Home

Magic Mike: het grote kleine gebaar van de man in het gele pak

Essay Vriendelijkheid: dat werkt toch alleen als je authentiek, spontaan, écht bent? Dat ligt allemaal veel complexer, leert Christiaan Weijts na een ontmoeting met een vrolijke verkeersregelaar. „Hier staat iemand die rechtstreeks inwerkt op het zenuwstelsel van de stad.”

Tussen het Malieveld en het Centraal Station voltrekt zich elke ochtend een klein wonder. Spitsuur, op een van de drukste verkeersaders van Den Haag. En bij de bouwplaats van een nieuw torencomplex moet de sliert fietsers zich over betonplaten tussen afzethekken door wurmen, samen met de forenzen die hier vanuit de fietsenstalling naar hun treinen hollen.

Toch breekt op vrijwel alle gezichten een glimlach door. Eerst nog voorzichtig, als om een binnenpretje, maar zodra de poort naar de bouwplaats in zicht komt, grijnzen de meesten voluit. Daar staat hij. Mike. De verkeersregelaar die lacht, zwaait, high-fives uitdeelt.

Hij hééft iets. Je kunt onmogelijk níet lachen. Zo ontwapenend. Zo aanstekelijk. De man intrigeert me al zolang hij hier staat, sinds begin 2024. Soms fiets ik langs als ik hier helemaal niet hoef te zijn. „Goedemorgen!” High-five, boks, zwaai. Iedereen krijgt een energiescheut op maat, waarvan je op de een of andere manier onmiddellijk weet dat die echt is, compleet anders dan het routinematige ‘fijne dag’ van veel winkelpersoneel.

Ik dacht dat hij dit erbíj deed, bíj het dirigeren van vrachtwagens en hijskranen door de poort. Maar hij gaat hier elke dag bewust staan, tot de ochtendspits voorbij is, alleen maar om alle voorbijgangers te begroeten. Om negen uur begint zijn ‘gewone’ werk.

Mike Kirk-Mensah (63) begon hiermee in 2020, coronatijd, vertelt hij, als ik op een vrijdagochtend afstap voor een gesprekje. Destijds werkte hij bij een bouwproject aan de Amsterdamse Zuidas. Online circuleerde een verhaal over een man die van de Golden Gate-brug was gesprongen. In zijn appartement lag een briefje: „Ik ga naar de brug lopen. Als één iemand onderweg naar me glimlacht, spring ik niet.”

„Dit raakte mij”, vertelt Mike. „Ik vond het zo triest. Ik dacht: ik ga vanaf vandaag gewoon naar iedereen glimlachen.” En dat doet hij sindsdien. In alle vroegte vertrekt hij met de bedrijfsbus vanuit Almere, waar hij woont. Om half zeven zet hij zijn helm op, trekt hij zijn gele werkpak aan, en strooit hij zijn aanstekelijke vriendelijkheid rond.

Het hoort niet bij zijn taakomschrijving, al is bouwbedrijf J.P. van Eesteren verguld met wat hij doet. Deze bouwplaats is natuurlijk een bron voor potentiële ergernissen, die Mike op voorhand neutraliseert. Tegelijkertijd krijg ik de indruk dat het hem daar zelf niet per se om te doen is. „Ik zou ook binnen op de bouwplaats kunnen blijven, en af en toe koffiedrinken in de keet, maar ik hou gewoon van al deze mensen”, vertelt hij, terwijl hij blijft zwaaien. Met sommige passanten heeft hij een vaste groet. Fistbump. Handshake. „Yo!”

Hij woont dertig jaar in Nederland, en is afkomstig uit Ghana: „Daar zijn de mensen socialer. Hier zeggen ze vaak dat ik sociaal werker had moeten worden, maar ja, mijn Nederlands is daarvoor niet goed genoeg.”

In sociale sluimerstand de stad door

Het geval dat hem inspireerde blijkt al uit 1963 te stammen. Toen leefden we al langs elkaar heen. ‘Civil inattention’, noemde socioloog Erving Goffman het toen in zijn boek Behaviour in Public Places. Het rituele knikje naar de onbekende tegenover je in de trein: ik zie je, maar ik hoef geen gesprek. Zelfs die knikjes blijven nu vaak achterwege. Wie een koptelefoon opzet, heeft sociaal uitgecheckt.

Zo stromen we de stad door in sociale sluimerstand. Vermijd oogcontact, loop door. Des te verrassender is het als iemand zich tussen die geïsoleerde capsules ineens begint te gedragen als in een knus dorp. Mike breekt eventjes door die verschansing heen.

De meesten komen hier dagelijks en zijn zakelijk gekleed. Dit is de aanvoerroute naar de Tweede Kamer, de rechtbank, allerlei andere overheidsinstellingen, kantoren. Maar ook de scholieren krijgen een vette grijns en geven een high-five. Automobilisten toeteren, uit een politieauto steekt een zwaaiende hand uit het raampje.

