Home

Excuses voor de oorlog tegen Indonesië zijn alleen geloofwaardig als ze consequenties hebben

Indonesië Nederland probeert al heel lang in het reine te komen met het Indonesische oorlogsverleden. Frank Vermeulen reconstrueerde de zaak van één van de meer dan honderdduizend burgerslachtoffers. Een mentaliteitsverandering bij Defensie is hard nodig.

Een Nederlandse patrouille trekt langs een sawah in Indonesië.

Toen het middaguur naderde op zondag 20 december 1948 nam Masdoelhak Nasoetion zijn drie zoontjes bij zich op het bankje naast de deur naar het terras. Buiten klonken geweerschoten. Om de kinderen af te leiden, las Masdoelhak ze voor uit de grappige Avonturen van Tante Pollewop(1948) van Godfried Bomans. Masdoelhak was na zijn studie in Nederland adviseur van de Indonesische vicepresident Mohammad Hatta geworden. Zijn vrouw, Adriana van der Have, was twee dagen daarvoor bevallen van een vierde zoontje in het ziekenhuis in Yogyakarta, op dat moment hoofdstad van de Republiek Indonesië. Maar ze had kraamvrouwenkoorts en dus moest ze nog in het ziekenhuis blijven. Op 19 december had Masdoelhak vanaf Kaliurang, een vakantiedorp op de helling van de vulkaan Merapi bij Yogyakarta, kunnen zien hoe Nederland de stad aanviel. Jachtbommenwerpers hadden geschoten op alles wat bewoog. Paratroepers hadden het vliegveld ingenomen en de hele dag waren troepen aangevoerd.

Frank Vermeulen was correspondent Jakarta voor NRC. In 2023 publiceerde hij Over Indië: herinneringen aan Indonesië in de koloniale tijd.

Vrijdag 26 juni verschijnt zijn nieuwe boek Masdoelhak en Adriana, of de toegedekte moorden van de Indonesiëoorlog.

En nu rukten Nederlandse militairen op naar Kaliurang, waar Indonesië en Nederland sinds januari 1948 onder auspiciën van de Verenigde Naties hadden onderhandeld over de gezagsoverdracht. De kinderen luisterden naar hun vader toen op de deur werd gebonsd. Het was intussen een uur of drie in de middag en buiten regende het. Masdoelhak opende de deur. „Hij kreeg onmiddellijk een kolf van een geweer in zijn gezicht”, vertelt zijn oudste zoon Sinar later. Tigor, de tweede, weet nog dat zijn vader geschopt werd, toen hij buiten op het terras lag. En dat hij door twee soldaten werd weggevoerd. Dat was het laatste wat de kinderen van hun vader zagen.

Achteraf werd duidelijk dat de soldaten van het Korps Speciale Troepen Masdoelhak en twee anderen een dag later zonder vorm van proces buiten het dorp hadden vermoord. Adriana van der Have schreef wanhopige brieven aan een vriendin in Nederland: „Masdoel is verdwenen, vermoedelijk vermoord. Mijn God, laat het niet waar zijn! Ik kan niet meer verder schrijven. […] Hoe, in Godsnaam! Alles was zo mooi en wij waren zo gelukkig en wij hadden zó naar ons nieuwe kindje verlangd en nu zal hij zijn vader zelfs nooit kennen.”

‘Indische doofpot’

De weduwe spande nadat Nederland de aftocht had geblazen in 1950 een zaak aan tegen de Nederlandse staat om te worden gecompenseerd voor het verlies van haar echtgenoot. Ze won: de rechtbank in Den Haag stelde Nederland verantwoordelijk voor het doden van Masdoelhak. Vervolgens trof de staat in hoger beroep een schikking met de weduwe. Zij ontving een aanzienlijke schadevergoeding, maar de staat wees verantwoordelijkheid voor het doden van haar man af en zij moest verder zwijgen. De zaak verdween in de beruchte ‘Indische doofpot’, waarover Maurice Swirc, redacteur van De Groene Amsterdammer, vier jaar geleden een grondig onderzoek publiceerde.

Het heeft lang geduurd voordat Nederland begon aan systematisch onderzoek van het eigen oorlogsverleden in Indonesië. Bijna tien jaar geleden schreef socioloog Abram de Swaan in De Groene over de ”postkoloniale absences” waar dit land door wordt geteisterd: telkens opnieuw worden de oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlandse militairen tijdens de Indonesië-oorlog ontdekt en weer weggemoffeld, omdat „we niet willen weten wat we al weten”.

Nederland is sindsdien een eind gekomen. In 2017 werd een uitgebreid onderzoek opgetuigd: Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950, een onderzoeksprogramma van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie en het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Vier jaar geleden werden de belangrijkste resultaten gepresenteerd, twaalf boeken zijn verschenen, een onderzoek naar de militaire rechtspleging is nog onderweg. Daarna kwam de politiek aan het woord.

In de Indonesische hoofdstad Jakarta sprak koning Willem-Alexander in 2020 excuses uit, al voordat het onderzoek in 2022 verscheen. En toen dat zover was, bood toenmalig premier Mark Rutte (VVD) alle betrokkenen en getroffenen in Nederland en Indonesië nog eens excuses aan. Sinds het kabinet-De Jong in 1969 was bekend dat Nederlandse soldaten zich schuldig hadden gemaakt aan oorlogsmisdrijven. Die heetten toen nog ”excessen”. De Excessennota concludeerde dat de Nederlandse krijgsmacht „zich behoudens een aantal excessen als geheel correct had gedragen”. Rutte corrigeerde dat standpunt ruim een halve eeuw later en erkende dat het Nederlandse leger „als instituut” zich schuldig had gemaakt aan ”structureel grensoverschrijdend geweld”, oorlogsmisdrijven dus. De Tweede Kamer nam in 2023 die conclusie over.

Maar sindsdien lijkt Nederland weer weg te zakken in een volgende postkoloniaal geheugenverlies. Het feit dat de oorlog tegen Indonesië het einde markeerde van 350 jaar Nederlandse koloniale exploitatie van die archipel heeft geen consequenties. Dat geldt ook voor het feit dat het ‘structureel extreem geweld’ wortelde in talloze bloedige veldtochten gedurende de laatste anderhalve eeuw van Nederlandse overheersing. Overigens een gegeven dat de regering in 2022 buiten beschouwing liet.

Klewang

Sterker, van het in dat jaar officieel uitgesproken staatsberouw blijkt in het regeringsapparaat weinig doorgesijpeld, met name niet in de mentaliteit op het ministerie van Defensie. Zo was Nederland dit voorjaar bij het aantreden van het nieuwe kabinet-Jetten getuige van de ceremoniële overhandiging van de ‘klewang’, een korte Indonesische sabel, door de aftredende minister van Defensie Ruben Brekelmans (VVD) aan zijn opvolgster Dilan Yesilgöz (VVD). De Defensiekrant brengt de ‘marechausseeklewang’ in verband met de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie voor de Koninklijke Marechaussee.

Maar dit tegenwoordige legeronderdeel heeft afgezien van de naam, geen relatie met het Korps Marechaussee van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Dat korps ontwierp eind negentiende eeuw een korte sabel, afgekeken van de Indonesische klewang, die praktischer was in van-man-tot-man-gevechten in de jungle in Atjeh, Noord-Sumatra. Voor zover valt na te gaan, is de ceremoniële overhandiging van dit koloniale symbool bij het aantreden van een nieuwe minister van Defensie, begonnen door Henk Kamp (VVD) die in het staartje van het Kabinet-Rutte III (2017-2022) nog vier maanden minister van Defensie was. Zijn voorgangster Ank Bijleveld (CDA) heeft verklaard dat die ceremonie in haar tijd niet bestond. Als het niet zo pijnlijk was, zou je bijna denken dat het een practical joke was van de VVD-bewindsman, immers een maand later zou Rutte zijn „diepe verontschuldigingen aanbieden aan het volk van Indonesië”. De ‘invented tradition’ met de klewang wekt twijfel aan de oprechtheid van de politieke excuses. Op zijn minst is de ceremonie toondoof.

Binnen de Defensie-cultuur is dat niet uitzonderlijk. Zo zijn de vaandels van de meeste legeronderdelen voorzien van opschriften die terugverwijzen naar ‘moedige’ acties tijdens de oorlog in Indonesië. Dit is geen bijzaak: militaire vaandels zijn volgens Defensie ”het symbool van trouw aan het staatshoofd en van de verbondenheid en eer van de vaandel voerende eenheid”.

Het vaandel van het Korps Commandotroepen, dat voortkwam uit het Korps Speciale Troepen (KST, het onderdeel dat optrad in Kaliurang), draagt sinds 2002 eervolle vermeldingen van acties in Zuid-Sulawesi, waar onder leiding van kapitein Raymond Westerling een beruchte contraterreuroperatie werd uitgevoerd, verder bij Yogyakarta op Midden-Java, en op Midden-Sumatra. Het gaat om bloedige acties van het KST die allemaal terecht zijn gekomen in de Excessennota. Maar uit de teksten op de site van de Defensie blijkt dat men bij de krijgsmacht trots is op dat optreden. ”Waar de gewone infanterie het niet aankon, zuiverden de commando’s onrustige gebieden”, staat er. En: ”Daarbij werden intimidaties en hard optreden, tot en met gewelddadige ondervragingen en executies aan toe, niet geschuwd”. De luchtlandingsactie bij Yogyakarta, operatie Kraai, door het KST was volgens Defensie ”succesvol” en”spectaculair”. Was de koning aan het jokken toen hij zijn excuses uitsprak in Jakarta?

Het was die operatie waarbij Masdoelhak en vele andere werden omgebracht, een operatie waarbij Nederland het bestand met de Republiek schond, die een maand later door de VN-Veiligheidsraad streng werd veroordeeld en die leidde tot het opstellen van de Van Roijen-Roem verklaring op 7 mei 1949, die de blauwdruk was voor de gezagsoverdracht aan Indonesië op 27 december dat jaar. Waar het om gaat, is dat de hele Nederlandse inspanning om in het reine te komen met het koloniale verleden te beginnen met de oorlog tegen Indonesië, het onderzoek, de erkenning en de excuses, alleen geloofwaardig is als het niet bij woorden blijft.

Excuses moeten consequenties hebben. Bijvoorbeeld voor de mentaliteit of de cultuur bij Defensie. Zo’n verandering tot stand brengen is vaak ingewikkeld, maar gelukkig is de krijgsmacht een hiërarchisch geleide organisatie, dus het komt aan op het eenvoudige bevel om koloniale fratsen als klewangs en vaandels met verkeerde opschriften op te bergen in het Nationaal Militair Museum. De archaïsche teksten op de Defensie-website kunnen de slimme mensen van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie updaten. En, ja, de nabestaanden wachten nog steeds op de officiële erkenning van het kabinet dat Nederland verantwoordelijk is voor het doden van Masdoelhak Nasoetion.

Indonesië

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next