Home

Concentratiekamp

Het was toeval, maar we aten, in kort tijdsbestek, twee keer bij een keten die ontstond uit een Amsterdams biefstukkenrestaurant. De desbetreffende vestiging lag in een weiland tussen Den Bosch en Vught. De eerste keer, we waren naar Beekse Bergen (‘Het Zuid-Afrika van Brabant’) geweest, waande ik me meteen na binnenkomst in Amerika. De liefde voor horecaconcepten gaat diep, zeker als het eten fabrieksmatig en snel wordt opgediend. We zaten tussen Brabantse families, die dit prefereerden boven de Brabantse gezelligheid. Aan de tafel naast ons zaten er drie met een zuurstofapparaat. De serveerster was haar stem kwijt vanwege een feestje. Ze piepte dat we het maar op de kaart moesten aanwijzen, ze maakte duidelijk dat de kipnuggets op de kaart beter waren dan de mini-biefstuk.

„Gezonder.”

De gerechten kwamen standaard zonder groenten, maar dat was wat mij betreft geen probleem, daar houden mijn dochters toch niet van. Ja, soms thuis, maar dan alleen om Eva te plezieren.

Snel en prettig gegeten.

Een paar dagen later waren we er weer, we hadden Kamp Vught bezocht en hadden gewandeld rondom de penitentiaire inrichting Vught, de strengst bewaakte gevangenis van het land. Overal hingen posters met de tekst ‘personeel gezocht’, schijnbaar is het niet makkelijk om mensen te vinden die zin hebben in het bewaken van de allerergste misdadigers van het land. Een baliemedewerkster van Museum Kamp Vught zei dat ze onder geen beding bij de buren zou willen werken.

„Van binnen een bivakmuts dragen gaat je haar door de war.”

De middelste dochter klapte eroverheen met: „Vroeger was het in Vught geen pretje, maar nu ook niet.”

Vanille-ijs

Het Museum Kamp Vught is wel een aanrader, een van de betere in z’n soort.

Op de weg terug belandden we weer bij het biefstukkenrestaurant in het weiland. Nog nooit waren we in een vakantie zo vaak naar Noord-Brabant gereden. Het personeel kende ons nog, de jongste had een diepe indruk achtergelaten vanwege het smeren met vanille-ijs op deurklinken. We werden aangesproken als familie.

Op de vraag of er nog een tafel vrij was kwam het antwoord: „Voor buurtbewoners altijd.”

Dit keer kwamen we tussen zwijgende Brabantse gezinnen te zitten.

Toen de middelste dochter opmerkte dat de andere mensen misschien een ziekte hadden en dat ze daarom niet kunnen praten, legde een grote vrouw nadrukkelijk haar vork op haar bord en zei iets te hard: „Dat kunnen wij wel, meidje!”

Hard en dreigend.

Het maakte diepe indruk.

Ze wilde nooit meer in de vakantie naar een concentratiekamp.

Marcel van Roosmalen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next