mensen op een hoog en verfijnd niveau hun sociale vaardigheden en samenwerking kunnen ontwikkelen.
Dieren, zelfs andere primaten, hebben dit aanzienlijk minder: de meeste dieren hebben volledig donkere ogen of een gekleurd (ook wel gepigmenteerd) deel rond de pupillen, waarbij je feitelijk alleen de iris ziet. Sommige beesten hebben een klein beetje zichtbaar oogwit en een paar uitzonderingen zelfs best veel, maar op populatieniveau niet zo veel als de mens. Bij dieren moet de richting en beweging van de ogen meer verborgen blijven, zodat anderen niet kunnen zien welke prooi zij op het oog hebben. Dit komt omdat zij in een meer competitieve omgeving leven, waar de mensenmaatschappij meer coöperatief is. Dat laatste werd mede mogelijk doordat de evolutie gaandeweg witte, sterk contrasterende sclera bij de mens selecteerde.
Vanwege onze zeer coöperatieve levensstijl wijken onze ogen dus fors af van die in de rest van het dierenrijk. De ogen van een hond, paard en slang zijn totaal anders, maar hebben één overeenkomst: geen of nauwelijks zichtbaar oogwit. Mysterie opgelost, zou je denken. Ten tijde van het ontstaan van de CEH, in 2007, waren er wetenschappers die betoogden dat veel oogwit ook een teken van goede gezondheid kon zijn of dat het gevoel dat mensen naar je kijken leidt tot meer altruïstisch, op de groep gericht gedrag. Tomasello en zijn team reageerden hierop door te stellen dat „deze hypothesen elkaar niet uitsluiten en dat zeer zichtbaar oogwit ál deze functies kan hebben”.
Recent onderzoek gepubliceerd in Biological Reviews plaatst wel vraagtekens bij de klassieke hypothese. De onderzoekers beweren niet zozeer dat die fout is, maar empirisch onvoldoende onderbouwd om de huidige beweringen hard te maken. „Er is veel focus geweest op de oogbewegingen, terwijl in andere onderzoeken het bewegen van het hoofd meer aandacht trok”, zegt evolutiebioloog Aurora Teuben (25), verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en medeauteur van het paper. „De CEH stelt dat zichtbaar oogwit ervoor zorgt dat je sneller iemands blik kan volgen, maar het verschil in reactietijd tussen mensen en andere apen is zo klein dat de vraag is hoe doorslaggevend dit is.”
De auteurs hebben dan ook niet zozeer een contratheorie, maar pleiten voor meer onderzoek. „Er is een hyperfocus geweest op de CEH, terwijl er veel andere mogelijke verklaringen zijn”, aldus Teuben. Als voorbeeld noemt ze onderzoek naar ecologische factoren, zoals zonblootstelling aan de ogen en onderzoek naar de context waarin iemand de ogen of het hoofd beweegt. „We hebben een paar ideeën, maar meer onderzoek is nodig voordat we hier iets met zekerheid kunnen zeggen. Laten we de vraag opnieuw stellen.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin