Home

Opinie: Mbo-studenten hebben meer aan onderwijskwaliteit dan aan mooie woorden

Geen centraal examen doen betekent niet dat er weer een probleem is opgelost. Het echte probleem, namelijk een daling van schoolsucces in het mbo, wordt zo alleen maar weggemoffeld.

De publicatie van de jaarlijkse Staat van het Onderwijs leidde weer tot scherpe, maar ook voorspelbare reacties. Voor mij sprong één percentage eruit: 44 procent van de mbo-opleidingen scoort onvoldoende op studiesucces. Een onthutsend cijfer.

Tegelijkertijd verdient dat percentage nuance, zoals Remco Meijerink (voorzitter van het college van bestuur van het Firda College) eerder terecht in de Volkskrant betoogde. Maar die nuance is geen excuus. Want achter deze nuance gaan problemen schuil waar de sector zelf invloed op heeft en te weinig mee doet.

Over de auteur

Andries Knol is voorzitter van Beroepsvereniging Opleiders in het MBO.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Studenten verliezen

Wie de juiste vooropleiding heeft en zich voor 1 april aanmeldt, is toelaatbaar voor elke mbo-opleiding. Bij aanmelding na 1 april hebben scholen de ruimte om te beoordelen of een opleiding bij de student past, of te adviseren op een lager niveau te starten. In de praktijk gebeurt dit nauwelijks. Docenten en onderwijsteams willen dit wel, maar mogen niet van hun bestuur. Scholen zijn bang studenten kwijt te raken aan de buren. Wie een student afwijst, verliest immers bekostiging.

Het raakt vooral kwetsbare studenten. Jongeren die daardoor op een verkeerde plek terechtkomen, vastlopen en zonder diploma of startkwalificatie afhaken. Of overstappen naar een andere opleiding, met studievertraging en onnodige extra kosten tot gevolg.

Terwijl het uitvalpercentage de media haalde, bleef een ander probleem onbesproken: de wijze waarop basisvaardigheden in het mbo worden gemeten. Opvallend, want in de Staat van het Onderwijs staat zwart op wit hoe onlogisch en niet-transparant dit gaat. Vmbo-leerlingen die instromen in het mbo zouden referentieniveau 2F moeten beheersen. Mbo-instellingen hoeven dat slechts te onderhouden, of (voor niveau 4) door te ontwikkelen naar niveau 3F. De praktijk leert dat studenten bij binnenkomst, dat niveau vaak niet hebben. En dus is er voor het mbo een herstelopdracht ten aanzien van Nederlands en rekenen.

Zorgwekkende trend

Wie vervolgens naar de examenresultaten in het mbo kijkt, ziet een zorgwekkende trend. Het aantal studenten met een voldoende voor het centraal examen (CE) Nederlands daalt, zowel op mbo 2 als mbo 3. Nog pregnanter, bijna een derde van de mbo 2-studenten behaalt taalniveau 2F niet. Dit omdat zij profiteren van een extra punt ‘cijferdifferentiatie’. Pas bij een 6,5 is er daardoor sprake van beheersing van 2F, maar studenten met een 5,5 zijn wél geslaagd. Het diploma suggereert daarmee een niveau dat er vaak niet is.

Op mbo 4 is het beeld niet rooskleuriger. Daar slaagt 62 procent voor het centraal examen op niveau van 3F. Dat betekent dat vier op de tien afgestudeerden onvoldoende vaardig zijn in lezen en luisteren ten aanzien van het niveau wat van hen verwacht wordt. Terwijl je met iedere willekeurige mbo 4-opleiding toelaatbaar bent op alle hbo-bacheloropleidingen in Nederland.

Tegelijkertijd haalt bijna iedereen een ruime voldoende op het instellingsexamen (IE). Het verschil tussen deze twee cijfers is 1,4 punt. Dat is uitzonderlijk groot en roept fundamentele vragen op over betrouwbaarheid van instellingsexamens. Een dergelijk ‘zeer groot verschil’ is in het voortgezet onderwijs niet acceptabel.

Lage scores op het centraal examen worden gecompenseerd met hogere cijfers op het instellingsexamen. Ook kunnen onvoldoende eindcijfers voor Nederlands weggestreept worden tegen andere vakken. Daarnaast is het aantal herkansingen onbegrensd en is er geen toezicht op de kwaliteit van instellingsexamens door de Inspectie. Het valt allemaal te lezen in de Staat van het Onderwijs. Het gevolg: een diploma waarbij de resultaten steeds minder zeggen over vaardigheden.

Niet te achterhalen

In de herijking referentiewaarden niveaus Nederlands is nu het advies om het centraal examen af te schaffen, zoals dat een aantal jaar geleden al bij rekenen is gebeurd. Zo hebben mbo-rekenniveaus bij het vak rekenen de referentieniveaus 2F en 3F vervangen. In de praktijk zijn deze slecht tot elkaar herleidbaar. Daardoor is niet te achterhalen of mbo studenten aan het einde van hun opleiding niveau 2F of 3F hebben gehaald.

Geen centraal examen betekent ook geen kwaliteitsborging. De instellingsexamens die de scholen gebruiken staan daarnaast niet onder controle van de Onderwijsinspectie. En nu wordt bij Nederlands dus hetzelfde geadviseerd. Waarmee weer een probleem niet opgelost, maar weggemoffeld wordt.

En zo lijkt het belangrijker hoe we gebrek aan kwaliteit uit het zicht kunnen houden, dan het bieden van echte onderwijskwaliteit. En aan onderwijskwaliteit heeft de mbo-student zoveel meer dan aan mooie woorden, zoals dat mbo niet onderdoet voor hbo.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next