Home

Lof van de memoir: het genre waarin de schrijver zich niet kan verschuilen

Memoir Egodocumenten werden lang gezien als ijdel en niet-literair. Maar de memoir krijgt steeds meer erkenning als een volwaardig literair genre, dat zich onderscheidt door de directheid waarmee ongemakkelijke waarheden worden onthuld.

Memoirs, het genre van persoonlijke, autobiografische non-fictie, worden vaak gemakzuchtig afgedaan als narcistisch, als „een lange biechtstroom van ik-ik-ik”, schrijft de Britse schrijver Blake Morrison, auteur van meerdere succesvolle memoirs, in het voorwoord van zijn nieuwste boek On Memoir. An A-Z of Life Writing. Hij citeert de Noorse romanschrijver en Nobelprijswinnaar Jon Fosse – wiens personages verdacht veel op hemzelf lijken – die eens zei dat hij niet schrijft om zichzelf uit te drukken, maar om aan zichzelf te ontsnappen, alsof zelfexpressie ijdel is.

Blake Morrison – On Memoir. An A-Z of Life Writing.

The Borough Press, 320 blz. € 19,60

„In de beste gevallen zijn memoirs juist het minst zelfingenomen van alle genres”, werpt Morrison tegen. „Je legt je ziel op tafel om jezelf te ontstijgen, om voorbij de pijn en verwarring te kunnen gaan.” Je moet voorbij de pijn kunnen kijken om die te kunnen peilen, ordenen en zo echt mogelijk te beschrijven, is zijn voornaamste punt. En dan stuur je het ook nog de wereld in, waarmee jouw verhaal niet meer van jou is, maar van iedereen.

In On Memoir beschouwt Morrison het genre waarmee hij al drie decennia als auteur vertrouwd is, en waarover hij al minstens vijftien jaar doceert op de prestigieuze schrijfopleiding van Goldsmiths University in Londen. Hoewel het een metareflectie is en geen memoir an sich, toont Morrison in elk geval dat hijzelf verre van narcistisch is. In de vorm van een luchtig abc’tje bespreekt hij in korte vignetten thema’s als ‘eerlijkheid’, ‘AI’, ‘identiteit’, ‘ethiek’, ‘toestemming’, of het werk van andere zogeheten life writers als Karl Ove Knausgård, Jean-Jacques Rousseau en Virginia Woolf. Met een typisch Britse, hoffelijke toon schrijft hij vanuit de eerste persoon over zijn eigen ervaringen als schrijver van memoirs, maar toont hij zich vooral een genereuze lezer van anderen. On Memoir is daarmee zowel een charmant handboek voor wie zelf in de autobiografische pen wil klimmen, als een state of the art van de memoir van vandaag.

De memoir heeft een moeizame verhouding tot literatuur, blijkt uit Morrisons boek, en niet enkel vanwege het vermeend narcisme. Is het eigenlijk wel literatuur? De Franse Nobelprijswinnaar Annie Ernaux hóópt in elk geval van niet. ,,Dit boek kan als een literaire onderneming worden gezien”, zei ze over autobiografische werk Een vrouw, een citaat dat in On Memoir wordt aangehaald. ,,Maar in zekere zin zou ik een stuk beneden de literatuur willen blijven.” Juist als een memoir de schijn van literatuur vermijdt, is de waarheid van wat er verteld wordt krachtiger.

Fascinerend zelfportret

In een handboek Nederlandse literatuur dat ik ooit las op de universiteit werd een onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van autobiografisch schrijven, een indeling die tegelijkertijd een waardeoordeel verried. Autobiografische fictie of ‘autofictie’ (romans waarin de schrijver zichzelf doorgaans als verteller of personage opvoert) werd als ‘echte’ literatuur beschouwd, omdat autofictie op zichzelf als genre reflecteert – het problematiseert het onderscheid tussen feit en fictie, en laat daarmee zien dat de werkelijkheid zelf een constructie is. Denk aan Rachel Cusks Outline-trilogie – Outline (2018), Transit (2018) en Kudos (2019) – waarin de auteur minutieus alle verhalen registreert die mensen haar over zichzelf vertellen, terwijl ze zelf stil blijft. Zo ontstaat een fascinerend zelfportret in negatief, een auteurloze autobiografie, die in vraag stelt hoe we onszelf vormgeven via de verhalen die we vertellen.

Lager op de trede in het handboek (de titel ben ik vergeten) stonden ‘egodocumenten’, een verzamelterm voor wat nu meestal, in het Engels, life writing wordt genoemd (al kan life writing ook in een bredere betekenis opgevat worden als literaire non-fictie). Egodocumenten zijn teksten als autobiografieën, memoires (het verschil daartussen is troebel), brievenboeken, en andere persoonlijke reflecties en bekentenisliteratuur die zich op feitelijke gebeurtenissen baseert en in de eerste persoon enkelvoud wordt verteld, zoals herinneringen uit de eerste hand aan Nederlands-Indië of oorlogsdagboeken.

Egodocumenten behoren eigenlijk niet tot de literatuur, leerde ik als jonge student. Literaire technieken zoals een interessante stijl of een kunstige opbouw zijn immers in deze categorie niet het belangrijkst, het gaat erom om de geleefde werkelijkheid zo realistisch mogelijk te reconstrueren. Primo Levi, de auteur van de ijzingwekkende Auschwitz-memoir Is dit een mens, (1947, eerste Nederlandse vertaling 1963) werd verweten subliterair te zijn. En Toen Anja Meulenbelt in 1976 De schaamte voorbij. Een persoonlijke geschiedenis publiceerde – een vurige, feministische en persoonlijke beschouwing over haar ervaringen als alleenstaande jonge moeder in linkse activistische kringen – deden veel critici het boek af als een onliterair vrouwenboek. Het intieme gehalte – Meulenbelt beschrijft openhartig haar seksleven – werd door een recensent ‘puberaal’ bevonden.

Hoewel er altijd een groot publiek voor is, worden egodocumenten ook nu nog altijd ondergewaardeerd door sommige poortwachters van de literatuur. Toen ik eens solliciteerde voor een felbegeerde plek in een schrijvershuis, vroeg iemand in de sollicitatiecommissie kritisch hoe ik stond tegenover autobiografisch schrijven. Uit de vraagstelling bleek al dat ze hoopte dat ik daar niet veel mee ophad. „De verbeelding heeft het moeilijk tegenwoordig”, zuchtte ze. Alsof ‘een verhaal verzinnen’ moeilijker of hoger is dan het aangrijpend beschrijven van de geleefde ervaring.

Oud genre

De laatste tijd krijgt het egodocument echter steeds meer erkenning als volwaardig literair genre. Ernaux won de Nobelprijs in 2022 voor haar gehele oeuvre, en Anja Meulenbelt nam vorige maand de P.C. Hooftprijs voor beschouwend proza in ontvangst, als eerste vrouw in het genre ooit. In haar dankwoord merkte ze op dat ze zichzelf nooit als literair schrijver heeft gezien – tot deze belangrijke oeuvreprijs haar ervan overtuigde.

Morrison, wiens bekendste memoir En wanneer zag jij voor het laatst je vader? (1993) over de dood van zijn vader gaat, wordt in Engeland vaak geïntroduceerd als de uitvinder van het genre, een eer die hij in het voorwoord direct van zich af schuift. Terecht: autobiografisch proza is een van de oudste genres in de Europese literatuur, met als oerboek de Belijdenissen van de katholieke aartsvader Augustinus, geschreven tussen 397 en 398. Of denk aan de autobiografie van mystica Teresa van Avila en de persoonlijke essays van Michel de Montaigne (beide uit de zestiende eeuw), de dagboeken van de Britse conservatieve politicus Samuel Pepys (1665) of de memoires van de Franse existentialist en feminist Simone de Beauvoir (1958). We zijn altijd dol geweest op egodocumenten.

Ook ik heb een zwak voor memoires, dagboeken en andere vormen van life writing. Vanaf de eerste bladzijdes van Vader van Karl Ove Knausgård, het begin van zijn zesdelige reeks Mijn strijd, was ik verslaafd; ik heb trouw duizenden bladzijden over zijn familie en gezinsleden verslonden. Waarom ik daar zo van in de ban was, kon ik niet goed verklaren. Als vrouwen zoveel pagina’s over het huishouden zouden schrijven, zeiden geërgerde critici, wil niemand het publiceren. Niets tegenin te brengen, maar ik ergerde me niet. Ik werd geraakt door Knausgårds hunkeringen, zijn hardnekkige verlangen van zijn leven een diepe en betekenisvolle ervaring te maken, door zijn totale overgave aan het papier en de openheid. Hij geeft zelfs zijn pincode weg.

De dagboeken van Susan Sontag, Mensje van Keulen, Etty Hillesum, Franz Kafka of Doeschka Meijsing herlees ik regelmatig. Zonder te stoppen lees ik de ingenieuze herinneringsliteratuur van Vigdis Hjorth of Annie Ernaux; maar evengoed lees ik over het schelmenbestaan in oververhitte steakrestaurants van Anthony Bourdain in zijn memoir Kitchen Confidential.

Of schrijvers van memoirs nou narcistisch zijn of niet, het lezen ervan is vaak een transformatieve ervaring van zelfverlies. In de beste gevallen versmelten mijn gedachten met die van iemand anders. Er gaat iets krachtigs en bedwelmends uit van de precisie, eigenheid en nabijheid van een stem. Een stem is belangrijker, échter dan het verhaal of de feiten zelf. Misschien is het de stem, als het gezang van een sirene in de Griekse mythologie, die mij naar de werkelijkheid zelf lokt.

Morrison scheidt niet scherp tussen autofictie, dagboek of memoir. Zelfs brievenboeken veegt hij in On Memoir onder de paraplu life writing. De kracht van het egodocument is voor hem de ‘candour’, de eerlijkheid of directheid van het genre. In life writing gaat het in essentie om de geleefde ervaring over te brengen, om je te ontdoen van de schaamte over wat we doorgaans verborgen houden – een alcoholverslaving, een geschiedenis van geweld, een familiegeheim. Na de dood van zijn moeder ontdekte Morrison bijvoorbeeld dat zij haar hele leven haar katholieke afkomst verborgen had gehouden, en schreef er een boek over. „Zelfs poëzie kan onpersoonlijk lijken” in vergelijking met de intieme, directe manier waarop het egodocument communiceert, schrijft hij. „Je kunt je niet verschuilen, je kunt niet terughoudend zijn.” (Dat kan wel, zal hij later opmerken, maar dat levert geen goede egodocumenten op.)

Minder vrijheid

Schrijvers van egodocumenten hebben minder vrijheid dan dichters of romanciers; ze zijn gebonden aan wat ze hebben meegemaakt. De eis van waarachtigheid die het genre impliceert is misschien wel het belangrijkst en voor Morrison de grootste aantrekkingskracht. Onder ‘Confessions’ (bekentenissen) schrijft hij: „Wat memoirs met het karakter van een bekentenis met elkaar gemeen hebben, is een intimiteit die we niet verwachten. De lezer krijgt het privilege van toegang tot ongemakkelijke waarheden die de auteur zich genoodzaakt voelt te onthullen.” Hij noemt de memoir zelfs ‘de meest ware literatuur’ van allemaal.

Morrison besteedt daarom meerdere lemma’s aan de kwestie van eerlijkheid . Soms valt hij daarover zelfs een beetje in herhaling. Er zijn dan ook genoeg voorbeelden van gefingeerde memoirs, schandalen die het lezerspubliek hebben geschokt. Maar waar ligt de grens tussen waarheid en verzinsel? Elke herinnering is altijd een reconstructie; geen enkel levend mens heeft een exact archief aan feiten tot zijn beschikking. En memoiristen gebruiken literaire technieken om gebeurtenissen uit een ver verleden te reconstrueren, zoals ingebeelde dialogen of sfeerbeschrijvingen. Dat mag, dat moet zelfs, vindt Morrison: „Het is de kunst om de waarheid te verzinnen.” Maar er is een grens tussen het levendig maken van een scène door je de details in te beelden, of het doelbewust fingeren van gebeurtenissen. In het laatste geval breek je het vertrouwen van de lezer.

Op dat punt is Morrisons conclusie weinig verrassend. Natuurlijk is er een grens, en die voelen we meestal wel aan. Zo zijn er meer onderwerpen waarop zijn overwegingen diplomatiek, maar niet per se vernieuwend zijn, zoals rond de kwestie of een schrijver zich mag verplaatsen in iemand met minder privilege (ja, vindt hij, maar met respect en uiterste inspanning), of over hoeveel informatie een schrijver moet delen (wees zo eerlijk mogelijk, adviseert hij, maar houd ook afstand; er moet genoeg ruimte blijven voor de lezer om zich in te kunnen leven. ). Op die momenten klinkt Morrison als de schrijfdocent die hij ook is, en toont hij zich een conventionele pedagoog.

De meest interessante passages in On Memoir zijn wanneer hij zijn eigen werk tegen het licht houdt. In een scène in een van zijn memoirs beschreef hij dat hij de broer van een oude vriend in de trein ziet zitten. De broer flirt met een minderjarig meisje, observeerde Morrison, en dat schreef hij op. Nu betreurt hij dat hij de broer van zijn vriend in een verdacht licht had geplaatst, zonder hem om toestemming te vragen om dat op te schrijven. Had hij dat wel gedaan, dan was hij te weten gekomen dat de broer niet met een minderjarig meisje flirtte, maar dat het meisje zijn eigen dochter was. Het was geen flirt; het was vaderlijke genegenheid.

Morrison toont in die scene ook zonder het uit te spellen waarom we zo van memoirs en egodocumenten houden. Het is precies de candour van de schrijver over zijn verkeerde interpretatie die raakt. We kunnen meevoelen met zijn schaamte. Juist de dingen waar we normaal nooit over praten, behoren tot de meest universele ervaringen van het menszijn, leren memoirs. Morrisons beste advies aan zijn studenten is dan ook bondig: be brave. Moedig zijn. De regels breken – zoals goede literatuur altijd doet.

Literatuur

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next