Negen zalen omvat de Ed van der Elsken-tentoonstelling die vanaf vrijdag te zien is in het Rijksmuseum in Amsterdam. En daaruit blijkt méér dan we tot nog toe wisten over de fotograaf, die eigenzinnig en koppig was. ‘Mijn sterke kanten zijn ontzettend sterk.’
is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.
In 1989 reist een filmploeg van NHK, de nationale televisieomroep van Japan, naar een houten boerderijtje in de polder bij Edam dat makkelijk herkenbaar is; de toegangshekken en de pipowagen op het erf zijn in vrolijke regenboogkleuren geschilderd. Hier resideert Ed van der Elsken, de vrijgevochten, geëngageerde fotograaf en filmmaker die gedurende veertig jaar baanbrekend werk heeft gemaakt.
Hij pionierde met provocatieve zwart-witfoto’s, kunstig in de donkere kamer bewerkt, die onder meer de opstand tonen van jonge generaties tegen het establishment in de decennia na de Tweede Wereldoorlog.
Al vroeg schoot hij ook werk in kleur, een nieuwigheid die de manipulatie van de beelden tijdens het drukproces beperkte. ‘In zwart-wit kun je de boel veel meer belazeren’, stelde hij. In de kleurenfotografie ‘moet je met de billen bloot, moet je laten zien of je goede, inhoudsvolle foto’s zonder trucs kunt maken.’
Hij fabriceerde fotoboeken die instantklassiekers werden. En maakte later documentaires die opvielen doordat ze vaak over hem en zijn omgeving gaan. De persoonlijke invalshoek is tegenwoordig niet meer weg te denken, maar was toen nog ongewoon.
Doel van het bezoek uit het Verre Oosten is een interview, vanwege een slechte tijding. In september 1988 heeft Van der Elsken te horen gekregen dat hij uitgezaaide prostaatkanker heeft en niet lang meer zal leven. Tijdens het gesprek wordt hem gevraagd of hij ooit nog naar Japan zal terugkeren. Zichtbaar geëmotioneerd antwoordt hij: ‘Ik ben heel ziek. Misschien ga ik dood. Maar als het nog één keer zou kunnen... want ik zie Japan als mijn tweede vaderland.’ Zijn wens zou niet in vervulling gaan. Hij overlijdt eind 1990, 65 jaar oud.
Daarna wordt een al voor zijn dood gemaakte afscheidsreportage, waarvoor ook iemand uit Japan naar Edam was afgereisd, gepubliceerd in Asahi Camera, een toonaangevend fotografietijdschrift. Onder dezelfde titel, Adieu Elsken, opent in het stadsmuseum van Kawasaki een expositie waarin de Nederlander wordt herdacht. De instelling had een paar jaar eerder honderd afdrukken van de fotograaf gekocht en er bij die gelegenheid nog eens twintig van hem cadeau gekregen.
Eduard van der Elsken – opgegroeid in Betondorp, zijn vader was eigenaar van interieurwinkel ’t Honk in Amsterdam – was dol op Japan. Het laatste door hem samengestelde fotoboek waarvan hij de verschijning nog meemaakte, De ontdekking van Japan (1988), is een hommage aan het land dat hij gedurende dertig jaar had bezocht. Hij had de drukproeven gefiatteerd tijdens een van zijn opnames in het ziekenhuis. ‘Als dit boek er goed uitkomt, kan ik rustig sterven’, zegt hij in Bye (1990), de documentaire die hij en zijn vrouw maakten over zijn ziekteproces.
Dat zijn liefde voor Japan geen eenrichtingsverkeer was, maar copieus werd beantwoord, weten veel van zijn bewonderaars mogelijk niet. Al in 1954 had Asahi Camera aandacht besteed aan het revolutionaire werk van de Nederlander, die toen nog in Parijs woonde. Twee jaar later zou hij doorbreken met zijn rauwe beeldroman Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés (1956), waarvoor hij een groep jonge vrijbuiters had gevolgd die rondhingen op straat en in cafés.
Zijn foto’s werden in Japan zo bekend dat halverwege de jaren tachtig een bar naar hem werd vernoemd in Niigata, een stad aan de westkust. En dat niet alleen; de drankgelegenheid was ook nog eens ingericht naar zijn beelden uit Saint-Germain-des-Prés. Na de dood van Van der Elsken werd het uiterst openhartige Bye – hij bespreekt daarin zelfs de castratie die zijn leven moet verlengen – in Japan uitgezonden. Op de nationale televisie, net als eerder zijn afscheidsinterview.
