Op het Indonesische eiland Ambon hebben veel bewoners een vader of grootvader die in het koloniale KNIL-leger heeft gediend. Veel van hen stapten – anders dan de Molukkers die 75 jaar geleden in Nederland arriveerden – over naar het Indonesische leger of werden boer. ‘KNIL-militairen staan nog steeds in hoog aanzien hier.’
is correspondent Zuidoost-Azië van de Volkskrant. Hij woont in Indonesië.
Op de kade van Ambon-Stad, aan een wonderschone baai omringd door groene heuvels, wachten Indonesiërs geduldig op een volgende veerboot. Het was hier, in 1950, dat angstige Nederlanders en Molukkers zich verdrongen voor een plaatsje aan boord van het laatste Nederlandse transportschip Kota Inten. Zij voelden zich niet meer veilig, nadat lokale leiders – gepusht door opstandige KNIL-militairen – de Zuidelijke Molukken onafhankelijk hadden verklaard van de nieuwe Republiek Indonesië.
‘Mijn vader en moeder stonden al met hun koffers op de kade’, zegt de 59-jarige Juniske Tahitoe, die een muziekcafé runt in Ambon-Stad. ‘Mijn oma haalde hen op het laatste moment over om in Indonesië te blijven.’ Tahitoes grootvader en vader waren beiden soldaat in het koloniale KNIL-leger. Opa vocht na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1945 tegen het Indonesische leger; vader nam ontslag. ‘Zij keerden na de onafhankelijkheidsoorlog terug naar Ambon. Mijn opa ging met pensioen en bouwde een huis, mijn vader werkte tot zijn pensioen op het postkantoor.’
Dit soort verhalen ontbreken als premier Rob Jetten zondag een monument onthult aan de Rotterdamse Lloydkade – ruim 12 duizend kilometer van Ambon – ter nagedachtenis aan de eerste Molukse KNIL-soldaten en hun gezinnen die daar in 1951 met de Kota Inten arriveerden. Mogelijk biedt Jetten ook namens de regering excuses aan voor de slechte behandeling en gebroken beloften die deze groep ten deel vielen. Het roept de vraag op: hoe verging het de duizenden Molukse KNIL-soldaten die besloten te blijven in Indonesië?
‘Mijn vader ging uit dienst en kocht 6 hectare land van zijn spaargeld als KNIL-militair’, zegt curator Ronaldo Matitaputty van het Siwalima Museum voor Molukse geschiedenis en cultuur. ‘Hij plantte kruidnagel, nootmuskaat, mango en ontving ook nog een pensioen.’ Dat zijn vader ooit voor de Nederlanders had gevochten, was geen probleem op Ambon. ‘KNIL-militairen staan nog steeds in hoog aanzien hier. Die baan kreeg je niet zomaar.’ Ook KNIL-militairen die overstapten naar het Indonesische leger, hun voormalige vijand, ondervonden volgens onderzoekers weinig discriminatie. Wel moesten zij vaak genoegen nemen met ondersteunende taken.
Volgens emeritus hoogleraar Fridus Steijlen (VU Amsterdam), die al decennialang onderzoek doet naar de Molukse gemeenschap in Nederland, en naar de kennis hierover in Indonesië, telde het KNIL tijdens de soevereiniteitsoverdracht eind 1949 ongeveer 65.000 militairen. Ongeveer 27 duizend van hen accepteerden een baan bij het Indonesische leger, onder wie ruim duizend Molukkers. Nog eens 17.400 militairen, inclusief Molukkers, lieten zich demobiliseren op een plaats naar keuze; 1.600 Molukse militairen werden op Ambon ontslagen wegens rebellie en 3.423 Molukse militairen – die elders waren gelegerd – werden met hun gezin ‘tijdelijk’ naar Nederland gehaald.
‘Het algemene beeld dat Molukse KNIL-militairen principieel weigerden over te stappen naar het Indonesische leger klopt dus niet’, mailt Steijlen. Duizenden verruilden hun uniform voor burgerkleding en bouwden een nieuw bestaan op in eigen land. De onderzoeker is benieuwd hoe eventuele excuses zullen worden geformuleerd. ‘Het zou goed zijn als de regering iets zou zeggen over het paternalisme waarmee Molukkers na aankomst werden behandeld en hoe niemand nadacht over de vraag hoe hun tijdelijke verblijf kon worden beëindigd.’
In Ambon-Stad wapperen overal grote Nederlandse vlaggen. Motortaxichauffeurs rijden rond in oranje voetbalshirts, meisjes dragen rood-wit-blauwe make-up en op veel muren prijkt de Nederlandse leeuw. De stad maakt zich op voor de wedstrijd Nederland-Zweden, die zondag (lokale tijd) massaal zal worden bekeken op het grote plein voor het stadhuis. Sinds de Moluks-Nederlandse voetballer Simon Tahamata in de jaren tachtig schitterde op het wereldtoneel, kleurt Ambon oranje tijdens grote toernooien. Dat Nederland het eiland lang heeft gekoloniseerd, doet er volgens veel fans niet toe. Dit gaat over sport, klinkt het, niet over politiek of geschiedenis.
Sommige Molukse voormalige KNIL-militairen bleven niet in Nederland. ‘Ik ben geboren in Oosterhesselen, Drenthe’, zegt de 72-jarige Noor Tamaela op de campus van de Pattimura Universiteit, waar zij nog steeds les geeft. ‘Ik had een prettige jeugd, maar mijn vader voelde zich niet vrij in Nederland. Hij ging terug toen ik 14 was.’ Met tegenzin ging Tamaela mee, totdat zij in Ambon arriveerde. ‘Het voelde als één grote familie.’
Met twintig andere terugkeerders zit zij nu in een appgroep. ‘Laatst deelden we berichten over dat nieuwe monument in Nederland. De reacties waren positief, al komt het gebaar wel laat, mijn vader is allang dood.’ Die had aan zijn huis op het Molukse eiland Seram, herinnert Tamaela zich, pontificaal een bord gespijkerd met de Nederlandse tekst ‘Oost west, thuis best’. In totaal keerden circa 2.500 Molukse Nederlanders terug naar Indonesië.
Eén ervaring was gelijk aan beide havenkades: KNIL-veteranen zwijgen liever over hun verleden. ‘Sudahlah... (laat maar zitten), zei mijn vader dan’, verzucht café-eigenaar Tahitoe. ‘Waarom slechte herinneringen oprakelen?’ Haar vader Frits belandde in de jaren zeventig nog twee jaar in een cel, op verdenking van hulp aan de Zuid-Molukse onafhankelijkheidsbeweging. ‘Hij sprak soms Nederlands op het postkantoor om Nederlandse Molukkers bijvoorbeeld te helpen met geld overmaken. Dat vonden zijn collega’s verdacht.’ Ook over die ervaring zweeg Frits liever.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant