Lafcadio Hearn Deze Iers-Griekse schrijver publiceerde in 1889 een roman over een orkaan die een heel een eiland in de Golf van Mexico verwoestte. Verleidelijke natuurschilderingen worden daarin steeds gevolgd door een onverwachte klap.
Een landtong in de meest zuidelijke regio van Louisiana, Verenigde Staten.
Voor de kust van Louisiana ligt een handvol kleine eilandjes – een beetje de Wadden van de Golf van Mexico. In de negentiende eeuw zocht de elite van New Orleans hier ’s zomers zijn heil, op de vlucht voor de verzengende hitte, de muggenplagen, de vele besmettelijke ziektes die de grote stad teisterden. Het chicste en meest afgelegen van de eilanden was L’Île Dernière, Het Laatste Eiland, „de meest modieuze badplaats voor de adel van het Zuiden”. Hier kwamen alleen de allerrijksten; op 10 Augustus 1856 was tweederde van alle miljonairs van Louisiana aanwezig op L’Île Dernière. Dus toen die avond een verwoestende orkaan over het eiland raasde, het land aan stukken reet en de helft van de aanwezigen omkwam was de staat in één klap een groot deel van zijn financiële bovenklasse kwijt.
Lafcadio Hearn: Chita. Herinnering aan Last Island. (Chita. Memory of Last Island) Vert. Barbara de Lange. Koppernik, 128 blz. € 20,50
De storm van 1856 is het onderwerp van Lafcadio Hearns novelle Chita: Herinnering aan Last Island (1889). De storm is het onderwerp, het brandpunt, de gloeiende ziel van het boek; ik denk dat ik nog niet eerder natuurgeweld zo overdonderend, zo betoverend beschreven heb zien worden. Bij Hearn is de natuur niet het toneel voor de handelingen van zijn personages; de natuur is dominant, almachtig – en toevallig lopen daar ook wat mensjes rond die hun nietige, onbenullige leventjes leiden.
Chita heeft een haast hypnotiserend ritme. Het eerste deel (van drie), ‘De legende van L’Île Dernière’, begint rustig, met een lome schets van de route die een kleine, lichte stoomboot zou kunnen nemen van New Orleans naar de Golf: over de Mississippi, door „sombere doolhoven van moerasbossen”, langs rijstvelden, „door het labyrint van bayous”, langs kleine dorpen, langs „mooie eilandjes, elk omzoomd met een strand van oogverblindend zand en schelpen, geelwit – en elk met stralend semi-tropisch gebladerte, mirre en waaierpalm”; dan de lieflijke, eigenaardige archipel in de Golf. Uit de trance die deze kalme, luisterrijke beschrijving opwekt word je als lezer ruw wakker geschud door een bijna terloopse zin: het magnifieke Laatste Eiland „is nu een vijfentwintig mijl lange, lugubere woestenij… In één nacht is het door de zee weggerukt.”
Zo gaat het steeds: een serene, deinende beschrijving vol verleidelijke en glinsterende natuurschilderingen, dan een onverwachte klap. „Last Island is verdwenen!” De stijl lijkt daarmee de golvende cadans van de oceaan te imiteren; het boek wordt dat waarover het vertelt. Tijdens het lezen voel je hoe de zee zowel tam en teder kan zijn (een mens kent „nauwelijks een groter lichamelijk genot dan het geluk van de zwemmer”), als moordend, verraderlijk, volstrekt onvoorspelbaar. Dit doet Hearn zo meesterlijk dat je, als het verhaal langzaam inzoomt op de luxe, nietsvermoedende vakantiegangers die dansen in het grote, houten hotel van Last Island en op de dreiging van de naderende storm, bijna dezelfde angstige schrik ervaart als de feestgangers gevoeld moeten hebben, dezelfde „meedogenloze paniek”, dezelfde „zelfzuchtige razernij” – „Sauve qui peut!” De golvende vloed komt aanjagen, verslindt alles op zijn weg „en voerde de godganse nacht een ontzaglijke wieling van wrakstukken en een brede, bleke stroom lijken mee…”
In deel II, ‘Uit de kracht van de zee’, ontmoeten we een Spaanse visser, Feliu Viosca, die op een drijvende biljarttafel een kind ontdekt, vastgebonden aan het dode lichaam van haar moeder. Dezelfde nacht waarin Feliu’s vrouw Carmen droomde dat hun overleden dochtertje Conchita is teruggekeerd, lijkt het alsof het lot haar droom heeft laten uitkomen: niemand weet wie het meisje is, waar ze vandaan komt, of haar ouders nog leven. Ze blijft bij Carmen en Feliu, die haar Chita noemen.
Het derde deel, ‘De schaduw van het tij’, beschrijft hoe Chita opgroeit tot een vrolijke, zelfstandige en gracieuze jonge vrouw. Ze leert bidden in het Spaans (gebeden zijn pas geldig als ze in het Spaans uitgesproken worden want, weet Carmen, „Spaans is de taal van de hemel zelf”); ze bezweert haar angst voor de woeste oceaan door te leren zwemmen. „De wereld is als de zee; wie er niet in kan zwemmen verdrinkt”, luidt Feliu’s ‘heroïsche remedie’, „en de zee is als de wereld”. In dit deel lezen we ook hoe het Chita’s vader is vergaan sinds de grote storm. Hij keert terug maar wordt niet herkend, zijn terugkomst wordt niet geaccepteerd; hij is als een levende dode. Een absolute nachtmerrie.
Dit – mensen die verdwijnen, of terugkeren uit de dood, of niet echt sterven maar in de bovenwereld blijven spoken – is een thema in veel van Hearns werk. Niet verwonderlijk als je kijkt naar zijn ellendige, door verlies getekende kindertijd – vergeleken bij de kleine Lafcadio hadden Oliver Twist en David Copperfield het zo slecht nog niet.
Hearn werd geboren op Lefkada, in de Ionische zee (niet ver van Odysseus’ Ithaca). Toen hij twee was namen zijn Ierse vader en Griekse moeder hem mee naar Dublin. Eenmaal aan land begon zijn vader prompt een affaire met een oude geliefde, en vluchtte zijn moeder terug naar Griekenland. Hearn was vier en zou zijn moeder nooit meer zien. Een paar jaar later vertrok zijn vader naar India, Hearn was zeven en zou hem ook nooit meer zien. Hij woonde een tijdje bij een Ierse tante, hij woonde een tijdje bij een voormalig dienstmeisje van de tante in een Londense achterbuurt, en werd vervolgens, in zijn eentje, achttien jaar oud, naar Amerika gestuurd. Na wat omzwervingen kwam hij terecht in New Orleans (een stad die Hearn in een brief beschreef als „a dead bride crowned with orange flowers”). Hij ontpopte zich tot schrijver, journalist en begenadigd chroniqueur van de meer duistere kanten van de stad – denk voodoo, zombies, gris-gris en de beruchte Li Grand Zombi, een reuze albino python alom vereerd in New Orleans. Als je bang bent voor water leer je zwemmen; als je bang bent voor de dood zoek je haar op, telkens weer.
Voor een journalistieke opdracht reisde Hearn naar Japan en kwam nooit meer terug. Hij trouwde met een Japanse vrouw, werd Japans staatsburger en ontpopte zich tot een begenadigd chroniqueur van de duistere kanten van de Japanse maatschappij. Dat kwam vooral tot uiting in Kwaidan, zijn vermaarde bundel Japanse spookverhalen uit 1904 (in 2024 in het Nederlands verschenen, eveneens bij Koppernik). Kwaidan beslaat een verzameling eeuwenoude mythes en legendes die nooit eerder werden opgeschreven, maar er zit ook veel van Hearn zelf in – het boek wemelt van de moeders en vrouwen die doodgaan of verdwijnen en nooit meer terugkeren, of alleen als geest. „His mind”, schrijft een van Hearns vele biografen, was „dominated by horror from an early age.”
Op het moment van zijn dood was Hearn wereldberoemd. Zijn naam werd in één adem genoemd met groten als Edgar Allan Poe, Mark Twain, Bram Stoker en Robert Louis Stevenson. Vandaag de dag kennen ze hem alleen nog in Louisiana en Japan – en nu, met deze wonderschone vertaling van Chita, hopelijk, ook in Nederland.