Toen Hinde Haest eind 2022 door het Rijksmuseum Amsterdam werd aangenomen als conservator fotografie, lag er een grote klus op haar te wachten. Drie jaar eerder had het museum samen met het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam het ‘werkarchief’ van Van der Elsken verworven van zijn weduwe, Anneke Hilhorst. Een deel werd door haar geschonken.
Ruim achtduizend afdrukken waren naar het Rijks verhuisd, dat daardoor de meeste vintageprints van Van der Elsken ter wereld bezit. Het Nederlands Fotomuseum had drieduizend contactvellen (waarop de negatieven van een filmrolletje zijn afgedrukt) verkregen. Dat had eerder al honderdduizend zwart-witnegatieven, 42 duizend kleurendia’s en een stellingkast vol brieven, notitieboekjes, agenda’s en andere documenten ontvangen.
Aan Haest de taak om een tentoonstelling te maken – geen eenvoudige opdracht aangezien er in 2017 en 2019 nog grote Van der Elsken-exposities waren geweest. Drieënhalf jaar na haar aanstelling telt de helemaal door haar geschreven catalogus, Ed van der Elsken. Up Close, 320 pagina’s. De gelijknamige tentoonstelling beslaat negen zalen.
‘Alle foto’s uit het werkarchief moesten eerst worden gecatalogiseerd, gedigitaliseerd en gerestaureerd. Daar ging veel tijd in zitten’, zegt de 39-jarige conservator. ‘Ik heb daarnaast meters en meters aan documenten doorgeploegd. Er zijn duizenden brieven van hem. Die zijn niet gedigitaliseerd.’
Ook analyseerde ze werk van Van der Elsken dat in het bezit is van andere instellingen of van particulieren. De Universitaire Bibliotheken Leiden hebben bijvoorbeeld ooit drie dummy’s (proefversies) van Sweet Life (1966) aangekocht, het meesterwerk in zijn reeks van fotoboeken. Het werkarchief bleek een oerontwerp te bevatten. Dit maakte een reconstructie van de totstandkoming mogelijk.
‘Het is de eerste keer’, stelt Haest, ‘dat het archief van Van der Elsken in zijn totaliteit is bestudeerd en ook de dwarsverbanden tussen de Nederlandse collecties waarin zich werk van hem bevindt.’
Haar catalogus valt op door een schat aan details. Te lezen valt bijvoorbeeld dat in 2019 bijna al zijn foto’s in het stadsmuseum van Kawasaki onherstelbaar beschadigd raakten door een tyfoon.
Eveneens opmerkelijk: de keur aan citaten die zijn opgenomen in Up Close. Ze geven veel prijs over de inhoudelijke beweegredenen achter zijn werk, en onthullen bijvoorbeeld ook de identiteitscrisis die de zelfverzekerde en onbeschroomde kunstenaar doormaakte na de scheiding van zijn tweede vrouw.
Haest: ‘Soms vinden mensen het vervelend om veel quotes te lezen in een publicatie, maar ik heb daar bewust voor gekozen omdat hij zich heel openhartig en bloemrijk uitdrukte. Hij gebruikt spreektaal die ronduit grappig is.’
Zo verklaarde Van der Elsken in 1954 in het fotografieblad Focus dat ‘negenennegentig procent van wat zich in Nederland met fotografie bezighoudt smakeloze, slappe, kwallerige, watermeloenerige, drilpuddingerige commerçanten zijn. Mannekes zonder élan, fantasie, durf, artisticiteit.’ (Deze uitspraak weerhield hem er niet van om zes maanden later, na een vierjarig verblijf in Parijs, voorgoed naar Nederland terug te keren. Het tumult dat hij met dit soort boutades veroorzaakte, droeg eraan bij dat steeds meer media over hem gingen schrijven, constateert de conservator droogjes.)
In 1970 schreef Van der Elsken aan een televisieomroep die zich inhoudelijk met zijn werk wilde bemoeien: ‘Mijn sterke kant is dat ik weet wat mijn sterke kanten zijn. En die zijn ontzettend sterk, als jullie nou maar zoveel mogelijk met je poten van me afblijven.’
Haest was voor haar onderzoek bekend met het oeuvre van Van der Elsken en diens imago: ‘Heel eigenzinnig, soms koppig. Spontaan. Intuïtief. In contact met de buitenwereld. Altijd op straat.’ Ze ontdekte daarna veel dat nieuw voor haar was.
Dat hij een belangrijk deel van zijn bekendheid bijvoorbeeld dankt aan buitenlandse foto-experts. Het was de Nationale Bibliotheek van Frankrijk die in 1953 als eerste instelling foto’s van hem in de collectie opnam. En het was Edward Steichen, conservator bij het Museum of Modern Art in New York, die hem in datzelfde jaar in Parijs opzocht, waarna hij liefst achttien foto’s van hem liet zien in de groepstentoonstelling Post-war European Photography. Die zijn van de hele expositie het ‘meest opwindend’, schreef The New York Times.
Peter Pollack van het Art Institute of Chicago stelde in 1955 uit het Parijse werk een solotentoonstelling samen en schaarde de Nederlander drie jaar later in een boek over de geschiedenis van de fotografie onder Meesters van de moderne tijd. Pas in 1959 zou Van der Elsken zijn eerste museale tentoonstelling in Nederland krijgen.
Haest: ‘Hij is vroeg opgepikt in de Verenigde Staten. Hier nauwelijks. Hij had in 1950 Nederland ook vrij boos verlaten. Hij was gezakt voor de Fotovakschool en was daarna gedesillusioneerd geraakt. Hij vond de Nederlandse fotografie bekrompen. Hij behoorde tot een scene van avant-gardisten. Veel kunstenaars en schrijvers vertrokken naar de Franse hoofdstad.
‘Maar hij kwam in Parijs als fotojournalist niet echt aan de bak en keerde terug. Toen hij erin slaagde om Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés in Nederland uitgegeven te krijgen, ging het balletje hier rollen. Het Stedelijk Museum Amsterdam bracht in 1966 Sweet Life heel groot. En in opdracht van Avenue, een glossy die in 1965 in Nederland werd opgericht, kon hij veel reizen en foto’s in kleur maken.’
Nog iets dat opvalt in de catalogus. Van der Elsken wordt als een improvisator beschouwd. Hij stond erom bekend, zie bijvoorbeeld Een fotograaf filmt Amsterdam (1982), met een lopende camera voorbijgangers op straat aan te spreken. Maar hij had van tevoren alles goed uitgedacht, ontdekte Haest. ‘Zijn allereerste subsidieaanvraag’, zo schrijft ze, ‘bevat een rijtje ideeën waarop hij de daaropvolgende drie decennia telkens opnieuw zou terugvallen.’
Onthullend is ook zijn manische aandacht voor filmapparatuur, iets dat je niet verwacht bij iemand die alles uit de losse pols lijkt te schieten. Haest heeft talloze brieven aan fabrikanten gevonden waarin hij om informatie vraagt of zelfs verbeteringen voorstelt.
‘Hij was geïnspireerd door de handheldcamera’s van die tijd, dat was iets nieuws. Hij ging er prat op dat hij laagdrempelige en betaalbare middelen gebruikte die voor iedereen beschikbaar waren om het leven te documenteren. Hij vond het ook belangrijk dat hij wendbaar was en dicht bij zijn onderwerp kon komen.’
Van der Elsken was zich vroeg bewust van de impact die amateurcamera’s zouden hebben. Hij noemt de 8mm-film ‘een wapen voor de vrijheid, tegen al die leugenaars in alle politiestaten van links en rechts. Want die kunnen wel een officieel buitenlands televisieteam met zware 16mm-apparatuur aan de grens tegenhouden, maar niet die duizenden toeristen met hun 8mm-cameraatjes.’
Haest: ‘Hij had ook een wild idee om een soort bibliotheek op te richten, ‘Ridders van de waarheid’, waarin iedereen zijn filmmateriaal kon onderbrengen. Zoiets bestond toen nog helemaal niet. Hij voorzag, of voorvoelde op zijn minst, de vlucht die de beeldcultuur zou gaan nemen. Hij is overleden voor de komst van de sociale media. Die zouden hem op het lijf zijn geschreven, denk ik.’
Ook de manier waarop hij zijn eigen leven verwerkte in zijn documentaires is visionair, meent de conservator. ‘Hij gaf zichzelf al vroeg bloot voor de camera, zoals we dat nu in het socialemediatijdperk gewend zijn. Hij gebruikte de camera om zich te verhouden tot zichzelf, zijn familie en de maatschappij.
‘Hij is overleden toen ik 3 was. Toch heb ik het gevoel dat ik hem ken. En dat komt mede door die vlogs avant la lettre.’
Ed van der Elsken. Up Close, Rijksmuseum Amsterdam, 19/6 t/m 13/9. Bij de tentoonstelling is een gelijknamige catalogus verschenen, nai010 uitgevers, € 39,95.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant