Home

‘Er is altijd iemand die iets voor iemand anders doet, al is het maar een hand vastpakken’

‘Mensen die tegen asielzoekers ageren, hebben geen idee van de omvang van het kwaad waarmee ze zich inlaten.’ Als directeur van een filantropische stichting zet Elise Kant zich met hart en ziel in om het lot van vluchtelingen te verbeteren.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘In Nederland hebben we een enorme behoefte aan systeemverandering. De gedachte is: pak een probleem van bovenaf aan en ga lobbyen om iets veranderd te krijgen. Ik geloof daar niet zo in, het leidt vaak tot eindeloos vergaderen. Systeemverandering is goed, maar je kunt het niet eten, aantrekken of erin wonen. Ik geloof vooral in het steunen van kleine initiatieven. Die signaleren concrete problemen in de samenleving. Gezamenlijk kunnen ze tot beweging en uiteindelijk tot verandering leiden. Dat zie ik om me heen gebeuren.’

Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

De filantropische Haëlla Stichting waarvan de 60-jarige Elise Kant sinds 2019 directeur is, ontvangt jaarlijks zo’n vijftienhonderd steunaanvragen van bescheiden projecten. ‘Dat kunnen vijf vrouwen in buurt X zijn die niet meer dan drie regels op papier hebben gezet, maar wel goed willen doen, bijvoorbeeld iets voor buurtgenoten die eenzaam zijn.’ Haar aanvragers ziet ze als de ‘lichtbrengers’ of ‘hoopdragers’ van de samenleving. ‘Ik schrijf terug dat ik hen zie als de mensen die ervoor zorgen dat het in de samenleving niet al te zeer misgaat. Dan krijg ik vaak als antwoord: ‘Wat fijn dat u dat zegt, dat horen we nooit.’ Het gaat om mensen die zich dag en nacht inzetten voor een eerlijke en lieve samenleving. Ze zouden veel meer maatschappelijke waardering moeten krijgen.’

Zelf ontving Kant die in 2024, toen zij werd uitgeroepen tot ‘meest invloedrijke professional in de filantropie’ en bovenaan eindigde in een top-100. Dat was opmerkelijk, want de stichting Haëlla, ooit begonnen door de familie Dake van schoonmaakbedrijf Cemsto, is met een vermogen van 20 miljoen geen grote speler in de filantropische wereld – voor ondersteuning van projecten is jaarlijks een miljoen beschikbaar. De kracht van Kant is dat zij andere fondsen in haar plannen mee weet te krijgen: ‘Ik kan ijs aan pinguïns verkopen.’

Haar initiatieven vloeien voort uit de maatschappelijke signalen die haar aanvragers afgeven. Bij het uitbreken van corona zag ze een flink aantal voedselprojecten voor mensen die niet bij de voedselbank mochten aankloppen, hoofdzakelijk ongedocumenteerden. De gemeente Amsterdam, het Rode Kruis en andere fondsen wist ze te betrekken bij dit probleem dat zo’n twintig duizend mensen bleek te raken. Haar nieuwste project heet ‘Randen van Europa’, waarvoor ze een twintigtal fondsen warm heeft weten te krijgen. Die steunen 42 organisaties in onder meer het Franse Calais en Griekenland om aan vluchtelingen praktische hulp te bieden. ‘Terwijl regeringen bezig zijn met afschrikking en uitsluiting, strijden die organisaties voor de menselijke waardigheid en humanitaire principes die landen in verdragen hebben afgesproken.’

Ze kan zich in het lot van vluchtelingen goed verplaatsen door haar ervaringen in oorlogsgebieden. In 1993 verbleef ze in Cambodja, waar de guerrillabeweging Rode Khmer de bevolking ook na de genocide van de jaren tachtig nog schrik aanjoeg; tien jaar later was ze voor humanitaire projecten in Oeganda, waar krijgsheer Joseph Kony met zijn Lord’s Resistance Army ongekende terreur zaaide: ‘Ik heb het kwaad gezien. Dat raak ik nooit meer kwijt.’

Kant is afkomstig uit een gereformeerd gezin uit het Noord-Hollandse Zwanenburg. Na haar studie politicologie belandde ze in het internationale, humanitaire werk, zowel voor het ministerie Buitenlandse Zaken als voor christelijke organisaties.

Waar voert u uw maatschappelijke betrokkenheid op terug?

‘Mijn ouders kwamen uit christelijke gezinnen – ze waren niet strenggelovig, maar als kind mocht ik op zondag niet zwemmen. Mijn vader, die bij de KLM werkte, zat ook in de kerkenraad. Bij mij is er van jongs af ingegoten: ‘Heb je naaste lief als jezelf.’ Dat is nog altijd leidend voor me, ook al heb ik de kerk inmiddels verlaten. In mijn jeugd was ik al maatschappelijk betrokken, ik ben jarenlang vrijwilliger voor de Wereldwinkel geweest en heb in het bestuur ervan gezeten. Mijn fascinatie voor het buitenland ontstond in mijn kindertijd, toen mijn vader met spannende verhalen en rare cadeautjes van zijn reizen terugkwam.’

Wat heeft u nog meer gevormd?

‘Het oorlogstrauma van mijn moeder. Als 10-jarige is ze in 1945 op een hongertransport van Den Haag naar Groningen gezet, met haar jongere broertje. In Groningen heeft ze enorme angsten voor bombardementen uitgestaan. Erover praten met ons, haar drie kinderen, deed ze niet – ze was van het type: niet zeuren, maar doorgaan. Voor mij was 4 mei de verschrikkelijkste dag van het jaar, die gaf zo veel spanning in huis. Omdat de oorlog met zo veel geheim omgeven was, wilde ik begrijpen wat die inhield. Dat ik op mijn 28ste ervoor koos in Cambodja te gaan werken, had te maken met het feit dat er in dat land een oorlog was geweest.’

Wat hebben uw ervaringen in oorlogsgebieden u geleerd?

‘Ik heb er vooral als les aan overgehouden: je moet kijken naar de kleine dingen die er tussen mensen gebeuren, want daar kun je hoop uit putten. Er is altijd iemand die iets voor iemand anders doet, al is het maar een hand vastpakken, het maakt niet uit hoe klein het gebaar is. De hoop die dat geeft, heb je hard nodig wanneer je met oorlog te maken krijgt. In Oeganda ontmoette ik voortdurend mensen die waren gemarteld. Ik herinner me een vrouw zonder oren, zonder neus en met een mond waarmee ze met moeite iets kon zeggen. De gruwelijkheden die ik te horen kreeg, waren onvoorstelbaar – mannen die voor de ogen van hun vrouw werden afgeslacht, vrouwen die voor de ogen van hun man werden verkracht en vermoord, ouders die gedwongen werden hun eigen kinderen te koken en op te eten. Het grote kwaad. Dat bestaat echt. Onderschat het kwaad nooit, dat is ook een les die ik heb geleerd.’

Hoe ging u met die ervaringen om?

‘Toen ik weer in Nederland was, ben ik erover gaan schrijven. Die verhalen brachten de gruwelijkheden bij me boven die ik tien jaar eerder in Cambodja had meegemaakt en gehoord – de Rode Khmer was ook tot alles in staat. Die verhalen had ik tot dan toe weten weg te stoppen, nu hield mijn huilen niet meer op. Oorlog kan veel in jezelf stuk maken – mijn vertrouwen in andere mensen is erdoor op de proef gesteld, mijn vertrouwen in de wereld eveneens. Ik ben ook gaan begrijpen door welke angsten mijn moeder altijd is achtervolgd.

‘Gelukkig kwam ik dankzij mijn werkgever terecht bij een traumatherapeut. Die heeft me geholpen bij het verwerken van alle beelden in mijn hoofd. Die waren zo heftig dat ik eenmaal bij een bushalte heb gedacht: nu ga ik voor die bus liggen. De gedachte aan mijn drie kleine kinderen heeft me weerhouden. Dat brengt me bij een derde les: om na oorlogservaringen door te kunnen leven, heb je een bedding nodig. We zouden het als onze plicht moeten zien die aan vluchtelingen uit oorlogsgebieden te bieden.’

Wat voor bedding bedoelt u?

‘Je moet het gevoel krijgen welkom te zijn. Toen ik terugkwam, had ik mijn familie en mijn vrienden. Die begrepen lang niet altijd waarmee ik bezig was. Ze vroegen vaak waarom ik dit werk deed, terwijl ik kleine kinderen had. Mijn antwoord was: hier sta ik, ik kan niet anders. Hoe dan ook vormden zij een bedding, samen met mijn werkgever die mij naar een traumatherapeut stuurde. Zo’n soort bedding wens ik vluchtelingen uit oorlogsgebieden ook toe.

‘Helaas wacht hen in Europa een grote desillusie. Op het Griekse Lesbos komen ze aan na een afschuwelijke reis met grote kans op verdrinking en belanden ze in een allerminst verwelkomend land. Van de autoriteiten krijgen ze brieven in het Grieks over een onbegrijpelijke procedure, er is bar weinig voedsel, hun huisje in het opvangkamp moeten ze delen met andere gezinnen en als ze pech hebben, worden ze door Griekse agenten opgesloten of weer de zee opgeduwd. Gelukkig zijn er hulporganisaties die hen voedsel en water geven, of die die brieven vertalen, zodat ze in die procedure niet bij voorbaat kansloos zijn. Vergelijkbare hulp is er ook in Calais. Ik heb daar gezien hoe honderd mannen in witte pakken met steun van de ME bulldozers inzetten om provisorische huisjes met de grond gelijk te maken, terwijl gevluchte ouders met kinderen toekeken. Ik vond het de hel op aarde. Ik ben blij dat wij organisaties steunen die medemenselijkheid bieden. Alleen wordt het ze steeds lastiger gemaakt dat soort hulp te geven.’

Waardoor?

‘Regeringen behandelen niet alleen asielzoekers als criminelen, maar ook in toenemende mate hun hulpverleners. In Griekenland is de wet over hulp bij ‘illegaal verblijf’ onlangs aangescherpt, organisaties ter plekke moeten daardoor enorm oppassen. Maar ook buitenlandse ngo’s kunnen tot in eigen land worden vervolgd. Aegean Boat Report van de Noor Tommy Olsen registreert pushbacks van boten met vluchtelingen door de Griekse kustwacht, hij is tot een aanspreekpunt voor vluchtelingen uitgegroeid. Griekenland betichtte hem van mensensmokkel, de Noorse justitie heeft na lang dralen gelukkig besloten hem niet aan Griekenland uit te leveren.’

Hoe beziet u Nederlandse demonstranten tegen azc’s?

‘Mensen die tegen asielzoekers ageren, hebben in mijn ogen geen idee van de omvang van het kwaad waarmee ze zich inlaten. Ze denken straffeloos van alles te kunnen beweren over anderen zonder dat het hen ooit zal raken. Maar vandaag zijn het de vluchtelingen, morgen is het de lhbti-gemeenschap, overmorgen de vrouwen. Die demonstranten roepen van alles over verkrachtingen en criminaliteit, zonder enige vorm van bewijs, ze maken asielzoekers tot zondebok. Alsof onze zorgen op het vlak van wonen, onderwijs en de zorg opgelost zouden zijn, wanneer tienduizenden asielzoekers collectief op zee zouden verdrinken.

‘Bovendien worden we door asielzoekers zo te ontmenselijken allemaal ontmenselijkt, ik zie het als een aanval op de menselijke waardigheid. Ik kijk met verbijstering toe hoe politici daaraan meedoen; hoe partijen als D66 en het CDA de agenda van Geert Wilders (PVV) uitvoeren. Ik ben ook verbijsterd hoe vaak het woord mensenrechten in de mond wordt genomen, maar hoe weinig er wordt gedaan om die in de praktijk te brengen. We moeten niet denken dat we er gaan komen door geheel in te zetten op een dialoog, dat vind ik naïef. Er bestaat intens gemeen en akelig kwaad in deze wereld, daar kun je alleen maar zo hard mogelijk tegen strijden.’

Wat geeft u hoop?

‘De jongeren op Lesbos die zich met hart en ziel voor vluchtelingen inzetten, vormen voor mij een lichtpunt. Net als de vijftienhonderd aanvragen die wij jaarlijks krijgen, zij bewijzen hoeveel mensen van goede wil er zijn. Mijn hoop is dat de meeste mensen uiteindelijk geen gehoor zullen geven aan hun angst of woede, maar dat ze zullen kiezen voor het geluk van zichzelf én dat van anderen. Dat mensen inzien dat je anderen ook ruimte moet gunnen. Ik hoop vooral dat we gezamenlijk het proces van ontmenselijking weten te stoppen. Daar ben ik ook wel optimistisch over. Een stille meerderheid is daar tegenstander van, dat weet ik zeker. Daarmee hebben we als samenleving goud in handen.’

Boektip: Niet alleen ja en amen van Dorothee Sölle en Fulbert Suffensky.

‘Deze Duitse theologen betogen dat je je niet moet neerleggen bij een deprimerende werkelijkheid van onrecht en oorlog, maar dat je jezelf moet bevrijden van het gevoel van machteloosheid door samen met anderen creatief verandering na te streven. Dit boek las ik als 25-jarige, nog altijd trek ik me eraan op.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next