Magic Mike. Die bijnaam staat voorop een fotoboek dat hij laat zien. Gemaakt door collega’s in Amsterdam. En het ís ook magie. Zeker voor iemand als ik, die altijd meer een afstandelijke beschouwer is geweest en juist daarom geïntrigeerd is door charismatische types. Als schrijver wil ik ook een prikkel uitdelen, maar hier staat iemand die rechtstreeks inwerkt op het zenuwstelsel van de stad.

Iedereen kent zulke figuren. Die ene buschauffeur, stallingbewaker, pakketbezorger of treinconducteur. Ironisch genoeg juist de beroepsgroepen waarvan we ook de nurkse tegenpolen kennen. Ze zijn een dubbele verrassing: juist op de plekken waar je op je hoede bent voor ergernis en chagrijn, breken ze ineens door het pantser.

Sociologen ontdekten dat de kleinste vluchtige contacten – een knikje, een kort gesprek – ons al gelukkiger maken, doordat ze ons eraan herinneren onderdeel te zijn van een gemeenschap.

Een verrassend deel van het dagelijks welzijn komt voort uit mini-interacties. Zelfs groeten en bedanken hebben al een groot effect, zo blijkt uit experimenten.

Ik merkte het zelf toen ik niet meer dagelijks op het schoolplein stond. Het was niet zo dat ik ineens vrienden miste, het was subtieler, de ochtenden werden iets stiller. Zeker voor een freelancer, zonder collega’s bij een koffiemachine, doet Mike dan iets.

Je hebt het of je hebt het niet?

Ik vroeg me ook meteen af: moet ik zelf niet iets meer ‘Mike’ worden? Kún je zoiets eigenlijk wel leren? Dit lijkt toch eerder een kwestie van aangeboren charisma. Authentiek zijn, écht, spontaan. Je hebt het of je hebt het niet, en Mike bevestigt dat: „Ik ben gewoon zo. Een paar keer hebben collega’s het ook geprobeerd. Die kregen niet dezelfde reactie.”

En toch: zelf heb ik een minimaal niveau van vriendelijkheid en kletspraat echt door training moeten verwerven. Ik kom uit een nogal contactarm gezin. Pas tijdens mijn studie, met een bijbaantje in de AKO-stationskiosk, oefende ik die vriendelijkheid, als acteerwerk, waarbij je vast ook de ‘echte’ eigenschap activeert. Later bleek de journalistiek een goede inhaalcursus voor basale sociale vaardigheden. Je speelt het, en langzaam wordt het een houding waarin echt en onecht niet werkelijk meer zijn te scheiden.

‘Performatief’ is de kreet die ineens overal opduikt. ‘Performatief lezen’ – fotogeniek in een trein een boek lezen –, ‘performatief feminisme’, en zo is er ook ‘performatieve empathie’: alleen de uiterlijke vorm aannemen, zonder het echt te menen.

Het is zo’n woord dat gedijt in een tijd waarin de grenzen tussen echt en onecht op allerlei manieren vervagen. Ook als het om vriendelijkheid gaat. Op weg naar Mike blokkeerde een vrachtwagen mijn blikveld, met als opschrift: ‘Alles voor een glimlach’. En daarna nog één: ‘Don’t just buy, joybuy.’

Toen ik, als twintigjarige of zo, voor het eerst in een Londense supermarkt was, verwelkomde het kassameisje mij zo overrompelend – ‘O hí! How are yóú today!’ – dat ik totaal in de wolken was. Ik stap uit in Londen en het eerste meisje dat ik spreek is verlíéfd op me! Die toestand hield aan tot ik de dag erop terugkeerde, en zag dat zij iedereen zo begroette. Brits beleefd. Of misschien was ze wel Amerikaans.

In haar ooghoeken had ik de waarheid kunnen lezen. De oprechte lach is te herkennen aan de kraaienpootjes. Bij Mike staan die inmiddels in zijn gezicht gebeiteld. Het keurmerk van authentiek. Alhoewel: er blijken allerlei apps te bestaan om zo’n ‘Duchenne-glimlach’ te oefenen – vernoemd naar de ontdekker ervan, neuroloog en fotograaf Guillaume Duchenne (1806-1875). Met „realtime AI-coaching die je oogrimpels, mondhoeken en symmetrie meet om je te helpen de Duchenne-glimlach onder de knie te krijgen”.

In mijn AKO-dagen hing er een primitieve voorloper hiervan in het magazijn: een vermanende spiegel met het onderschrift: „Zo ziet de klant jou.”

Met AI is de verwarring compleet. Er zijn al onderzoeken waaruit blijkt dat proefpersonen AI-antwoorden als empathischer ervaren dan menselijke teksten. Tegelijkertijd: zodra ze wéten dat het van AI komt, waarderen ze precies dezelfde woorden juist minder.

Onze obsessie met oprechtheid

Het gevolg van die verwarring is dat we wantrouwender worden tegenover vriendelijkheid. Want wat wil iemand met die glimlach? Heeft hij iets te verkopen? De commerciële glimlachers moeten vervolgens weer méér uit de kast halen om door dat wantrouwen heen te breken.

Maar de grootste spelbreker is hier waarschijnlijk de moderne obsessie met ‘oprechtheid’. Die verandert elke vriendelijke interactie op de achtergrond in een detectivespelletje: is dit echt of fake?

Misschien moeten we verder kijken dan naar ‘echt’ of ‘authentiek’. De grens tussen authentiek en performatief is lang niet zo scherp als gedacht.

Eén intrigerend – en confronterend – detail uit Mikes verhaal blijft me bij. „Het werkt alleen als ik dit pak aan heb”, zegt hij. Dat verbaast me. Is dat reflectievest een toneelkostuum? Hij speelt toch juist geen rol? „Nee nee”, corrigeert hij. „Ik bedoel, in mijn normale kleren denken ze dat ik om geld vraag.”

Meteen zie ik de straatkrantverkoper voor mijn vaste supermarkt zitten. Wenst ook iedereen een „fijne dag”. Of de man met twee kunstbenen in zijn scootmobiel, die altijd bij strandopgang 9 zit. Hij drinkt halve liters bier en groet iedereen uitbundig. Toch heeft hij niet de Mike-vibe. Sommigen vinden hem irritant, anderen groeten vrolijk terug. Maar als ik me Mike daar voorstel – of wie dan ook – zwaaiend, zonder werkkleding, zou dat ook ongemakkelijk zijn: wat staat die vent daar te doen?

Het gele pak haalt het wantrouwen weg. Het performatieve en het authentieke staan niet haaks op elkaar, de performance is hier zelfs vóórwaarde tot vriendelijkheid die werkt. Het bevrijdende van Mike is dat hij je zo overrompelt dat je je niet meer hoeft af te vragen of het echt is of gespeeld. De innerlijke detective valt stil.

Vaak, als ik weer eens langs Mike was geweest voor zo’n shot vreugde, dacht ik dat we méér Mikes moeten hebben. Dat hoort hij ook vaker. „Iemand uit de Tweede Kamer,” vertelt hij, „kwam hier langs en zei: je zou eigenlijk bij ons voor de deur moeten gaan staan.”

Ja, denk ik. En meteen daarna: nee! Want stel het je even voor. Een niet eens zo onwaarschijnlijke stap kan zijn dat de bouwbranche een regel instelt: bij projecten met een hinderfactor boven de x moet er ‘een Mike’ staan. Een speciaal t-shirt en vrolijk gekleurd bord is dan ook niet ver meer weg.

Je krijgt dan een empathie-cultuur die op veel werkvloeren al de stilzwijgende norm is. ‘Hoe was je weekend?’ ‘Wat heb je nog van me nodig?’ Mood check-ins, reflectierondes, failure talks voor het ‘veilig delen’ van je fouten. Goedbedoeld, en vast ook ‘fijn’ (dat woord: de opmars ervan vat het allemaal samen), maar ook een tikje vermoeiend.

Socioloog Arlie Hochschild beschreef het al in The Managed Heart (1983), hoe stewardessen mentaal overbelast raken door de ‘emotionele arbeid’ van de glimlach als verlengstuk van het uniform. Vermoeiende vriendelijkheid is vriendelijkheid die iets wil, iets moet. Die is niet langer gratis. Die verplicht altijd tot iets, al is het maar tot aandacht.

In de loop der tijd heeft Mike allerlei kaartjes, briefjes en cadeautjes gekregen. Soms filmen gasten van het naastgelegen hotel hem vanachter de hoge ramen. Een onbekende begon een Instagram-account. Mijn dochter (14) blijkt hem al te kennen van TikTok. Zelf voelt hij zich daar wat ongemakkelijk bij. „Ik doe helemaal niets bijzonders.”

Magie van het terloopse

Natuurlijk hebben we meer Mikes nodig, maar in welke vorm? Zijn magie zit in het vluchtige, het terloopse, het vrijblijvende. Na een uurtje bekruipt me wat ik vaak heb bij energieke positievelingen: ik wil weer verder.

Maar op weg naar huis gloei ik nog na. Iets brok-in-mijn-keligs, maar ook iets lichts en vrolijks. Bij een stoplicht roep ik spontaan hoi tegen een man naast me. Beduusd glimlacht hij terug. O nee, een echte Mike zal ik nooit worden, maar dit kan iedereen, náást zijn dagelijkse bezigheden. Laten we dit soort vriendelijkheid niet institutioneel maken, en ook niet ophemelen . De kunst is om juist dit soort momenten klein te laten blijven. Dat is al groots genoeg.

Den Haag

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next