Home

Waarom Amsterdam een wereldstad werd en Zutphen niet

Geschiedenis Waarom waren sommige regio’s in Nederland economisch succesvol en andere niet? Historicus Paul Brusse beschrijft zo’n duizend jaar economische veranderingen.

Abraham Storck: Gezicht op het IJ bij Amsterdam.

Paul Brusse: Bedrijvigheid in stad en streek. Economisch-geografische geschiedenis van Nederland vanaf circa 1000. Prometheus, 600 blz.

€ 44,99

In 1869 beliep de bevolking van Eindhoven maar een tiende van die van Leiden. Een eeuw later was Eindhoven Leiden ruim gepasseerd en al bijna twee keer groter. Wat was hier gebeurd? Het is dit type vragen waarvoor Paul Brusse antwoorden levert in Bedrijvigheid in stad en streek. De verklaring is in dit geval niet zo moeilijk. Meteen na 1869 kwam de industrialisatie van Nederland op gang. Eindhoven bleek een aantrekkelijke vestigingsplaats voor fabrieken. Veel ruimte, veel goedkope arbeidskrachten. Een deel van die fabrieken werd geen succes, maar de gloeilampenfabriek die Gerard Philips in 1891 met geleend geld opzette groeide uit tot een conglomeraat van innovatieve elektronicabedrijven in Eindhoven en omgeving, met vertakkingen over de hele wereld. Leiden worstelde intussen met een hopeloos verouderde textielnijverheid.

De greep van economisch-geografisch historicus Brusse is groot; hij vertrekt in het jaar 1000 voor een gedetailleerde verkenning van de veranderingen in het Nederlandse economische leven, die in zijn visie altijd op plaatselijk of regionaal niveau gestalte krijgen. Het feitenmateriaal is overweldigend, zijn werk steunt dan ook op het graaf- en spitwerk van honderden economisch historici, die aan de hand van archiefstukken, archeologische vondsten en een analyse van de bodemgesteldheid een beeld opbouwden van de lokale bedrijvigheid, en dat voor alle uithoeken van Nederland. Waarom groeien de suikerbieten vooral in Zeeland en West-Brabant, heeft Walcheren veel veeteelt, en zijn de IJsselmeerpolders vooral geschikt voor akkerbouw? Of waarom is in Zutphen nooit enige industrie van de grond gekomen? Die laatste vraag bleek een lastige; de gelauwerde historicus Willem Frijhoff lukte het niet hierop een bevredigend antwoord te vinden.

Maar ook: hoe kon Amsterdam zo snel uitgroeien tot een wereldstad aan het begin van de zeventiende eeuw? Niet alle antwoorden zijn verrassend: dat kwam in de eerste plaats door het neerstrijken van rijke en inventieve Zuid-Nederlandse ondernemers na de Val van Antwerpen in 1585, en ook door een sterke dominantie in de scheepvaart. Amsterdammers waren al goed in bulktransport, toen zich daar de zuidelijke handelsgeest bij voegde, begon het heel Europa te overvleugelen. En er was nog iets: al die scheepvaart leverde ook veel informatie op over wat er elders gebeurde. Amsterdam werd hét economische informatieverdeelstation van Europa.

Overbodige zeesluis

De vraag waarom Amsterdam zijn positie niet kon vasthouden is moelijker te beantwoorden. De havenstad begon eind zeventiende eeuw zijn dominante positie al te verliezen. Maar de Amsterdammers hadden moeite dat onder ogen te zien; in 1862 werd nog het Noordzeekanaal gegraven met een enorme zeesluis bij IJmuiden, die onlangs zelfs nog weer verder werd vergroot. „Weggegooid geld”, aldus Brusse. De pijnlijke waarheid was dat Amsterdam het al omstreeks 1850 definitief moest afleggen tegen Rotterdam, dat maar bleef groeien. Vooral na de Tweede Wereldoorlog maakte deze stad behendig gebruik van zijn gunstige ligging ten opzicht van het Duitse achterland, en was zelfs enige tijd de grootste haven ter wereld. Wanneer Brusse dit uitlegt, begin je je af te vragen waarom Rotterdam er zo lang over deed om de koppositie in te nemen, want dat achterland was er de eeuwen daarvoor ook al.

