Plaagdierbestrijding In Australië vormen Europese konijnen weer een plaag. De invasieve soort is immuun geworden voor de virussen waarmee ze voorheen bestreden werden. Intussen verwoesten de knaagdieren complete ecosystemen.
Konijnen in Canberra.
Strijklicht werpt lange, geometrische schaduwen over het gazon voor het parlementsgebouw in de Australische hoofdstad Canberra. In de gele gloed van de ondergaande zon lichten enkele pluizige, witte staartjes op. Tientallen konijnen grazen rustig op het grasveld. Een idyllisch gezicht, maar konijnendeskundige Brian Cooke ziet het als een blamage. „Het probleem staat letterlijk voor de deur van ons parlement, maar het ontbreekt aan politieke wil om hier iets aan te doen.”
Dit onschuldig ogende knaagdier Oryctolagus cuniculus, afkomstig uit Europa, richt een ongekende ravage aan in Australië. Naar schatting leven er zo’n 250 miljoen konijnen in heel het land. De schade aan de Australische landbouw is nu al zeker 250 miljoen Australische dollar per jaar (ruim 150 miljoen euro). Als de plaag niet aangepakt wordt, kan de schade volgens deskundigen oplopen tot 2 miljard dollar per jaar (ruim 1,2 miljard euro). Ook voor de Australische natuur is het konijn een plaag: direct en indirect bedreigt het meer dan driehonderd inheemse dier- en plantsoorten. Het dier staat op de eerste plek van invasieve diersoorten die de meeste schade aanrichten in het land.
„Het konijn heeft het landschap haast onherkenbaar veranderd”, zegt Cooke (81). Dat is duidelijk te zien bij zijn huis in Canberra. Het gebied in en rondom de hoofdstad bestaat voor meer dan 70 procent uit natuurgebied. Maar waar voorheen weelderige, inheemse grassen groeiden, zijn de heuvels nu kaalgevreten en geperforeerd door holen, met bodemerosie als gevolg.
Toch had de Australische regering de konijnenplaag jarenlang onder controle, legt Cooke uit. Dat is deels aan hem te danken. De bioloog wordt door collega’s ook wel de godfather genoemd van onderzoek naar de gevolgen van konijnen in Australië. Bijna heel zijn leven zet hij zich in voor het indammen van de konijnenplaag. „Ik ging biologie studeren met als doel bedreigde inheemse diersoorten te redden.” Hij spreekt bedachtzaam met een zachte stem. „Al gauw realiseerde ik me dat het beperken van het aantal konijnen de beste manier was om inheemse soorten te helpen.”
Brian Cooke in een door konijnen aangetast landschap in de buurt van Canberra.
Konijnen kwamen al mee met de eerste vloot Britse kolonisten die zich vanaf eind achttiende eeuw in Australië vestigden. De dieren werden in kooien gehouden om in geval van nood geslacht te worden. Ze veroorzaakten in eerste instantie geen schade aan de natuur. Dat veranderde decennia later, toen de Engelse pionier Thomas Austin in zijn nieuwe thuisland zijn favoriete hobby miste: de konijnenjacht. Hij gaf zichzelf een kerstcadeau. Op Eerste Kerstdag in 1869 liet hij 24 wilde konijnen los op zijn landgoed Barwon Park in de deelstaat Victoria, het zuidoosten van Australië. Hij hoopte dat ze zich zouden voortplanten, zodat hij regelmatig op jacht kon gaan.
Zijn wens werd ruimschoots vervuld. De wilde konijnen pasten zich razendsnel aan hun nieuwe omgeving aan. Enkele jaren later sprongen er tienduizenden rond op zijn landgoed, en ver daarbuiten. Uit genetisch onderzoek blijkt dat zo goed als alle konijnen in Australië afstammen van deze 24 voorouders. Volgens de onderzoekers zijn Austins konijnen het begin van „een van de meest iconische en verwoestende biologische invasies uit de geschiedenis”.
In de jaren twintig van de vorige eeuw, het hoogtepunt van deze eerste plaag, waren er naar schatting tien miljard konijnen in het land. Voor ieder mens in Australië waren er in die tijd meer dan 1.300 konijnen.
Het was zowel een ecologische als een economische ramp. Boerenland werd compleet verwoest en veehouders zagen hun inkomsten met ruim de helft verdwijnen omdat de konijnen alles voor de voeten van hun schapen en koeien wegvraten. Op grote schaal werden de dieren afgeschoten, maar de populatie bleef onverminderd hard doorgroeien. Ook liet de Australische regering tussen 1901 en 1907 dwars door het land een hek van meer dan 3.000 kilometer bouwen, in een poging boerenland in het westen tegen de konijnen te beschermen.
