Gerard van Honthorst Het Centraal Museum in Utrecht presenteert de eerste overzichtstentoonstelling van Gerard van Honthorst, de beste Nederlandse navolger van Caravaggio. De grote hoogten waartoe hij als jonge man in Rome werd opgestuwd, bereikte hij in zijn latere werk nog maar zelden.
Gerard van Honthorst, 'De bespotting van Christus', ca. 1617.
Gerard van Honthorst. T/m 13 september in het Centraal Museum Utrecht. Info: centraalmuseum.nl ****
Zeven jaar geleden was er in het Centraal Museum in Utrecht een gedenkwaardige tentoonstelling over de invloed van de Italiaanse schilder Caravaggio (1571-1610) op de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Het was het museum gelukt twee Caravaggio’s in bruikleen te krijgen, naast een indrukwekkende hoeveelheid goede schilderijen van navolgers uit heel Europa. Speciale aandacht was er voor de Utrechtse caravaggisten Hendrick ter Brugghen, Dirck van Baburen en Gerard van Honthorst. Die hadden alle drie een paar jaar in Rome doorgebracht, waarna ze Caravaggio’s opzienbarende combinatie van realisme en theatraliteit in Nederland introduceerden. Iemand als Rembrandt, die nooit in het buitenland kwam, had veel aan de caravaggisten te danken.
De meeste navolgers haalden het niet bij Caravaggio zelf, maar Gerard van Honthorst (1591-1656) kwam heel dicht in de buurt. Er hingen tien schilderijen van hem en die waren telkens het beste werk op een wand. Honthorst wist overtuigend drama of plezier te verbeelden in complexe, goed georganiseerde composities met een geraffineerde belichting door kaarsen of fakkels. Meesterwerk na meesterwerk schilderde hij – nota bene als begin-twintiger.
Het eerste grote Honthorst-overzicht, nu in hetzelfde Utrechtse museum, was dan ook een tentoonstelling om naar uit te kijken. De presentatie is ongeveer chronologisch, dus het verhaal begint in Rome, waar hij omstreeks 1613 aankwam nadat hij het vak had geleerd bij de Utrechtse schilder Abraham Bloemaert. Er zijn twee topstukken uit zijn Italiaanse jaren terug die begin 2019 ook al in Utrecht hingen: De verloochening door Petrus (ca. 1616) uit het museum in Rennes en De bespotting van Christus (ca. 1617) uit Los Angeles.
Gerard van Honthorst, ‘De verloochening door Petrus’, ca 1616.
Die bespotting is een heel vernuftig schilderij, waarin vorm en inhoud mooi samenhangen. Een groepje pestkoppen houdt een brandende fakkel gevaarlijk dicht bij het gezicht van Christus: een naar gebaar richting iemand wiens handen zijn vastgebonden, maar ook een lichtbron in het precieze midden van de compositie, die zowel de pesters links als Christus rechts een warme gloed verleent.
Honthorst was – ook in andere nachtstukken – goed in de gradaties van het licht. Dicht bij het vuur zijn gezichten en ledematen fel belicht, met harde schaduwen. Waar het licht van onderaf komt, valt het op de onderkanten van kinnen, neuzen en oogkassen en werpt het schaduwen omhoog. Ons zaklamp-onder-de-kin-effect werd door Honthorst dus al ingezet om de spanning in zijn geschilderde vertellingen te verhogen.
Verder van het vuur vandaan is het licht zachter. Bij Honthorst is er in dat schemergebied altijd nog veel subtiels te beleven. Zo zie je in De verloochening van Petrus een achtergrondfiguur in de kaarten kijken bij een afgeleide kaartspeler, en in De bespotting van Christus houdt een jongen zijn hand tussen zijn ogen en de felle fakkel, wat resulteert in een boude schaduwbaan door zijn hele gezicht. Een schaduw in de schemering.
Een ander groot talent van Honthorst was dat hij overtuigend lachende gezichten kon weergeven. Frans Hals mag dan de meester van de geschilderde lach zijn, Gerard van Honthorst is een heel goede tweede. De treiteraars rondom Christus hebben echt plezier in hun pesterijen. Hun gezichten glunderen, ze lachen hun tanden bloot tot op het tandvlees en hun ogen lachen met hun monden mee.
Het Centraal Museum wil nadrukkelijk de héle Honthorst laten zien, niet alleen het vroege Italiaanse werk. Dat is interessant, want nadat hij in 1620 in Utrecht was teruggekeerd sloeg hij heel andere schilderkunstige wegen in. Hij werd een versatiel kunstenaar, die zich gemakkelijk plooide naar omstandigheden en opdrachtgevers. De kaarsen gaan uit, de gordijnen open. De kleuren worden bonter, de seksuele toespelingen talrijker en de lachen schalkser. Het wemelt ineens van de dubbelzinnige voorwerpen, obscene gebaren en voorlopers van Janet Jacksons nipplegate. Want ook in de zeventiende eeuw was een bloot bovenlijf bij mannen de gewoonste zaak van de wereld, terwijl een vrouwentepel die net boven een decolleté uit piept… Olala.
Gerard van Honthorst, ‘De aanbidding van de herders’, 1622.
Toch maakte Honthorst ook in die eerste Nederlandse jaren nog echt sterke schilderijen, zoals een Aanbidding van de herders (1622) met het Christuskind als lichtbron en een Heilige Sebastiaan (ca. 1623) met opgedroogde bloedsporen die niet allemaal omlaag lopen, maar deels ook naar opzij, omdat de zittend weergegeven martelaar eerder rechtop heeft gestaan. Het laatste schilderij hangt niet op de tentoonstelling maar wordt wel behandeld in de begeleidende publicatie, een handzaam hardcover leesboek over Honthorsts leven en werk.
In latere jaren maakt hij carrière in Engelse en Haagse hofkringen en dan raakt de lol er definitief af. Het leven verdwijnt uit zijn figuren, de subtiliteit uit zijn licht en kleur, de vindingrijkheid uit zijn composities. Honthorst, schreef de zeventiende-eeuwse schildersbiograaf Samuel van Hoogstraten, ‘had in zijn bloeijende tijdt een wakker pinseel gevoert; maer (…) verviel tot een stijve gladdicheyt.’ Wie het overzicht in Utrecht bekijkt, moet Van Hoogstraten gelijk geven. Het is een goed gemaakte, leerzame tentoonstelling en het boek is ook zeer welkom – maar de conclusie blijft dat Honthorst in zijn jonge jaren zijn beste werk maakte, waarschijnlijk omdat hij toen in Rome, het hol van de leeuw, met Caravaggio en diens navolgers moest wedijveren. De tien schilderijen van hem die begin 2019 in Utrecht hingen waren dus niet alleen de beste op de caravaggisten-tentoonstelling, maar ook de beste in zijn hele oeuvre.
Gerard van Honthorst, ‘Gitaarspelend meisje’, (Bandora), 1624.
Gerard van Honthorst, ‘Oude vrouw dekt kaars af met rechterhand’, ca. 1618-1620.Particuliere collectie, Verenigd Koninkrijk