Hockey Dat vrouwen in het tophockey minder betaald krijgen dan mannen is bekend. Maar waarom eigenlijk? En hoe ziet die kloof eruit? Lex Tump dook erin en schrok van wat hij ontdekte. „Ik verwacht dat ik wel wat shit over me heen ga krijgen.”
Lex Tump
Moet jíj wel degene zijn die dit doet, had de zus van Lex Tump (26) aan hem gevraagd. Tump is tophockeyer bij het Amsterdamse Hurley en heeft een bedrijfje dat hockeydata verzamelt. Onlangs dook hij in de verschillen tussen mannen- en vrouwenhockey: in beloning en budgetten voor het eerste team. Hij wist heus wel dat er meer geld naar de mannen stroomde, dat is in het hockey algemeen bekend, maar in déze mate? „Ik schrok me kapot. Ik dacht: we kunnen niet met z’n allen maar doen of dit normaal is.”
Toen hij erover praatte met zijn moeder en zus, vroeg zijn zus dus waarom hij zich hiermee bezighield. „Ze vond: is het niet beter als een vrouw dit naar buiten brengt? Maar ik denk juist dat het goed is als een man dat doet.” Want Tump vindt dit een probleem voor het tophockey als geheel.
Deze week bracht hij een door hemzelf samengesteld rapport naar buiten met de financiële gegevens die Tump verzamelde en zijn onderzoek naar de vaak genoemde redenen waarom mannen meer zouden moeten verdienen, zoals kijkcijfers of buitenlandse spelers.
Maar hoe is hij in deze discussie terechtgekomen? Tump, de laatste drie jaar aanvoerder bij Hurley, is bewegingswetenschapper. Daarom probeert hij „wat meer data in het hockey te brengen”. Twee jaar terug begon de hockeyer met databedrijf De Dataduck. Hij maakt bijvoorbeeld strafcorneranalyses die hij aan clubs verkoopt. Daarnaast post hij hockeydata op social media. „Daar verdien ik amper aan. Dat is meer marketing. En ik vind het ook leuk om te doen.”
Steeds kreeg hij vanuit de hockeywereld het verzoek of hij ook eens naar beloning kon kijken. Dat deed hij, beginnend bij de mannen, daarna de vrouwen. In het tophockey zijn deze gegevens niet openbaar, dus hij moest ze zelf bij elkaar sprokkelen. In totaal sprak Tump met zo’n dertig betrokkenen, zoals hockeyers, bestuursleden en spelersmakelaars. In het rapport zijn die geanonimiseerd omdat hij spelers en clubs niet „voor de bus” wil gooien, maar Tump deelde die lijst wel met NRC.
Het beeld dat opdoemt, is dat mannen en vrouwen na de eerste fase van hun carrière uit elkaar gaan lopen. Waar jonge spelers aan beide kanten nog veelal voor vrijwilligersvergoedingen spelen (maximaal zo’n 2.000 euro per jaar) bleek uit zijn rondgang dat mannelijke spelers in de onderste regionen van de hoofdklasse zo’n 5.000 tot 15.000 euro verdienen, bij de vrouwen: 2.200 tot 10.000 euro. Zo gaat dat door. Sterke spelers of grote talenten bovenin de hoofdklasse: tussen 15.000 tot 25.000 per jaar bij de mannen, 7.500 tot 15.000 euro bij de vrouwen. Mannelijke internationals: 30.000 tot 50.000 euro per jaar, vrouwelijke internationals: 12.500 tot 20.000 euro. Uitzonderlijke gevallen: vanaf zo’n 50.000 euro bij de mannen, 25.000 bij de vrouwen.
NRC legde Tumps cijfers voor aan verschillende betrokkenen: zoals (oud-)bestuurders en spelers. Die bevestigen het beeld dat hij schetst grotendeels: één bestuurder vertelde wel dat bij zijn club, die schippert tussen promotie- en hoofdklasse, veel mannen minder verdienen dan Tumps bandbreedte.
Ook de begrotingen voor de teams, waaruit spelers en staf worden betaald, lopen sterk uiteen. Zo hebben de vier vrouwelijke topclubs volgens Tump per seizoen 300.000 tot 500.000 euro te besteden. Bij de acht sterkste mannenploegen, de top in het mannenhockey is breder, begint dat vanaf ongeveer 700.000 euro.
Salarisongelijkheid in het tophockey staat al een tijd op de agenda. Hockeysponsor ABN Amro meldde zes jaar terug dat mannen tot tien keer meer verdienen dan vrouwen en dat 80 procent van het sponsorgeld naar de mannen gaat. Internationals Josine Koning en Maria Verschoor spraken zich er drie jaar geleden over uit.
„Veel groter. En systematischer. En het gaat niet alleen om geld. Kijk, als een man in een zelfde positie meer verdient dan een vrouw is dat op zichzelf al schokkend. Maar in het hockey, of in topsport in het algemeen, mag dat allemaal. Het wordt ook een beetje weggelachen: zo is het nou eenmaal.”
Bij mannelijke spelers is het probleem ook niet zo bekend, zegt Tump. „Toen Josine Koning en Maria Verschoor zich uitspraken, was in de mannenhoofdklasse de teneur van wel: oh ja, heb je hen weer. Dus ik heb nu dit jaar in mijn team een paar concrete voorbeelden genoemd: wat denk je dat zij verdient? En dan zegt iemand: 10.000 per seizoen. En dan zeg ik: nee, 3.000. En dan denken die gasten ineens wel van: oh, maar dat kan eigenlijk niet.”
Wat Tump ook vaak hoort zijn „rookgordijnen”. De redenen waarom mannen meer zouden moeten krijgen dan vrouwen. Tump dook in verschillende veelgehoorde argumenten.
Neem die buitenlanders: in de hoofdklasse spelen inderdaad meer buitenlandse mannen dan vrouwen: dit seizoen ongeveer vijftig om twintig. Bij de mannen zijn dat veelal succesvolle internationals, die alleen voor een bepaalde beloning naar Nederland komen. Het is te verwachten dat die buitenlandse spelers ook de vergoeding voor Nederlandse mannen omhoog trekken, zegt Tump. „Want stel, ik ben een Nederlandse speler, zit al tien jaar bij de club, speel ook voor Oranje, en dan komt er een Belgische topspeler, zo’n beetje mijn niveau, die verdient dan twee keer zoveel. Dan denk ik ook: ja hállo.”
Bij de vrouwen werkt dat anders. Want de Nederlandse vrouwen zijn wereldwijd zo dominant, dat er voor clubs in het buitenland niet veel te halen valt, zegt Tump. „Als een 19-jarige Nederlands talent dat nog studeert en bij haar ouders woont even goed is als een 25-jarige international uit Australië, dan neemt een club die vrouw van 19. Zij heeft niet zoveel nodig, dus ze zal sneller akkoord gaan met een lagere vergoeding.” Zo zijn de Nederlandse vrouwen, zegt hij, eigenlijk slachtoffer van hun eigen succes.
Dan dat stipendium, de topsportvergoeding van NOC-NSF voor spelers van Oranje (maximaal zo’n 30.000 euro per jaar). Dat werkt soms eigenlijk tégen vrouwelijke internationals, concludeert Tump. Naast het stipendium mag een sporter jaarlijks maximaal 18.000 euro bijverdienen, anders moet dat stipendium weer (deels) terugbetaald worden. Mannen gaan daar toch al snel overheen en vragen het stipendium vaak niet aan, zegt Tump, maar omdat vrouwelijke internationals structureel minder verdienen, schuurt een deel van hen tegen dat plafond van 18.000 euro aan. Dan is er voor zowel speler als club geen „prikkel” voor salarisverhoging, zegt Tump. Want euro’s die erbij komen, moeten afgedragen worden. Duurder voor de club en de speler heeft er niks aan.
De kijkcijfers dan. Tump wist ook zijn handen te leggen op aan handvol kijkcijfers over de play-offs in de hoofdklasse, in 2024, bij Viaplay en de NOS. Die cijfers zijn een beetje stuivertje wisselen: de halve finales bij de vrouwen trokken meer kijkers dan die van de mannen. Met name bij de tweede finaledag liepen de mannen iets uit (142.000 om 164.000 gemiddelde kijkers), maar gigantische verschillen zijn het niet.
„Dat kan. Maar dan zeg ik ook dat het hockey amper verdient aan toeschouwers of ticketverkoop, er is geen businessmodel. Geld komt vooral van sponsoren en goedwillende suikerooms. En het punt blijft: vind je het daarmee uit te leggen dat er zóveel meer naar de mannen gaat?”
„Nou, ik heb zoveel verhalen gehoord dat ik me afvraag of vrouwenhockey wel serieus wordt genomen. Dan hoor je dat er een ondernemer is die 200.000 euro in een club wil steken, maar alleen in de mannen. Of dat alleen de mannenploeg een vaste fysio heeft. Er zijn clubs waar ik minachting voor vrouwen ervaar.”
Uiteindelijk, zegt Tump, gaat het om „respect” voor vrouwensport. „Ja, ik schiet vanaf de kop van de cirkel waarschijnlijk harder dan een vrouw. Maar is dat dan waar het om draait? Dat vind ik zo klein en banaal.”
„Ja. Ja, nog liever komt er geld bij en dan kunnen de vrouwen omhoog. Maar zo simpel gaat het niet.”
Geen populaire boodschap waarschijnlijk, in ieder geval bij veel mannen. Tump: „Ik verwacht dat ik wel wat shit over me heen ga krijgen.” Ook omdat hij volgend seizoen in Australië gaat hockeyen. „Zo van: je dropt dit, en dan ga je weg. Daar heb ik wel over nagedacht. Maar toch, ik vind wel dat het moet.”