Populisme Als een rechts-radicale politicus een omstreden uitspraak doet, gaan de nieuwsmedia aan de slag met factchecken en kritische analyse. Maar volgens Chris Julien is het resultaat evengoed normalisering van extreem gedachtegoed.
Geert Wilders (PVV) staat de pers te woord na een coalitieoverleg in de Tweede Kamer. Wilders heeft het kabinet laten vallen over asieleisen.
Het stramien is bekend. Al jaren spinnen uiterst rechtse politici garen bij het in de publieke ruimte slingeren van telkens meer racistische, anti-democratische geluiden. Daarmee wakkeren ze woede en verontwaardiging aan onder het electoraat en spelen zich in de kijker bij media en politieke concurrenten.
Chris Julien is filosoof en activist voor Extinction Rebellion.
Een volgende uiterst rechtse escalatie kan steevast rekenen op verontwaardiging, en een gevoel van (morele) urgentie: we moeten grenzen stellen en van ons laten horen als die bereikt zijn. Onder het mom van ‘normeren in plaats van normaliseren’ volgt telkens een stortvloed van reacties, commentaren en aangiftes. De ‘omstreden’ uitspraken circuleren rijkelijk in de nieuwsmedia en op sociale media. We moeten tenslotte weten met wie we te maken hebben, nietwaar?
Die gedachte is begrijpelijk en niet onterecht. Maar wat gebeurt er na de ontmaskering, zodra de streep in het zand getrokken is en partijen ‘aangesproken’? Dan gebeurt het omgekeerde van wat alle kritische verslaggeving beoogt. De uiterst rechtse opvattingen die zo veelvuldig worden beschreven, raken in de loop van de tijd breed geaccepteerd. Ze worden normaal.
Dit proces van normalisering, uitvoerig door politicologen onderzocht bij uiterst rechts, kan op twee manieren plaatsvinden. De eerste zal voor de meeste NRC-lezers geen nieuws zijn: beweringen van uiterst rechts ongefilterd overnemen, normaliseert ze. Je zou dus denken dat je deze uitspraken, om normalisering te voorkomen, kritisch moet bevragen, factchecken en demystificeren.
Maar wat als dit uiterst rechts alsnog in de kaart speelt? Wat als ook de verontwaardiging, de aanhoudende ontmaskering en het andermaal stellen van grenzen de uiterst rechtse aandachtseconomie voedt? Dat is de tweede manier waarop uiterst rechts gedachtegoed genormaliseerd kan worden.
Een veelbesproken, vorige zomer verschenen onderzoek door wetenschappers van de London School of Economics illustreert de problematiek: zelfs gesandwiched tussen kritiek blijft het normaliserings-effect voor een belangrijk deel overeind. Zoals een van de onderzoekers het tegen wetenschapssite Scientias verwoordt: „Het is gewoon ontzettend moeilijk om extreemrechtse actoren zo te Interviewen dat het niet leidt tot een hogere sociale acceptatie van hun uitspraken.” Wat beklijft is de indruk dat de verkondigde ideeën maatschappelijk breed gedragen worden.
Zo blijkt zelfs het trekken van een grens in het voordeel te werken van de populist. „Denk niet aan een roze olifant”, vatte neurowetenschapper George Lakoff dit effect al in 2004 samen. Als je iets maar vaak genoeg hoort wordt het – ongeacht de context – neurologisch saillant; door blootstelling worden specifieke synaptische verbindingen in ons brein versterkt. Migratie, asielzoekers, illegaal. Zo vinden uiterst rechtse denkbeelden houvast in het collectieve bewustzijn en lijken ze breed gedragen. Het is de onzichtbare grimas van de kat in Alice in Wonderland, die blijft hangen lang nadat het sujet verdwenen is.
Per saldo is het effect van alle ophef over de zoveelste uitspatting van een uiterste rechtse politicus, dat de groep die zulke standpunten huldigt groter lijkt dan die is. Zo verschuift de indruk van wat gezegd mag worden, welke emoties het daglicht kunnen verdragen én wie het meerderheidsstandpunt vertegenwoordigt. Dat zelfs de kritiek die indruk niet kan wegnemen, is het geheime wapen van uiterst rechts.
Je beroepen op een ‘wij’ om je standpunt kracht bij te zetten – het is de populistische techniek par excellence. Met een beroep op ‘de volkswil’ maken rechtspopulisten echter geen feitelijke claim, alsof ze daadwerkelijk een meerderheidsstandpunt vertegenwoordigen. Het doel is minder rationeel maar niet minder reëel: ze beogen een sociaal effect. Met grensoverschrijdende standpunten claimen ze een dominante positie in een groepsdynamiek. Ongeacht de feiten maakt deze intimidatie-tactiek indruk op ons, groepsdieren als we zijn; de eigen groep voelt zich gesterkt, en de rest van de kudde denkt wel twee keer na om daar tegenin te gaan.
De populist blijkt een heel ander spel te spelen dan we gewend zijn. Die reageert laconiek op de streep in het zand, de morele aanklacht en het feitenrelaas, met de ultieme populistische uitdaging: wat ga je doen dan?!
Achter die uitdaging schuilt het inzicht: steeds normeren zonder gevolgen is de norm kapot maken. Door hem telkens te herhalen raakt de norm bedolven onder de reacties, interpretaties en commentaren en lost hij gaandeweg op in het rijk der meningen.
De populistische uitdaging plaatst journalisten in het bijzonder voor een dilemma. Elke keer dat je verslag doet van uiterst rechtse uitspraken, frames of beelden maak je ze óók courant. Zodra je spreekt van een ‘migratiecrisis’ of ‘bezorgde burgers’ – al is het om deze voorstellingen te ontkrachten – heeft er al normalisering plaatsgevonden. Ze worden andermaal rondgepompt, in het publieke debat en in ons brein.
Om te verklaren waarom de journalistiek zich – uitzonderingen daargelaten – niet weet te onttrekken aan deze aandachtseconomie, volstaan de bekende diagnoses van commercialisering en kijkcijferdrang niet. We moeten het antwoord ook zoeken in de liberale traditie en de maatschappelijke ordening die daaruit voortkomt.
Het mooie aan een ‘liberale’ democratie is dat wetten een vanzelfsprekend normatief kader vormen – ze geven aan waar de grenzen liggen van het toelaatbare, en binnen dat kader verdient elke stem gelijke behandeling. De keerzijde is dat we niet meer gewend zijn om in het sociale verkeer grenzen te moeten stellen – laat staan bewaken.
De hoeksteen van dit stelsel is het idee van neutraliteit, waar de staat en ook de journalistiek voor zijn autoriteit op leunt. Voor de journalist biedt neutraliteit een kader om verslag te doen van de wereld zonder zelf onderdeel te worden van het verhaal. Journalistiek handwerk bestaat er precies uit om je, via kritische distantie en het aanbrengen van balans, als waarnemer te onttrekken aan de situatie, zodat die voor zich kan spreken.
De journalistiek kan zich onafhankelijk opstellen omdat de liberale staat de kaders van het maatschappelijk toelaatbare bewaakt. Dat is meteen ook de achilleshiel van dit bestel, die meedogenloos wordt uitgebuit door rechtspopulisten: zij weten dat de journalistiek gewoon is zich te voegen naar de dominante (of als dominant gepresenteerde) norm, omdat hun neutraliteit alleen kan bestaan zolang ze samenvallen met die norm. Zodra ze zelf grenzen moeten stellen kiezen ze partij, en is het gedaan met de positie waaraan ze hun autoriteit ontlenen.
Zo rijst de paradox van de onafhankelijkheid: doorgaan met ‘normaal’ verslag doen van uiterst rechts ondermijnt de eigen positie, en ingrijpen evenzo.
Maar wat moeten we dán doen tegen populistische retoriek? Wat komt er na het stellen van grenzen?
Wetenschappers raden aan om overschrijders van grenzen te isoleren. Het gewezen model hiervoor is een cordon sanitaire, wat zoveel betekent als uiterst rechts uitsluiten van politieke samenwerking en directe vermelding in de media. Echter lijkt deze benadering alleen te werken als de afzetting waterdicht is. Om met de Duitse variant te spreken: haal één steen uit de Brandmauer, en de vlammen grijpen om zich heen.
Dit doet denken aan de tragedy of the commons. Een hardnekkige mythe die ons vertelt dat als er maar één iemand is die meer aan de gemeenschap onttrekt dan bijdraagt, de rest zal volgen.
Daar staat echter tegenover wat wetenschappers conditional cooperation (‘voorwaardelijke samenwerking’) noemen: onze bereidheid bij te dragen aan het collectief wordt in belangrijke mate bepaald door onze perceptie of anderen die bereidheid ook hebben. Afhankelijk van de omstandigheden kan dit effect tot wel de helft van onze bereidheid bepalen.
Dit laat zien hoe het geheime wapen van rechtspopulisten tegen hen gebruikt kan worden. Ook isolatie is een sociaal effect, dat zich vanuit een minderheid kan verbreiden. Uitgesloten worden van het publieke leven grijpt namelijk in op een heel primair menselijk instinct, in ons brein en ons lichaam gebeiteld: alleen komen te staan is de dood.
Die sociale dynamiek vraagt een andere benadering jegens uiterst rechts: in plaats van onze aandacht op de overschrijders te richten en steeds een nieuwe streep in het zand te trekken, zal elk van ons moeten beginnen hen uit te sluiten. Dat veronderstelt een andere manier van kijken: zodra een individu of idee de polis is uitgejaagd, geef je die juist zelden aandacht, en als het dan doet, enkel op grote afstand; als iemand zonder een duidelijke stem of gezicht die in de verte staat te tieren.
Daarin mogen we van de journalistiek, met haar legitimerende functie, het goede voorbeeld verwachten. Dat vraagt om een andere journalistieke taakopvatting. Naast transparantie en duiding, gaat die over het obscuur maken en onttrekken van aandacht aan de afzenders van ontoelaatbare opvattingen.
Dit maakt de uitdaging van de populist ook een productieve. Die wijst erop hoe je als journalist onderdeel bent van de maatschappij die je beschrijft, en dus onvermijdelijk ook vormt. Deze positie bewust innemen komt je objectiviteit en geloofwaardigheid juist ten goede – net als de democratie.