Gevangen konijnen in 1949, in de buurt van de stad Warren in de deelstaat New South Wales.
Het haalde allemaal weinig uit, en Australische boeren waren de wanhoop nabij. Daarom werd in 1950 een drastische stap gezet. Wetenschappers lieten het myxomatosevirus vrij, een virus dat enorm besmettelijk en dodelijk is voor het Europese konijn. Het was een unicum: voor het eerst werd een zogenoemd biologisch bestrijdingsmiddel ingezet om een invasieve diersoort tegen te houden.
Myxomatose lijkt op het pokkenvirus en komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. De ziekte is ongevaarlijk voor mensen en vee, maar levensgevaarlijk voor Europese konijnen. Het virus werd verspreid via muggen. Het bleek uitermate effectief: in de eerste jaren na de introductie van het virus stierf 99 procent van de geïnfecteerde konijnen aan de ziekte. Binnen een aantal jaar werd de konijnenpopulatie in Australië grotendeels uitgeroeid.
Cooke groeide op in de deelstaat Victoria, vlakbij het landgoed van Austin waar die eerste 24 konijnen werden losgelaten. Hij zag van dichtbij hoe effectief het virus was, kortweg ‘myxo’ genoemd. „Ik was zes, misschien zeven jaar oud toen ik voor het eerst een konijn zag met het myxomatosevirus. Mijn vader legde uit dat het virus de konijnenpopulatie moest beperken, zodat inheemse soorten gered konden worden.”
Konijnen aan het drinken in de buurt van Adelaide, 1961.
Maar myxo bleek geen blijvende oplossing. Met de jaren werden de wilde konijnen resistent tegen het myxomatosevirus. Bovendien was de bestrijding met het virus niet overal een succes. Tijdens droge perioden, die regelmatig voorkomen in Australië, waren er niet genoeg muggen om het virus verder te verspreiden. Daarom werden in 1969 en 1993 Europese konijnenvlooien geïntroduceerd, die ook dragers konden zijn voor het virus. Dat zorgde tijdelijk voor een versterkte bestrijding, totdat de virusresistentie van konijnen weer de overhand kreeg.
Omdat steeds meer konijnen resistent waren tegen het myxomatosevirus, ging men op zoek naar een nieuw virus. Twee keer werden verschillende vormen van het dodelijke calicivirus geïntroduceerd. Cooke was betrokken bij de introductie van het virus in de jaren negentig. Dat ging niet altijd volgens plan. In 1995 was er een veldproef op Wardang Eiland in Zuid-Australië. Het virus ontsnapte al enkele maanden na het begin van de proef naar het vasteland, en verspreidde zich razendsnel over heel Australië.
Maar ook dit virus heeft een houdbaarheidsdatum. De huidige populatie wilde konijnen begint resistent te worden voor het calicivirus. Er is nog geen opvolger gevonden.
Bij het CSIRO, de nationale wetenschaps- en onderzoeksorganisatie van de Australische overheid, leidt Tanja Strive nu het onderzoek naar een mogelijk nieuw virus. Het departement van het onderzoekscentrum, een wit gebouw met grote zuilen, ligt aan een van de brede, lommerrijke lanen van Canberra. „Ook hier zit het gazon vaak vol konijnen”, zegt Strive.
Het is een goede motivatie voor haar werk. De van oorsprong Duitse wetenschapper woont al jarenlang in Australië. Strive draagt een donkerblauwe labjas en een bril met een dun montuur. In het lab onderzoekt ze met haar team verschillende virussen. „We kunnen nooit zomaar een virus loslaten, het werkt alleen als we zeker weten dat het geen schade aanricht aan andere dieren of mensen”, zegt Strive.
Wetenschappers Tanja Strive en Elena Smertina in het CSIRO.
Toch is haast geboden, want konijnen planten zich voort als, nou ja, konijnen. Als ze ongeveer drie maanden oud zijn, kunnen ze zich al voortplanten. Ze hebben een draagtijd van 28 dagen, en de vrouwtjes kunnen na de bevalling dezelfde dag al weer zwanger raken. Ze krijgen vaak tot wel zes of zeven jongen, die ook binnen een paar maanden vruchtbaar zijn. „Zo groeit hun aantal dus exponentieel”, legt Strive uit.
Onderzoek naar een nieuw virus duurt daarentegen jaren. „Het duurt gemiddeld zo’n tien jaar voordat konijnen resistent worden tegen een nieuw virus”, zegt ze. De laatste keer dat er een effectief virus werd ingevoerd was in 2017, toen ging het om de Koreaanse K5-variant van het calicivirus. „We zien dat het aantal konijnen nu weer op een plaag begint te lijken. En we hebben geen nieuw virus klaarliggen.”
