Thomas Hogeling beschouwt wekelijks de publieke opinie. Wat wordt er gezegd en vooral niet gezegd? Deze week: vage vooruitzichten zijn nog geen plan.
ILLUSTATIE SUZAN HIJINK
Als mensen niet ‘tweeduizendveertig’ zeggen maar ‘twintig-veertig’, dan weet je dat er doelen worden gesteld. Waar tweeduizendveertig een doodgewoon jaartal is, is twintig-veertig een stip op de horizon. „Ik vind dat we moeten zeggen dat Nederland in twintig-veertig de meest innovatieve economie van de wereld moet zijn”, zei Dilan Yesilgöz dan ook tijdens het VVD-congres afgelopen zaterdag: „Niet van Europa, maar van de wereld. Omdat we dat kunnen.”
Voor politici is het aanlokkelijk om zo’n vergezicht te schetsen. Je straalt er ambitie mee uit, maar je wordt er haast nooit op afgerekend. Niemand vraagt in 2040 aan Yesilgöz waarom we nog steeds niet de meest innovatieve economie ter wereld zijn. En als iemand het onverhoopt toch wil weten, kan ze er gewoon op wijzen dat de VVD nou eenmaal niet de enige partij is die iets te zeggen heeft in dit land.
Ik weet niet precies hoe je meet hoe innovatief een economie is, maar als je het aan de innovatieve AI-driven zoekmachine van Google vraagt, is Zwitserland op dit moment koploper. Vond ik ondanks die uitsloverige deeltjesversneller toch verrassend.
We willen blijkbaar al decennia dolgraag meer op Zwitserland lijken, want in 2003 richtte premier Jan Peter Balkenende al een heus Innovatieplatform op; Nederland moest in 2010 „weer een koploper zijn in de Europese kenniseconomie”. Ook een stip op de horizon, maar die horizon lag wel veel dichterbij dan die van Yesilgöz. Een rookie mistake van Balkenende, want in 2010 was hij nog steeds premier. Dus kreeg hij toen de wind van voren. Het Innovatieplatform was een „verspilling van tijd en middelen” geweest, verzuchtte Innovatiehoogleraar Alfred Kleinknecht destijds in NRC. Dat weerhield Balkenendes opvolger Mark Rutte er niet van om vlak na zijn aanstelling te stellen dat Nederland in 2020 tot de „top vijf van kenniseconomieën in de wereld” moest behoren. Is uiteindelijk ook niet gelukt.
Het kan nuttig zijn om enigszins onrealistische doelen te stellen. Voetbalcommentator Jan Roelfs is daar bijvoorbeeld een groot voorstander van. In 2018 vond hij dat AZ moest uitspreken voor het kampioenschap te gaan, in 2021 zei hij hetzelfde over Vitesse. Bij Roelfs zit daar een filosofie achter; je moet de lat hoog durven leggen, dat is zo inspirerend dat je er sowieso beter door zal presteren. Vaste luisteraars van de NOS Voetbalpodcast kennen het credo van Roelfs: „If you reach for the moon, you’re always among stars”.
Het beroemdste voorbeeld van een ambitie die werd waargemaakt dankzij het uitspreken ervan, gaat dan ook over het bereiken van de maan. „We choose to go to the moon”, zei president John F. Kennedy in 1962 en zeven jaar later was het gelukt.
Wat opvalt, is dat de ambities van politici steeds minder de vorm hebben van zulke concrete plannen en steeds meer van vage ideeën en denkrichtingen. Waar Balkenende nog een platform oprichtte, en met een lijvig rapport uitlegde hoe hij zijn ambitie waar wilde maken en zo nu en dan verantwoording aflegde, hoeven we dat van Yesilgöz niet te verwachten. Het wordt gebracht alsof het bereiken van het doel een logisch gevolg zal zijn van VVD-beleid. Op het congres werd met name heel vaak ‘AI’ en ‘minder regels’ geroepen en dan komen we er wel. De ambitie voor ‘twintig-veertig’ lijkt niet meer dan een vibe, zoals de tien nieuwe steden van D66 ook een vibe waren. Niet zozeer bedoeld om uit te voeren, maar vooral om jezelf mee te profileren.
Dat is niet verboden maar het heeft wel iets irritants, zoals grote woorden zonder gevolgen altijd iets irritants hebben. Het voelt minder als leiderschap en meer als marketing.