Veel van Brusses verklaringen roepen weer nieuwe vragen op. Dat is inherent aan het vak van economisch-geografisch historicus. Het begrip ‘geografisch’ werkt nogal sturend, of zoal Brusse het formuleert: „Het succes van ondernemerschap werd zowel rond 1500 als in 1970 grotendeels bepaald door de locatie.” Maar hij ontkomt er niet aan om veel zaken te verklaren uit een toevallige samenloop van omstandigheden. Of uit ondernemerschap. Wie zich afvraagt waarom nou juist in het Westland zoveel kassen staan, wordt door Brusse teruggevoerd naar de jaren omstreeks 1885. In deze streek werden op muren druiven geteeld, bij elkaar zo’n 18 kilometer muur. Kwekers gingen in deze jaren experimenteren met glaswanden om de druiven beter uit de wind te houden. In 1888 werd de eerste kas gebouwd, omstreeks 1900 tekende zich al een glazen stad af van tientallen hectaren. Weer twintig jaar later gingen de kwekers over tot het bijverwarmen van de kassen. De benodigde steenkolen werden aangevoerd via het nabijgelegen Rotterdam.

Geen zekerheden

De geografische verklaringen zijn het meest overtuigend als het om de landbouw gaat; bodemgesteldheid is vaak bepalend. Bij de scheepvaart, de handel, de industrie of de opkomst van de dienstensector ligt het een stuk ingewikkelder. Beschikbaarheid van open vaarverbindingen, het veroveren van privileges of monopolies en het uitbuiten van schaalvoordelen, en ook het verwerven van een regionale spilfunctie kunnen de economie vleugels geven. Maar Brusses boek maakt ook duidelijk dat er geen zekerheden zijn, steeds is er in alle denkbare economische sectoren het patroon, van opkomst, bloei, consolidatie en verval.

Uiteindelijk leidt Brusse de lezer door vier onderscheiden perioden: de Middeleeuwen tot 1500, waarin het landschap van dijken, wegen, steden en dorpen voor alle volgende eeuwen wordt vastgelegd. Daarna de opkomst en neergang van Holland en Amsterdam tussen 1500 en 1870. In de eeuw daarna zet de industrialisatie het beeld op zijn kop: regio’s als Twente (textiel), Brabant (schoenen, sigaren, de eerste elektronica, auto’s enz.) en Limburg (steenkool) komen heel snel op, om tegen 1970 alweer in verval te raken, omdat de productie zich verplaatste naar de lagelonenlanden. Na 1970 zien we de dienstensector opkomen; een type economische activiteit dat steeds minder regio-gebonden is. Telecommunicatie, digitalisering en goedkoop vervoer maakten intussen afstanden, die in Nederland toch al gering zijn, bijna irrelevant.

Brusse voert ons in al deze perioden steeds opnieuw langs een groot aantal steden en bedrijfstakken. Dat geeft het boek iets vermoeiends. Deze feiten presenteren in de vorm van tabellen en kaarten zou het boek veel aantrekkelijker hebben gemaakt, en Brusse de ruimte hebben gegeven veel meer grote lijnen te trekken en diepere inzichten aan te reiken dan hij nu doet. Nu volgen na zo’n 500 pagina’s met eindeloos veel feiten en feitjes nog tien pagina’s met ‘synthese’. Het eerste hoofdstuk over de periode tot 1500 komt nog het dichtst in de buurt van een echte analyse.

Bedrijvigheid in stad en streek is nu vooral een kroniek van duizend jaar rusteloosheid, of beter gezegd, duizend jaar ongetemde ondernemingszin, en ook van gestage voorspoed en af en toe genadeloos verval. De lusten en lasten werden altijd zeer ongelijk verdeeld. En tja, waarom bleef Zutphen verstoken van industrie: het lag te dicht bij Deventer en Apeldoorn om echt de vleugels uit te kunnen slaan. Zo simpel is het soms.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next