Een jarenlange zoektocht naar nieuwe methoden om konijnen met infectieziekten te bestrijden heeft vooralsnog niets opgeleverd. De wetenschappers staan met lege handen, maar om de populatie in toom te houden is wel iedere tien, vijftien jaar een nieuw virus nodig.
Daarom worden veel andere methoden gebruikt om de populatie in te perken. Zo worden konijnenholen met bulldozers vernietigd en worden de holen met giftige gassen uitgerookt. Daarnaast worden de dieren vergiftigd. Dat is zeer effectief, al gelden er strenge richtlijnen om huisdieren en inheemse dieren te beschermen. Ook worden konijnen gevangen en afgeschoten. Dat gebeurt vooral in de buurt van steden en door landeigenaren.
Konijnen op het grasveld voor het parlementsgebouw in Canberra.
Maar een virus is volgens deskundigen nog steeds „de ruggengraat van effectieve bestrijding”. Toch is een gevoel van urgentie bij de regering ver te zoeken. Er is een tekort aan politieke en financiële steun voor het biocontroleprogramma. „Het programma is een slachtoffer van het eigen succes geworden”, zegt Strive. Omdat myxomatose zo effectief was, bestaat volgens haar het idee dat het probleem is opgelost. „Een tijdlang waren konijnen niet zo zichtbaar, en is de aandacht verslapt.”
Als het niet lukt om een nieuw virus te vinden, betekent dat volgens Strive een „absolute ramp”. De laatste subsidie is bijna op, en een nieuw bedrag voor onderzoek is vooralsnog niet vrijgemaakt in het budget van de regering. „Wetenschappers zijn klaar om deze uitdaging aan te gaan. Maar om een onverklaarbare reden wordt het programma sinds 2022 niet meer gefinancierd. Die zelfgenoegzaamheid is gevaarlijk”, waarschuwde de directeur van de Invasive Species Council.
De gebrekkige steun komt ook doordat het konijn in Australië nog steeds een aaibaar imago heeft. „Er is steeds minder steun voor ons programma”, zegt Strive. Zo leidt myxomatose tot een langzame, pijnlijke dood. Maar volgens Strive zijn de calicivirussen snel en efficiënt, waardoor het dier niet lang hoeft te lijden. „Het is geen mooie waarheid, maar het is absoluut nodig. Als we het goed doen zijn we niet alleen bezig met het doden van konijnen, maar juist met het voorkomen dat de aantallen zo snel oplopen.”
Opgeven geen optie, zegt Strive. Sinds het begin van de kolonisatie van Australië zijn zeker dertig inheemse zoogdieren uitgestorven. Het konijn heeft daar veel aan bijgedragen, en bedreigt alsnog zeker 300 inheemse dier- en plantsoorten. „Australië heeft al heel veel verloren vanwege de konijnen, maar er valt nog veel meer te verliezen.”
Dat de schade door het konijn zo groot is, komt volgens Cooke door het domino-effect dat het dier veroorzaakt. „Konijnen zijn een prooi voor andere invasieve dieren, zoals wilde katten en vossen. Als er meer konijnen zijn, zijn deze dieren ook meer aanwezig. En zij jagen weer op inheemse dieren, die zo van alle kanten bedreigd worden”, legt hij uit.
„Soms nemen de konijnen niet eens de moeite een eigen hol te graven, maar kraken ze het huis van inheemse soorten, zoals de bilby”, zegt Cooke terwijl hij op zijn knieën hurkt bij een bilby-hol en naar de konijnenkeutels wijst. De greater bilby, ofwel de grote langoorbuideldas, heeft een lange, spitse snuit en een zijdezachte vacht. Het is een iconisch Australisch buideldier dat nergens anders ter wereld voorkomt. De diersoort is zeer kwetsbaar, naar schatting zijn er slechts een kleine tienduizend over in het wild. Cooke: „In de concurrentiestrijd om voedsel en beschutting verliest het buideldier het van het konijn.”
Het is teleurstellend voor Cooke, die alles waar hij zich zijn hele carrière voor heeft ingezet opnieuw onder druk ziet staan. Ondanks dat hij al jaren probeert om met pensioen te gaan, blijft hij betrokken bij de ontwikkelingen. „Je zou denken dat mensen niet willen wachten tot het echt helemaal uit de hand loopt voordat we actie ondernemen.” Onlangs onderging hij een hartoperatie, waar hij overigens boven verwachting snel van herstelt. Maar toch. „Ik ben inmiddels voorbij de tachtig, ik kan niet blijven rondrennen om dit probleem onder de aandacht te brengen. Het is nu aan een nieuwe generatie om het stokje over te nemen.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Brian Cook laat de schade zien die konijnen hebben veroorzaakt.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin