Als een arts in korte tijd meerdere keren uitvalt met psychische klachten, waardoor ze uiteindelijk in de ziektewet belandt, wil ze haar werkgever aansprakelijk stellen voor de schade die ze lijdt en leed. Heeft de werkgever zijn zorgplicht geschonden? Daar buigt de rechter zich over.
Een vrouw gaat in 2011 als arts aan de slag bij een grote ggz-instelling. Twee jaar later begint ze aan een postdoctorale opleiding verslavingszorg. Daarvoor krijgt ze een opleidingsplek binnen dezelfde ggz-instelling op een verslavingszorglocatie. Al na twee weken vraagt ze het opleidingshoofd of de samenwerking met haar begeleider kan worden besproken. Er volgen verschillende gesprekken tussen de drie en een paar maanden later, in januari 2014, krijgt ze een beoordeling van haar begeleider die positieve punten en verbeterpunten bevat. Een maand later meldt de vrouw zich ziek en weer een maand later begint ze aan een re-integratietraject. De bedrijfsarts geeft aan dat de klachten werk- en opleidingsgerelateerd zijn en adviseert het opleidingshoofd en de vrouw om met elkaar in gesprek te gaan. Op basis van die gesprekken concludeert het opleidingshoofd dat de opleidingsplek niet geschikt is. De opleiding wordt stopgezet en de vrouw wordt overgeplaatst naar een andere locatie.
In het eerste halfjaar op de andere locatie doet de vrouw, net als collega-artsen, meerdere meldingen over de te hoge werkdruk. In januari van 2015 valt ze weer uit. In februari begint ze aan een nieuw re-integratietraject, maar de werkdruk blijft hoog en in oktober meldt ze zich weer ziek. In de maanden daarna laat ze zich vrijwillig opnemen op de crisisdienst van de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, vanwege depressie, burn-out met slapeloosheid en een posttraumatische stressstoornis. Het UWV oordeelt in die tijd dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om de vrouw te laten re-intergreren. Daar worden geen consequenties aan verbonden.
Alle deskundigen die zich over de kwestie buigen, stellen vast dat de klachten werkgerelateerd zijn. Er volgt nog een mediationpoging, maar de vrouw keert niet terug en oktober 2017, als ze twee jaar ziek is, vraagt de werkgever haar ontslag aan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Het UWV keurt de aanvraag goed en per januari 2018 gaan de partijen uit elkaar. Begin 2019 stelt de vrouw haar werkgever aansprakelijk voor de al geleden en nog te lijden schade door de werkomstandigheden die haar ziek maakten en het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen tussen 2013 en 2018. Ze stapt daarvoor naar de rechtbank van Amsterdam.
De kantonrechter staat voor de vraag of de psychische klachten door het werk komen én of de werkgever zich aan zijn zorgplicht heeft gehouden. Dat de werkdruk hoog was en ook te hoog, lijkt vrij duidelijk. Het blijkt uit klachten van de vrouw en uit meerdere meldingen van collega’s. Dat haar klachten door de werkomstandigheden komen, is dan ook aannemelijk genoeg. Maar om de werkgever aansprakelijk te stellen, moet ook aangetoond zijn dat de werkgever te weinig heeft gedaan om die omstandigheden te verbeteren of zelfs roekeloos is geweest, waardoor de werkomstandigheden zo ziekmakend werden.
Dat is volgens de rechter niet aangetoond. Een voorbeeld: de vrouw verwijt de werkgever dat ze moest stoppen met de opleiding. De werkgever zegt: je wilde niet verder met deze begeleider en hij is de enige binnen onze organisatie die dat kon. Die onderbouwing overtuigt de rechter. En het UWV heeft weliswaar vastgesteld dat de werkgever onvoldoende deed en dus de zorgplicht schond, maar verbond daar geen consequenties aan. Daarom en omdat de werkgever wel verschillende maatregelen trof om de werkdruk enigszins te verminderen, oordeelt de rechter dat de werkgever niet aansprakelijk is voor de schade die de vrouw ondervond en nog zal ondervinden door het werk.
„In deze zaak draait het niet om de vraag of de werkdruk te hoog was, maar of de werkgever de maatregelen heeft genomen die van hem mochten worden verwacht op grond van zijn arbeidsrechtelijke zorgplicht”, zegt Johan Zwemmer, docent en onderzoeker arbeidsrecht bij de Universiteit van Amsterdam en advocaat-partner bij DLA Piper. „De rechter toetst concreet welke maatregelen de werkgever nam, zoals extra artsen inhuren, roosters en planning aanpassen, minder cliënten opnemen en werkdruksignalen opvolgen.”
Hier geldt een bijzondere bewijsverdeling, legt Zwemmer uit. Die is bedoeld om de werknemer te beschermen. „De werknemer moet gemotiveerd stellen dat het verband er is en dan moet de werkgever aantonen dat-ie heeft gedaan wat nodig was om te zorgen voor betere werkomstandigheden.”
Het vonnis voelt wat wrang, de vrouw is overduidelijk door de werkomstandigheden uitgevallen, maar de werkgever is daarvoor toch niet aansprakelijk. „Het is een strakke uitspraak, het kan in hoger beroep anders uitpakken. In zaken waarbij een werkgever zegt ‘ik doe wat de bedrijfsarts zegt’, oordelen rechters ook wel dat dat hem of haar niet vrijpleit, want een verkeerd advies van een bedrijfsarts is in principe voor risico van de werkgever, omdat die eindverantwoordelijk is voor de re-integratie. Maar hier oordeelt de rechter anders, zelfs na het oordeel van het UWV. Had het UWV wel een sanctie opgelegd, dan was de rechter misschien tot een ander oordeel gekomen.”
Maar volgens Zwemmer speelt hier mogelijk ook een bredere rechterlijke terughoudendheid mee. „Burn-out is nu een veelvoorkomend en zichtbaar ziektebeeld. Juist omdat zulke klachten lastig af te bakenen zijn en meerdere oorzaken kunnen hebben, zijn rechters voorzichtig met het snel aannemen van werkgeversaansprakelijkheid. Bij rsi zag je dat twintig jaar geleden ook. Er kwamen veel claims, rechters toetsten terughoudend en daarna droogde het aantal zaken snel op. Hier kan dus ook een proceseconomische overweging achter schuilgaan.”
Uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op 28 mei: ECLI:NL:RBAMS:2026:5370