Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Met de opening van de Westendorp-expositie in het Rijksmuseum en de verschijning van een fikse biografie over haar leven (door Annette Portegies en Gioia Smid) is Fiep Westendorp even overal. Om haar in volle glorie te kunnen zien, moet je dus naar de boekhandel, of naar Amsterdam – of naar Zaltbommel, las ik een tijdje geleden in het Volkskrant Magazine, dat naar Bommel ging om Fiep te zien.
Zelf hoef ik voor Westendorp de deur niet uit. Sinds tweeënhalf jaar precies word ik omringd door scherpe neusjes, door Takkies en Siepies op zadelhoesjes en rompertjes en knisperboekjes en andere producten die alleen in verkleinwoorden bestaan. Erop uitgekeken raak ik gek genoeg nooit – is dat kwaliteit, kunst of de jonge-oudervariant van het stockholmsyndroom?
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Westendorps werk behoort nu tot de kunstcanon, met zo’n chique omvangrijke tentoonstelling – 150 originele tekeningen. Op welk punt wordt iets dat ooit in opdracht van Nutricia werd gemaakt kunst? En iets wat voor het eerst in 1978 in de Bobo verscheen, zoals de Hokusai-achtige golf die op het punt staat Jip en Janneke te verzwelgen? Was het dat al, of wordt het dat pas als het met het bijschrift ‘Strand, 1978’ in het Rijks hangt?
Ach wat. Kunst, geen kunst.
Het bestáát, dat is wat ertoe doet. Het bestaat in al onze hoofden. Niet alleen de bestaande tekeningen, maar ook hun, ja, toon. Dat zit ’m geloof ik voor een deel in de naam. Fiep. Een naam als een wijsje, maar er zit ook wat onder, iets wat je niet kunt zien en waarvan je maar moet aannemen dat het er is. Westendorp zei eens dat het rimpelloze samenspel tussen haar werk en dat van Annie M.G. Schmidt niet per se verband hield met hun persoonlijkheden: ‘Annie wilde eeuwig met taarten gooien, maar eigenlijk ben ik nogal melancholiek van aard.’
Taarten gooien én de weemoed over de bijna vernielde taart; beide gaan schuil in de naam én in het werk. ‘Fiep’ is wat de tekeningen zijn. Ze zijn fiepig, er gaat iets onweerstaanbaar fieperigs van uit. Daarom zijn Schmidt-verfilmingen ook, geslaagd of niet altijd, altijd onverdraaglijk anders: Pluk was geen Pluk, Otje was bijna een Otje, maar toch niet. Prima soep met verse spullen, maar zonder het geheime ingrediënt.
Ook van Floddertje wordt momenteel een bioscoopfilm gemaakt. Ik wens de makers veel succes – met name op de schuimscènes wordt hier thuis vol ongeduld gewacht – maar er zal onvermijdelijk iets wezenlijks ontbreken: tekeningen.
Tussen Westendorp en iedereen die haar tekeningen kent, bestaat een wonderlijke band. Het is haar werk, maar net zo goed dat van jou. Ze zit in je hoofd, haar blik wordt de jouwe en in gedachten kun je haar op elk moment alles opnieuw laten vormgeven. Neem de tjilpende woensdagreportage van Caspar Janssen over het vogeltellen door Joop en Arend (die altijd op 1 begint) op het Dwingelderveld. Stel je zonder al te veel op te zoeken de Fiep-versies voor van de dodaars en het kneutje, teken Joop en Arend, die in stedelijke gebieden soms spijtig genoeg voor gluurders worden aangezien en laat je innerlijke Fiep een schetsje maken van de natuurfotografen die de vogeltellers vol misprijzen ‘toetermannen’ noemen. Toeterman – een woord als een tekening.
Wie scherper kijkt, ziet dat Westendorp overal is. De wereld, een Fiepiversum. Rob Jetten: Jip! Wim T. Schippers: een Stampertje! En als Pluk ooit echt werk had gemaakt van de verkoop van hasselbramen of zadelhoesjes, dan zag hij er nu vrees ik precies zo uit als ’s werelds eerste biljonair.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant