Theatermaker en comedian Saman Amini is ‘een jongen met bagage’: zijn tienerjaren bracht hij door in azc’s, waar hij PTSS opliep. Maar voor zijn laatste voorstelling, Integratieplan #2, verdiepte hij zich in de gevoelens en gedachten van extreemrechts. ‘Haat verdwijnt snel als je tegenover elkaar zit.’
is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.
Het gebeurt niet vaak dat een artiest zijn interviewer succes wenst als die zijn recorder tevoorschijn haalt. ‘Maar ik meen het echt, man’, zegt theatermaker en comedian Saman Amini lachend. ‘Een goed beeld van mij krijgen, met dat ADHD-brein van mij? Nu het oorlog is in Iran, waar mijn familie woont, en er hier weer azc’s in de fik worden gestoken? Pffff. Mijn hoofd schiet alle kanten op. Echt, je moet me bij de les houden hoor, brutaal tegen me zijn.’
Al snel blijkt dat Amini (37) wel een beetje gelijk heeft. Het is alleen al lastig om hem ín beeld te krijgen. Op een bankje aan een kanaal in Alphen aan den Rijn, met de rug naar het theater waar hij straks zijn voorstelling Integratieplan #2 zal spelen, vat hij het woord ‘zitten’ ruim op. Soms betekent het hurken óp het bankje, soms ervóór, soms ertegen leunen of een rondje eromheen. Af en toe begint hij even uitgebreid zijn getrainde lichaam te stretchen. Hij is vrolijk en alert, meermaals maakt hij contact met willekeurige voorbijgangers. Intussen praat hij vol vuur, met drukke gebaren, zachte aanrakingen en een buslading aan charme, waarmee hij de hinkstapsprongen in zijn woordenstroom ruimschoots compenseert.
Wie zijn voorstellingen heeft gezien, weet dat er een reden is voor al die onrust. Naast ADHD kampt Amini ook met een posttraumatische stressstoornis (PTSS), opgelopen in de jaren nadat hij, op zijn 11de, met zijn moeder en zusje vanuit Iran naar Nederland kwam. Zijn hele puberteit verbleef hij in azc’s, de toekomst ongewis.
Op zijn 16de werden hij en zijn familie door zes agenten van hun bed gelicht en opgesloten in een detentiecentrum, waar ze wekenlang wachtten op een uitzetting die uiteindelijk op het nippertje werd afgewend toen ze alsnog de status van schrijnend geval kregen. Voeg daarbij een gecompliceerde familiegeschiedenis en je begrijpt waarom hij zichzelf omschrijft als ‘een jongen met bagage’.
Die bagage vormt het hart van zijn werk sinds hij in 2014 afstudeerde aan de Toneelschool Maastricht. ‘Ik voel de verantwoordelijkheid om mijn pijn te vertalen in verhalen en grappen, en daarmee mensen samen te brengen’, zegt hij. ‘Dat is mijn corebusiness. Maar het heeft lang geduurd voordat ik dat zo vrijuit kon zeggen.’
Zijn show Integratieplan #1 werd met sterren overladen en door NRC uitgeroepen tot voorstelling van het jaar. Daarna volgde Onaantastbaar, over de mentale problemen waarmee hij kampte. In Integratieplan #2 – ondertitel: Alles is perspectief – nam hij de vanuit zijn perspectief verrassende beslissing om zich te verdiepen in de gedachten en gevoelens van extreemrechts.
Waar kwam die behoefte vandaan?
‘Tijdens het schrijfproces van deze voorstelling waren die rellen op het Malieveld, september vorig jaar. Dat triggerde iets in mij, het deed me denken aan de witte jongens met wie we altijd ruzie hadden in mijn azc-tijd in Rheden. Het zou heel goed kunnen dat een aantal van hen ook bij die rellen was. We haatten elkaar destijds. ‘Frikandellen-Hollanders’, noemden wij hen. Het was een soort West Side Story; we vochten het uit op de kermis, soms ook op het voetbalveld. Zij waren onze villains, wij die van hen. Tegelijkertijd: we wisten niks van elkaar. Dat heb ik pas veel later beseft, en met die blik keek ik nu naar wat er gebeurde op het Malieveld.
‘We zien allemaal dat Nederland steeds extremer en verder gepolariseerd raakt. Een belangrijke oorzaak daarvan is volgens mij dat we in deze tijd de ander meteen diskwalificeren door ze een label op te plakken; linkse gekkie, wappie, racist, nazi. Dan is het gelijk klaar, is er geen gesprek meer mogelijk. In een radioprogramma waar ik te gast was, zei ik: we moeten kijken naar wat er achter de kreten van die relschoppers zit. Want achter woede zit pijn. Daarop reageerde een Limburgse jongen die ook op het Malieveld was geweest, met iets in de trant van: het is ironisch dat een vluchteling meer medelijden heeft met mij dan de linkse elite.’
Hij lacht: ‘Wat op zich ook weer ironisch was, want wat is dat, linkse elite? En hoor ik daar niet bij? Ik maak gesubsidieerd theater! Maar goed, ik snapte het wel. In mijn eigen kringen was er totaal geen empathie voor die gasten, geen nieuwsgierigheid naar wat ze beweegt. Maar ik dacht intuïtief: hier kan ik iets mee. Dus heb ik contact met hem gezocht en gezegd: ik ben bezig met een voorstelling, zullen we een keer bellen? Misschien kan ik jóúw pijn vertalen.’
Wat leverde dat op?
‘Veel, man. Een belangrijk personage in de show is vrijwel volledig gebaseerd op de gesprekken die ik met hem had. Hij staat tegenover een ander personage, een linkse jongen die migratie alleen maar als iets positiefs ziet. Ik heb een paar keer over hem geschreven in mijn column in Trouw. Hij is ook komen kijken naar de voorstelling. En het gaat nog steeds door. Gisteren speelde ik in Maastricht, dus belde ik hem. Zullen we even hangen? Hebben we samen wat gegeten.’
Ik begreep dat het een behoorlijk extreme jongen is, die een foto van zichzelf postte bij een uitgebrande politieauto, en ook lid is van Forum voor Democratie.
‘Ja, klopt. Ik keur niks goed, hè. Maar hij is ook slim en bereid om een dialoog te voeren. Veel mensen in mijn omgeving vinden het naïef van mij dat ik me in hem probeer te verplaatsen. Maar je hoeft het toch niet met elkaar eens te zijn, je kunt toch gewoon praten?
‘Ik heb ooit een voorstelling gemaakt over Syriëgangers, toen heb ik me ook verdiept in wat jihadisten beweegt. Dus waarom zou ik dat niet doen met de mensen die wij nu ‘nazi’s’ noemen? Dat het lastig is, oké. Deze jongen – ik noem hem Jim, maar zo heet hij niet – zit in een rechtse loop, ziet de hele dag filmpjes en nieuwsberichten waarin de angst voor asielzoekers wordt aangewakkerd. Als je dat weet, is het best logisch dat hij ze niet ziet als mensen, maar als potentiële verkrachters en terroristen. Vanuit hun eigen perspectief zijn die Malieveld-gasten eigenlijk hele moedige jongens, die geloven dat ze opkomen voor hun moeders en hun dochters. Kan ik me daarin vinden? Natuurlijk niet, maar het gevoel snap ik.’
Maar wat nou als dat perspectief grotendeels gebaseerd is op leugens en verdraaiingen van de feiten?
‘Tja, dat is het grote probleem. Sociale media, en ook die Nieuws van de Dag-achtige tv-programma’s, zijn een belangrijke reden waarom mensen radicaliseren. Maar juist daarom is een-op-eencontact zo waardevol. Haat verdwijnt snel als je tegenover elkaar zit. Jim ziet asielzoekers puur als profiteurs, ik kon hem vertellen: bro, geloof me, niemand wil een vluchteling zijn. Waarom zou je je land, je familie en je vrienden achterlaten als je daar geen goede reden voor hebt? Weet je wel wat een jongen uit Afghanistan allemaal heeft moeten doorstaan voordat hij hier aankomt?
‘Ik vertelde hem ook uit eigen ervaring hoe traumatiserend het is om jarenlang in een azc te wonen, en die slopende procedure te moeten doorlopen. De verveling, de angst dat je wordt teruggestuurd. Het hele systeem dat mensen gewoon gek maakt. Ik heb het idee dat hij daar wel van opkeek. Hij zei: dit soort shit wordt mij nooit verteld. Dan antwoordde ik: nee man, komt door je telefoon.’
Heb je omgekeerd ook iets van hem geleerd?
‘Zeker. Jim heeft het gevoel dat hij zijn thuis heeft verloren. Hij zegt: ‘Vroeger kende ik iedereen in mijn wijk, nu niemand meer. Het zijn allemaal migranten, en als ik zeg dat ik daar moeite mee heb, word ik voor racist uitgemaakt.’ Daar zit zijn pijn, en die kan ik best begrijpen. Wat je vaak ziet, is dat het andere kamp daar dan rationele feiten en cijfers tegenover zet. Dat Nederland zonder migranten economisch in elkaar stort, dat de echte harde criminaliteit onder vluchtelingen in werkelijkheid vrij laag is. Is allemaal waar. Maar ja, Jims oma is ooit beroofd door jongeren met een migratieachtergrond, echt op een brute, koelbloedige wijze. Die shit gebeurt óók, en dan snap ik wel dat cijfers je niks zeggen.
‘Een van mijn favoriete zinnen uit deze voorstelling is: als mensen pijn hebben, komt zulke informatie niet binnen, maar voelt het als een aanval. Zijn gevoel is zijn waarheid. Ik denk dat we daar op de een of andere manier iets mee moeten, want partijen als Forum voor Democratie en de PVV varen er wel bij. Ik vind het niet moeilijk om te zeggen dat ik het verschrikkelijk vind dat zijn oma beroofd is, of dat ik het heel rot vind als een vrouw in Ter Apel zich niet veilig voelt in haar dorp. En natuurlijk heeft dat te maken met migratie. Dat kun je toch hardop zeggen?’
Verschillende waarheden kunnen naast elkaar bestaan, betoogt Amini in zijn voorstelling. Het is een overtuiging die niet los te zien is van zijn persoonlijke ontwikkeling. ‘Als kind had ik heel veel woede in me. Ik was óók de jongen die urenlang moppen vertelde als we met de azc-kiddo’s op zomerkamp waren, ik schreef teksten en maakte muziek op mijn laptop, maar daaronder borrelde het. Snel geraakt zijn, meteen op scherp staan als er iets gebeurde. Ik had echt een agressieprobleem. Heb ik nog steeds, maar inmiddels weet ik gelukkig hoe ik ermee om moet gaan.
‘Het was logisch dat ik mijn woede projecteerde op die witte jongens in Rheden. Jullie moeten ons niet? Fuck jullie. Of op Nederland in het algemeen. Ik heb mijn moeder huilend op de grond zien liggen toen die agenten ons kwamen halen. Ze sloten ons op, terwijl we niks hadden gedaan. Ik was een kind! Maar toch…’
Hij staat op, loopt naar de waterkant, steekt een sigaret op.
Maar wat?
‘Maar het is niet het hele verhaal. Ik leed ook onder zaken waar Nederland niks mee te maken had. Een enorm verantwoordelijkheidsgevoel bijvoorbeeld, waar ik me geen raad mee wist. Voor we uit Iran vertrokken had mijn vader gezegd: jij bent straks de man in de familie. Hij zou later naar Nederland komen, maar hij werd vanuit Italië teruggestuurd naar Iran. Toen hij vijf jaar later alsnog kwam, zijn mijn ouders meteen gescheiden. Het was allemaal supercomplex, ik moest veel te vroeg volwassen zijn. Ik heb allebei mijn ouders ook gehaat. En mede daardoor kon ik sommige dingen niet zien.’
Wat voor dingen bedoel je?
‘Nou, dat Nederland ook veel goede kanten heeft, dat er ook lieve mensen wonen. Zoals de IND’er die uiteindelijk haar handtekening onder onze verblijfsvergunning heeft gezet. Dat kwam door het gesprek dat ik met haar had. Mijn moeder werd in de kamer ernaast juist urenlang gebutchered – dat we geen reden hadden om hier te zijn, dat Iran veilig was. We hadden gehoord dat er al een terugvlucht voor ons was geboekt, de druk en de angst in mij was zo groot dat ik vreemd genoeg heel kalm en positief werd. Heb je weleens xtc gebruikt? Zo voelde het. Ik kan dat nog steeds niet goed uitleggen, maar het hielp. Deze vrouw schoof haar toetsenbord aan de kant, volgens mij had ik haar hart te pakken. Ik denk dat ze ook moeder was, en gewoon een kind zag. Op het eind zei ze: ik schaam me soms dat ik bij de IND werk en ik ga er alles aan doen om te zorgen dat jij en je familie kunnen blijven.’
Klopt het, zoals je in Integratieplan #1 zegt, dat ze je ook vroeg waarom je niet had verzonnen dat je gay was?
‘Ja, dan was het een makkelijker verhaal geweest. Ik zei: maar dat kunnen ze toch testen? Toen begon ze heel hard te lachen. Maar wat wist ik, man? Ik dacht: misschien laten ze je dan homoporno kijken om te zien of je opgewonden wordt, of weet ik het.’
Hoe kwam je als ‘trotse hangjongere’ bij het theater terecht?
‘Via een stichting, De Vrolijkheid, die kunst gebruikte om asielkinderen uit hun isolement te halen. Op het azc zag ik steeds een groepje kinderen vertrekken en met gelukzalige gezichten weer terugkomen. Mijn vriendje Ibrahim zei: ‘Bro, we doen iets met theater of zo. Maar er zijn meisjes van andere azc’s, je krijgt gratis eten en je reiskosten worden betaald!’ Ik dacht: yes, sign me up! Niet omdat ik theater serieus nam, ik ben zelfs een tijdje weggestuurd omdat ik zat te klieren, maar ik wilde ook zo’n gelukkig gezicht. En die meisjes ontmoeten, haha.’
Achteraf gezien, zegt hij, is het een sleutelmoment in zijn leven geweest. ‘Weg zijn uit het azc, naar de grote stad Utrecht, waar niemand je ziet als ‘die asielzoeker’ en je niet meer opvalt omdat je een kleurling bent, naar een plek waar je jezelf kunt expressen, waar mensen je zien en er zelfs geapplaudisseerd wordt voor je gekte.
‘Ik kan me nog precies herinneren wanneer het kwartje viel. Via de stichting kwam ik terecht bij amateurtheatergroep DOX, waar we op een gegeven moment de opdracht kregen om iets te maken over een crisismoment in je leven. Het was in de repetitieruimte. Ik had een monoloog gemaakt over het krijgen van die verblijfsvergunning, over het geluk dat we hadden gehad, met als uitsmijter: maar de straf was dat we daarna in Brabant moesten gaan wonen. Nog een trauma erbij, haha.’
Is dat niet een beetje…
‘Discriminerend tegenover Brabanders? Het was een grap, man. En trouwens: al het racisme dat ik heb meegemaakt in de tijd dat we in Chaam woonden... Ze kunnen ’m krijgen hoor. Ik ben geen Gandhi. Maar goed: toen ik klaar was met die monoloog bleef iedereen heel stil naar mij kijken. Ik zag in hun ogen dat ik impact had gehad. Pas daarna gingen ze klappen. Ik dacht: wow… Je weet het nooit, maar misschien was ik wel iets heel anders gaan doen met mijn leven als dat niet gebeurd was. Dus het was een kwestie van geluk. Een van de begeleiders in die stichting, Arash Yaqin, werd een soort mentor voor me. Hij zag iets in mij, en via hem kreeg ik kansen. Hij zorgde ervoor dat ik op mijn 17de in het programma Puberruil terechtkwam en heeft me ook aangespoord om auditie te doen bij DOX. Via die groep ben ik uiteindelijk op de toneelacademie in Maastricht beland.’
Geluk hebben is ook een thema in je voorstelling, met het zinnetje: waarom ik wel, en anderen niet?
‘Ja, dat geeft een schuldgevoel. Veel migranten hebben er last van als ze het hier weten te maken. Een kennis van me vertelde laatst dat hij een ton zou verdienen met een filmrol. Geweldig natuurlijk! Maar hij was juist in een nare staat, stond helemaal te shaken, kon het niet geloven. Toen ik na de toneelschool een beetje succes kreeg en een prijs won, werkte dat op mij ook verlammend. Ik heb lang geen foto’s op Instagram gepost van vakanties of leuke etentjes. Ik filterde mijn leven, omdat ik dacht: mijn Iraanse familie zal nooit een weekend naar Parijs gaan, nooit zo lekker eten.’
Heb je nog steeds last van dat schuldgevoel?
‘Nee, maar het heeft lang geduurd voordat ik inzag dat niemand er wat voor koopt als ik mijn geluk niet kan ervaren omdat een ander het niet heeft. Nu zie ik het als mijn plicht om te genieten van dit uitzicht.’
Van een kanaal in Alphen aan den Rijn?
‘Ja. Had ik destijds een gesprek met een minder aardige IND’er gehad, dan had ik nu in Iran gezeten. Ik kom van een plek waar mensen een nier te koop aanbieden om aan medicijnen voor hun zieke moeder te komen. Nu zit ik hier. Geluk, bro. Je moet daar nederig in zijn. En met dat geluk komt ook een bepaalde verantwoordelijkheid. Althans, zo voel ik het.
‘Toen ik jong was, wilde ik het alleen maar hier maken; geld verdienen, zekerheid. Dat ik in de kunstwereld ben terechtgekomen, zorgt voor een extra dimensie. Ik kan mijn verhaal kwijt, over het onrecht dat ik heb meegemaakt, over wat er volgens mij allemaal misgaat op het gebied van asiel en integratie. Ik heb mijn Insta, een column, mijn voorstellingen. Ik ben zeker niet almachtig, maar ik heb wel een stem.’
Wat gaat er volgens jou niet goed?
‘Heel veel. Dat asielzoekers niet mogen werken en jarenlang opgehokt zitten is een recept voor ellende. Hoe lang kun je kaarten of domino spelen? Maar ik zou beginnen met een betere begeleiding van de mensen die hier komen. En dan heb ik het niet over die fucking domme inburgeringscursus die je moet volgen. Nee, gewoon een soort opvoedingsproces, verplicht, waarin je écht de Nederlandse normen en waarden leert. Dat kan gaan over basale dingen, die je gewoon niet weet. Je weet niet dat je hier niet zomaar moet gaan zingen in de bus, wat in Iran heel normaal is.
‘Of neem huisdieren: een hond was vroeger voor mij een ding waar je stenen naar gooit, hier worden ze beschouwd als een volwaardig familielid. Dus als jij in een lift terugdeinst voor een hond, is het alsof je bij het zien van een kind zegt: ieeuw, gadver! Dat zijn hele logische culturele clashes, maar vaak wel cruciaal. Ben je een moslim? Oké, je God is heilig, maar hier is het heilig dat iemand gay mag zijn en halfnaakt kan rondlopen. Daar ga je mee moeten leven, vriend. En als jij dat niet wil, dan is dit niet het land voor jou. Er is wat bereikt in Nederland, kerk en staat zijn losgetrokken van elkaar, en dat is juist vet.’
Hij ploft weer op het bankje, rolt met zijn schouders, knakt wat botjes. ‘Tegelijkertijd, en dat is de andere kant, vind ik dat wij hier te veel benadrukken dat je bepaalde dingen ook helemaal moet accepteren en in je hart moet sluiten. Ik denk dat dat een overreach is. Je moet het respecteren, dat is genoeg.
‘Mijn zusje is queer, ik heb goede vrienden die gay zijn, ik spring ertussen als ik zie dat een trans persoon wordt lastiggevallen – dat is laatst nog gebeurd. Maar ik heb ook vrienden, en dat zijn trouwens lang niet allemaal migranten, die gewoon moeite hebben met homoseksualiteit. Mensen verschillen, dat verander je niet. En zolang je iemand die homo is maar meeneemt in je taxi, een broodje serveert en gewoon met respect behandelt is het oké, wat mij betreft.’
Je lijkt een afkeer te hebben van wat jij ‘utopisch denken’ noemt.
‘Ik denk dat het contraproductief werkt om van mensen te verlangen: jij móét zo en zo denken. Maar goed, het is ook voor mezelf een proces geweest. Vroeger dacht ik ook rechtlijnig. In de tijd van de terroristische aanslagen in Parijs heb ik iedereen die ineens ‘Je suis Charlie’ riep, uitgemaakt voor racist. Ik vond het hypocriet; waarom raakt dit jullie zoveel harder dan de duizenden doden die in het Midden-Oosten vallen?
‘Later heb ik daarvoor mijn excuses gemaakt, bij het radioprogramma Spijkers met Koppen. Want ik zeg niet dat het goed is om meer empathie te hebben met mensen die op jou lijken, maar het is heel menselijk. Het komt gewoon dichterbij. Ik ervaar het zelf nu Iran wordt gebombardeerd. Dat raakt me op een heel ander niveau dan wat er destijds in Parijs gebeurde.’
Kun je iets vertellen over dat proces? Hoe is het gekomen dat je minder rechtlijnig bent gaan denken en zo graag beide kanten van een verhaal belicht?
‘Pfffff... ouder worden. Therapie. Daar ben ik in 2018 mee begonnen, maar in de coronatijd ben ik echt zwaar depressief geraakt. In eerste instantie kwam dat doordat ik niet meer kon werken. Maar mijn god, ik wist niet wat me overkwam. Je bent een volwassen vent, sterk, en het enige wat je wil is huilend in je mama’s armen liggen.
‘Toen ben ik het echt áángegaan, wat eng was, maar ook goed. Naar mijn trauma’s gekeken, de PTSS kwam aan het licht. Ik zag duidelijker wat ik al die tijd had weggestopt, weggeneukt en weggeblowd. Ik had een wietverslaving, daar heb ik ook mee gedeald. Het heeft me ongelooflijk veel opgeleverd. En een van die dingen is dat ik, voor mijn gevoel, wat eerlijker ben gaan kijken naar mezelf, en daarmee ook naar zaken als racisme en de manier waarop wij het debat voeren. Zoals ik in de voorstelling zeg: trauma kan leiden tot valse perspectieven.’
Heb je daar een voorbeeld van?
‘Dat proces is nog steeds gaande, hè. In Integratieplan #1 zit een scène over microagressie, waar ik nu eigenlijk niet meer achter sta. Het ging over witte vrienden die me vroegen ‘waar kom je vandaan?’, en over een jongen die me complimenten gaf voor mijn werk, maar me verwarde met een andere allochtone theatermaker. Ik vertel hoe hard dat me raakte, dat ik het idee kreeg: ik zal hier nooit écht worden toegelaten. Wat deels ook wáár is, hè. Maar inmiddels besef ik: dat is míjn wond. En het is mijn verantwoordelijkheid om naar die wond te kijken.
‘Door mijn verleden heb ik het gevoel dat ik nergens bij hoor. Maar je kunt de opmerkingen die toen mijn avond verpestten ook anders bekijken. Als oprechte interesse, of als een onbenullig foutje. Ik haal zelf aan de lopende band witte mensen door elkaar. Tot een paar maanden geleden kon ik André van Duin niet onderscheiden van Freek de Jonge. Wat ik zei: verschillende waarheden kunnen naast elkaar bestaan.’
Je lijkt er plezier in te scheppen om politiek correct links een beetje te kietelen. Je weigert bijvoorbeeld om de term ‘mensen met een migratieachtergrond’ te gebruiken, want ‘dan duurt je voorstelling een half uur langer’.
‘Het slaat toch nergens op, bro. Het is toch veel te lang? Ik vind het grappig om daar mee te spelen. Het is een term die over míj gaat. Dus wat kunnen de witte mensen die bij mij in de zaal zitten terugzeggen?’
Hij pakt zijn laatste sigaret, knijpt het pakje fijn. ‘Je kunt zoiets zien als kritiek op ‘woke’, maar het gaat eigenlijk over een klein deel ervan: de puristen. Mensen voor wie het een ideologie is geworden, een gesloten denksysteem dat ze bewaken alsof hun leven ervan afhangt.
‘Ken je de komiek George Carlin? Hij is helaas dood, maar hij zei het mooi: als je een ideologie omarmt, word je dommer. Je trekt een T-shirt van je eigen club aan, spreekt alleen nog mensen die exact hetzelfde vinden als jij, en zodra je kritiek krijgt maak je het superpersoonlijk. Dat geldt net zo goed voor een groot deel van rechts natuurlijk. Nuance is radicaal aan het worden, wordt steeds meer bestraft. Het is: hoor je bij mijn tribe of bij de andere? Wie zegt: ‘Ik begrijp je, maar ik begrijp hen ook’ heeft niet zo’n prettige positie.’
Dan onderbreekt hij zichzelf. ‘Tegelijkertijd… Ik sprak een tijdje geleden een trans persoon die me vertelde hoe blij ze is met de wokebeweging. Ze zei: op mijn werk word ik niet meer de hele tijd bevraagd over mijn geaardheid, en op straat spugen ze alleen nog maar naar me. Waarmee ze bedoelde dat ze minder te maken had met fysiek geweld. Zij dan, hè. Toen dacht ik: fuck mij en mijn kritiek op woke.’
In de scène waar je het net over had, over microagressies, voer je ook iemand op die zegt dat hij het jammer vindt dat je als maker in het ‘etnische hoekje’ blijft. Een zwarte vriend zegt dat je eigenlijk een ‘mascotte’ bent. Is dat een pijnpunt?
‘Gewéést. Niet meer. Het zijn het soort vragen die vanzelf opkomen. In het begin merk je dat je vluchtelingenverhaal mediageniek is. Na een tijdje komen er vragen van journalisten en mensen uit het veld: hoelang blijf je dit soort persoonlijke verhalen vertellen? In de tijd van mijn depressie heb ik me daardoor een beetje laten manipuleren. Ik heb toen ook een voorstelling geschreven waarin ik mezelf eraan probeerde te ontworstelen, maar dat mislukte eigenlijk. Voor het eerst had ik echt het gevoel dat ik gefaald had. Die show is er gelukkig ook nooit gekomen.
‘Niet lang daarna heb ik, tijdens een autorit, een soort openbaring gekregen – ik kan het niet anders noemen. Ik dacht ineens: wat is er mis mee dat mensen interesse in me hebben omdat ik een vluchteling ben? Dat is niet alles wat ik ben, maar het is één van mijn identiteiten. Dus doe niet zo moeilijk, vertel gewoon je verhaal. De bagage die je met je meesleept is niet alleen de jouwe, anderen kunnen er ook wat aan hebben. Dat inzicht heeft veel ruis in mijn hoofd weggehaald, ook de schaamte die ik soms voelde. Het heeft ertoe geleid dat ik cabaret ben gaan maken. Het is echt een zegen geweest.’
Heeft therapie daar een rol in gespeeld?
‘O ja man! In alles. Er zijn meerdere mensen die me in die tijd hebben gesteund en aan wie ik zoveel te danken heb. Door het kijken naar mijn eigen trauma’s heb ik de band met allebei mijn ouders kunnen herstellen, hebben we kunnen praten en ben ik gaan inzien hoe moeilijk zij het hebben gehad. Je zou ons eens moeten zien, hoe harmonieus we met elkaar omgaan. Echt, het is alsof ik heb gewonnen van het leven, alsof ik die game heb uitgespeeld.
‘Dat wil niet zeggen dat mijn trauma’s weg zijn, sommige dingen zullen altijd blijven. Door hoe ik ben opgegroeid, heb ik een soort antenne voor gevaar gekregen, ook als het er niet is. Als iemand een onverwachte beweging maakt of plotseling in mijn blikveld verschijnt, kan ik soms nog steeds in één klap helemaal op scherp staan, klaar om terug te slaan. Maar inmiddels zakt het ook weer snel weg. Ik heb mijn machine door, en dat is het allerbelangrijkste. Daarom kon ik in deze voorstelling ook zeggen – voor het eerst, óóit: het gaat goed met mij. Niet met Nederland, niet met de wereld, maar wel met mij.’
1989 Geboren in Teheran, Iran.
2000 - 2006 Woont in azc’s in Rheden en Nijmegen.
2007 - 2009 Lid van theatergroep DOX.
2009 - 2014 Opleiding aan de Toneelacademie Maastricht.
2013 Hoofdrol in korte film The Sacred Defense, die genomineerd werd voor een studenten-Oscar.
2014 Voorstelling Nobody Home, geselecteerd voor het Nederlands Theater Festival.
2016 Medeoprichter van productiehuis Black Sheep Can Fly.
2017 Voorstelling A Seat at the Table, in 2019 bekroond met de Toneelschrijfprijs en genomineerd voor de BNG Bank Theaterprijs.
2018 Theatersolo Samenloop van omstandigheden. Medescenarist van A KISS, uitgeroepen tot beste korte film op het Cinekid-festival, geselecteerd voor de Gouden Kalf Competitie op het Nederlands Film Festival.
2018 Theatervoorstelling In het Hol van de Leeuw.
2020 Nominatie voor de Edison Popprijs in de categorie Videoclip, voor het nummer Laat me toe.
2022-2023 Cabaretdebuut met Integratieplan #1. De voorstelling werd genomineerd voor de Neerlands Hoop-prijs en door NRC uitgeroepen tot de beste cabaretvoorstelling van 2022.
2023 Winnaar van de Charlotte Köhler-prijs.
2024 Nominatie voor de Gieskes-Strijbis Podiumprijs.
2025 Voorstelling Onaantastbaar.
2025-2026 Voorstelling Integratieplan #2 - Alles is perspectief, geselecteerd voor het Nederlands Theater Festival in september 2026.
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant