Haar grootmoeder is de beroemde schrijver Vita Sackville-West, de tuinen van familiekasteel Sissinghurst trekken tuiniers van over de hele wereld. Daar vertelt Juliet Nicolson over Het huis vol dochters, een getroubleerd en sappig upperclassverhaal over de vrouwelijke lijn van haar familie.
is correspondent Groot-Brittannië van de Volkskrant. Hij woont sinds 2003 in Londen.
Vita Sackville-West overleed ruim zestig jaar geleden, maar voor haar kleindochter is ze nooit echt gestorven. ‘Ze is nadrukkelijk aanwezig’, zegt Juliet Nicolson terwijl ze op een zonnige voorjaarsochtend door Sissinghurst Castle Garden loopt, de beroemde tuinen in het graafschap Kent die door haar oma Vita (1892-1962) waren aangelegd. Nicolson groeide hier op, op ‘Siss’, en nog altijd woont ze een deel van de tijd op het landgoed, in een 16de-eeuwse cottage. ‘Ik zag Vita net voor me toen ik langs de tuinschuur liep, het is meer dan een spook.’
Het is ruim voor openingstijd, dus de tuinminnende toeristen zijn er nog niet. De 71-jarige nazaat van de aristocratische schrijver, bohemien en tuinontwerper staat even stil bij Jade, een van de acht hoveniers die de tuinen dagelijks in de geest van Vita verzorgen en tussen het wroeten en snoeien door vragen van bezoekers beantwoorden. ‘Jullie leveren onvoorstelbaar werk’, zegt Nicolson, die hier als kind in hooibergen klom en schuilde in overgroeide bunkers. Jaren later zou ze er trouwen.
Ze brengt een jeugdzonde in herinnering. ‘Ik was dol op mijn lerares Engels, mevrouw Fitzgerald. Een bevlogen docent, die zittend op haar bureau Dickens aan ons voorlas. We konden de gaten in haar sokken zien. Ze leefde op een lekkende woonboot met een alcoholische echtgenoot, in armoede. Ze was naast docent ook schrijver.
‘Tijdens een les sprak ze haar liefde en verlangen uit naar een blauwe bloem. Ik plukte er eentje uit Vita’s tuin, wat absoluut niet mocht. De hel brak los thuis, want het was een zeldzame klaproos, een Himalayaanse. Later schreef Penelope Fitzgerald (1916-2000) The Blue Flower, dat in 2008 door The Observer in de toptien beste historische romans werd geplaatst.’
Nicolson kijkt om zich heen. Haar ogen speuren naar een blauwe klaproos. ‘Hebben we er nog een?’, vraagt ze aan Jade. Ze wordt teleurgesteld. ‘Het is enorm lastig om er een te kweken. Het is te warm. Deze klaproos houdt van kou en vocht.’
De tuin wordt begrensd door een slotgracht, waar ze als meisje tijdens een koude winter werd verpletterd door het gewicht van haar vader, die was uitgegleden op het ijs. ‘Hij schrok zich rot, dacht dat hij zijn dochter had gedood. Ik mocht per se niets tegen mijn moeder zeggen. Het was ons geheim.’
Onderweg naar de South Cottage stapt ze met haar laarsjes over een hoop onkruid. ‘Is dat geen kunstwerk?’ Even later opent ze de antieke deur van de boerderij waar vroeger de slaapkamer was van Vita en waar haar man Harold Nicolson zijn boeken schreef, zijn toespraken, zijn brieven. Sir Harold (1886-1968), geboren in Teheran als zoon van een koloniaal bestuurder, was een diplomaat die in 1919 behoorde tot de Britse delegatie bij de Vrede van Versailles en tijdens de Tweede Wereldoorlog als onderminister diende onder Winston Churchill.
‘Welkom in het huis van de dochters’, zegt Nicolson bij het betreden van de keuken. Regelmatig heeft ze hier haar dochters Clemmie en Flora en haar kleinkinderen over vloer. De enige man in het huishouden is haar tweede echtgenoot, Charlie Anson. De oud-diplomaat diende als perssecretaris onder Margaret Thatcher, tijdens de Falklandoorlog, en onder Queen Elizabeth, onder meer tijdens haar annus horribilis 1992. ‘Thee of koffie?’, vraagt de 82-jarige terwijl hij de Sissinghurst-mokken klaarzet, afkomstig uit de museumwinkel.
De smalltalk gaat over de actualiteit. Over de oorlog in Iran, waar Anson in 1978 als jonge diplomaat gegijzeld zat op de Britse ambassade. En over het staatsbezoek van de koning aan Amerika. ‘Ik vergezelde zijn moeder 35 jaar geleden tijdens haar staatsbezoek’, vertelt Anson. Nadat de koffie is gezet en opgewarmde bolletjes zijn opgediend, gaat hij de ‘stinkende labrador’ Pan uitlaten, zodat zijn vrouw in alle rust kan praten over haar boek A House Full of Daughters, onlangs in het Nederlands vertaald als Een huis vol dochters.
In dit boek, in het Verenigd Koninkrijk verschenen in 2016, beschrijft Nicolson, die van huis uit sociaal historicus is, de ervaringen van zeven generaties dochters aan de hand van haar eigen familiegeschiedenis, van betovergrootmoeder Pepita Duran (1830-1871) tot haar oudste kleindochter Imogen (2013). Het onderzoek komt mede voort uit de drang van de Sackville-Wests om hun levens vast te leggen. ‘Soms fantaseer ik dat al die vrouwen om deze keukentafel zitten om hun ervaringen uit te wisselen, te praten over hun levens. Een beetje zoals in de film All of Us Strangers.’
De familiegeschiedenis begint met Pepita, die werd geboren in een achterbuurt van Málaga en uitgroeide tot de beroemdste flamencodanseres van Europa. Haar huwelijk met een Spanjaard liep stuk, mede door bezitterig gedrag van haar moeder. Als katholiek kon ze niet scheiden, zodat ze nooit kon trouwen met de man van haar dromen: Lionel Sackville-West. Met deze diplomaat kreeg ze zes kinderen. Door haar sociale status was Pepita een paria in het Zuid-Franse dorp waar ze woonde. Bij de geboorte van het zesde kind, een miskraam, stierf ze in eenzaamheid. Lionel zat in Parijs, waar hij werkte.
Haar oudste dochter Victoria (1862-1936) werd geschoold door de nonnen in Parijs, terwijl haar vader in Argentinië werkte. Toen hij een hoge post kreeg in Washington werden vader en dochter herenigd. Ze schitterde daar in de high society en werd zelfs ten huwelijk gevraagd door de president. Ze was een grote steun voor haar vader, voor wie ze een surrogaatechtgenote was.
Terug in Engeland trouwde ze op Knole, de familiezetel in Kent, met een andere Lionel, een neef die haar een kind schonk: Vita. Het huwelijk liep stuk omdat ze na een pijnlijke bevalling niet weer zwanger wilde worden, getraumatiseerd door Pepita’s dood.
Vita is de bekendste persoon uit het boek, een vrijgevochten vrouw die een open huwelijk had met haar man Harold. Haar grote liefde betrof Knole. Niemand kende het 365 kamers tellende landhuis (voor elke dag een kamer) in Sevenoaks beter dan zij, maar als dochter kon ze het niet erven.
Met haar man kocht ze Sissinghurst Castle, 38 kilometer van Knole. Ze toverde het vervallen sprookjeskasteel om tot een van de mooiste tuinen van Engeland. Victoria was niet dol op haar dochter, die onder meer een relatie zou krijgen met Virginia Woolf. Ze vond haar vreemd. Vita was een vaderskind, net als haar moeder.
Vita’s oudste zoon Nigel (1917-2004), een uitgever (van Weidenfeld en Nicolson) en politicus, trouwde met Philippa, een ongeschoolde dochter uit de middenklasse en nazaat van de schrijver Alfred Tennyson. Het was een gedoemd huwelijk omdat Philippa niet kon voldoen aan de intellectuele eisen van haar man.
Dat hij seks eng en vies vond, hielp evenmin. Philippa bracht steeds meer tijd door met rijke familievrienden in Saint-Tropez, waardoor de kinderen Juliet en Adam vooral door hun vader en diverse kinderoppassen werden opgevoed. Drank werd een andere ontsnappingsroute voor Philippa – en haar voortijdige dood.
‘De moeizame relaties tussen moeders en dochters is een constante in onze familiegeschiedenis’, stelt Nicolson vast, ‘en daarin speelt rivaliteit en jaloezie mee.’ Pepita’s moeder was bijvoorbeeld als de dood om haar succesvolle dochter te verliezen. ‘Mijn eigen eigen moeder wilde niet dat ik in Oxford ging studeren.’
De vrouwen waren ook slachtoffers van hun tijd, hadden het vaak moeilijker dan mannen. ‘Wat als Pepita gewoon toestemming van de kerk had gekregen om te scheiden? Wat als Vita openlijk had kunnen rouwen over haar doodgeboren tweede kind? Wat als mijn onzekere moeder ook na haar 14de onderwijs had kunnen genieten?’
Ze pakt een zwart-witfoto waarop ze als klein meisje staat met Vita en haar moeder. ‘Vita had een zwak voor mijn moeder. Mijn moeder was ook een schattige vrouw. Ze was geestig, kwetsbaar, knap, een geweldige kok, levendig. Ze zocht naar acceptatie, maar zou die niet vinden.
‘Mijn moeder groeide op in de schaduw van de Eerste Wereldoorlog, waarin zo veel jongemannen waren gestorven. In de jaren erna werden jongens belangrijker gevonden dan meisjes; haar broers kregen alle liefde en aandacht. Ze zag in mijn vader Nigel een ontsnappingsroute, maar het was een val. Nigel probeerde haar gelukkig te maken, maar hij kon het niet.’
Zelf heeft Juliet ook tegen haar demonen gevochten. Haar eerste huwelijk, met James, een financier, strandde tijdens hun Amerikaanse jaren. Ze had affaires, raakte overwerkt in de uitgeverswereld en werd net als haar moeder alcoholist, wat leidde tot opname in een kliniek.
‘Het eerste wat de arts zei, was dat mijn leven veertien jaar had stilgestaan en dat ik die jaren zou terugkrijgen. Dat opende mijn ogen. Ik was vastbesloten om niet de fouten te maken van mijn ‘voormoederen’, om de ban te breken. Clemmie en Flora hadden me nodig, en zij hebben me geleerd mezelf te vertrouwen. Ik heb al 28 jaar niet gedronken.’
Elke generatie denkt anders, zegt ze. ‘Wij zitten hier nu informeel aan deze tafel. Mijn moeder zou dit interview hebben gedaan in de zitkamer, een stuk formeler met thee op een dienblad.’
Er wordt op de deur geklopt. ‘Do come in’, roept ze, waarna drie mannen van de National Trust binnenkomen, om te kijken naar een mogelijke eekhoornplaag onder het dak.
Deze Britse versie van monumentenzorg kreeg vijf jaar na Vita’s dood het beheer over Sissinghurst Castle Garden, simpelweg omdat de erfbelasting te hoog was. Juliet en Adam hebben er privévertrekken, waaronder South Cottage. ‘Alleen in januari en februari moeten we dit huis uit, zodat bezoekers Vita’s slaapkamer kunnen zien. In ruil voor het ongemak kunnen we hier de rest van het jaar goedkoop wonen. Zal ik je een tour geven?’
Familiestamboom
Pepita Duran (1830-1871) x (de oude) Lionel Sackville-West (1827-1908).
Victoria Sackville-West (1862-1936) x (de jonge) Lionel Sackville-West (1867-1928).
Vita Sackville-West (1892-1962) x Harold Nicolson (1886-1968).
Philippa Tennyson-d’Eyncourt (1928-1987) x Nigel Nicolson (1917-2004).
Juliet Nicolson (1954) x James Macmillan-Scott (1954).
Clementine Macmillan-Scott (1981) x David O’Rorke (1981).
Imogen O’Rorke (2013).
Het bed van Vita is keurig opgemaakt, klaar voor Juliets dochter Flora die op bezoek komt. Wie op bed ligt, tuurt naar de Tudor-balken. ‘In deze kamer wordt gespookt, voel je het?’, vraagt ze. ‘Mijn vriendin Jeanette Winterson, de schrijver, voelde dat meteen toen ze hier kwam logeren. Ze sliep met een kaars aan, wat voor een spook een teken van vriendschap is.
‘Ik heb hier ooit een televisie neergezet en die ging meteen uit. De plaatselijke monteur kende mijn oma en zei dat ze de televisie niet zou hebben gewaardeerd. Hij deed de knop weer aan en het apparaat bleef werken. Vita had haar punt gemaakt.’
We dalen af naar de studeerkamer waar haar opa en haar vader hebben gewerkt en waar ze nu zelf haar boeken schrijft. Aan de muur hangt een foto van de jonge Paul McCartney, haar buurtgenoot in haar andere huis. Op het bureau ligt een libretto van Pepita, voor een pond gekocht op eBay, en een manuscript van een fotoboek dat ze met haar neef Robert Sackville-West, de kasteelheer van Knole, samenstelt.
Honderden boeken staan er in de kamer. ‘Dat hadden de boeken van Harold moeten zijn, maar de National Trust heeft die opgeslagen, omdat ze ons niet vertrouwen. We hopen ze ooit terug te krijgen.’
Na een bezoek aan de wc, waar een ingelijst krantenbericht hangt over Nigel die in 2000 een lintje kreeg van koningin Elizabeth, is het tijd voor een wandeling door de tuinen van Sissinghurst, oud-Engels voor ‘Saksen die in het bos wonen’.
Juliet neemt een tekening mee van hoe Sissinghurst er lang geleden uitzag: een besloten hof met binnentuinen. Het was eigendom van de Bakers, een familie van schapenhouders, advocaten en notarissen. Hun leven werd op z’n kop gezet door een vrouw.
‘Nadat ze de troon had betreden kwam Elizabeth I langs met de mededeling dat zij dit landgoed wilde hebben. De Bakers hadden drie jaar de tijd om plaats te maken.’ Een deel van de gebouwen werd afgebroken (de South Cottage bleef staan) en de Bakers lieten een toren bouwen, de toren waarin Vita later zou schrijven en met talrijke vriendinnen de liefde bedreef.
Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) werd Sissinghurst een kamp voor Franse krijgsgevangen, die spraken over een ‘chateau’. Later werd het een opvang voor arme mensen, waarna de natuur en loslopend vee het overnamen.
‘Vita kocht het, het puinruimen duurde drie jaar. Ze creëerde ‘tuinkamers’: tuinen met elk hun eigen kleur en thema. De witte tuin, met onder andere rozen, gladiolen, en witte ridderspoor, is speciaal. Na het dineren in de Priest’s House zouden Vita en Harold door deze welriekende tuin naar de South Cottage lopen, onder een volle maan en een overvliegende sneeuwuil.’
‘Ken je het verhaal van de zoon van Vita’s chauffeur?’, vraagt Juliet, lopend door de White Garden. ‘Hij voelde zich een vrouw en onderging een transitie. Gordon werd Dawn Pepita. Heel ongebruikelijk in 1960, maar Vita toonde er begrip voor.
‘Dawn emigreerde naar Amerika en kwam onder de hoede van een Britse actrice. Ze werd verliefd op John-Paul Simmons, een zwarte automonteur, en wilde trouwen in de kerk van Sissinghurst. News of the World kreeg daar lucht van en informeerde mijn vader, die uit zijn dak ging en de priester opdroeg geen toestemming te geven. Later zou hij spijt betuigen. Andere tijd, andere mores.’
Het verhaal van Dawn Pepita is opgenomen in haar onlangs verschenen boek The Book of Revelations. Het bevat persoonlijke verhalen en biografische schetsen, waarbij verzwegen familiegeheimen aan het licht komen. Nicolson beschouwt het als een opvolger van Een huis vol dochters, maar noemt het ook een therapeutisch boek.
‘Mijn moeder behoorde tot de stille generatie vrouwen die het zwijgen opgelegd kreeg. Ze probeerde te praten, zich bloot te geven, maar verloor haar moed en ging weer drinken. Het heeft me veertig jaar gekost om uit te vinden wie ze was en waarom ze bepaalde dingen deed. Voor het eerst slaagde ik erin van haar te houden.’
Wat dat betreft was de vrijgevochten Vita haar tijd vooruit. In de oude stallen wijst Juliet op een statig portret van de 27-jarige Vita, in opdracht van haar moeder geschilderd door Philip de Lászlo. ‘Och, ze haatte dat schilderij’, zegt Juliet, ‘omdat ze zichzelf er te deftig vond uitzien.
‘Ze was niet conventioneel. Een dag voordat ze met Harold trouwde had ze het uitgemaakt met haar geliefde Rosemund, een van de bruidsmeisjes; het andere bruidsmeisje was haar aanstaande schoonzus, met wie ze het bed zou gaan delen. Zie je het tafereel in de kapel van Knole voor je, op die dag?’
Nadat ze het verhaal heeft verteld, stoot een vrouwelijke bezoeker die heeft meegeluisterd haar aan. ‘Bent u de kleindochter van Vita?’, vraagt ze. ‘Ja’, lacht Juliet, ‘de grote neus verraadt het. De befaamde Sackville-neus.’
‘Sissinghurst zelf zit vol geheimen’, zegt Juliet, ‘ik zal er een paar laten zien.’ Ze loopt voorop naar de andere vleugel van de stallen, waar ze stilhoudt bij een 16de-eeuwse deur. Ze wijst op de cijfers 51 en 6. ‘Cel nummer 51. In dit bezemhok zaten in de 18de eeuw zes Franse gevangenen, zonder raam, zonder verse lucht. Dit was het zwaarste van alle krijgsgevangenkampen, het Engelse Alcatraz. Een groot contrast met de tekeningen van het bezoek, een anderhalve eeuw eerder, van koningin Elizabeth, de Virgin Queen (1558-1603), die hier kwam met haar hofhouding, haar minnaars, haar orkest.’
Dan daalt ze af naar de kelders. Ze wijst op een trap die leidt naar een slaapkamer waar nu een kantoor van de National Trust huist. Onderaan de trapleuning is een houvast. ‘Sir John Baker (1488-1558) was een vooraanstaand man in het graafschap, een landheer. Maar in het dorp Sissinghurst stond hij bekend als Bloody Baker omdat hij regelmatig meisjes en jonge vrouwen ontvoerde naar die slaapkamer. De meisjes schreeuwden en probeerden zich vast te houden aan die houvast. Hij sloeg hun handen eraf. Die verhalen joegen mijn broer en mij vroeger de stuipen op het lijf.’
Na drie uur rondlopen door tuinen, slaapkamers en enge kelders is het tijd om de koninklijke toren van Vita te beklimmen, maar eerst moet er een sleutel worden geregeld om haar oma’s werkkamer op de eerste verdieping in te kunnen.
In afwachting daarvan gaat ze voor naar het dak, vanwaar het glooiende landschap van Kent, alias de Tuin van Engeland, zichtbaar is, inclusief de hopdroogschuren met de kenmerkende witte kegelvormige daken. ‘Hier lag Vita soms te slapen, turend naar de sterren. Dit was haar paradijs, de plek waar ze helemaal vrij was. Deze plek was haar redding.’
Afdalend over de wenteltrap richting Vita’s heiligdom wijst ze op een maquette van het middeleeuwse Sissinghurst, op de dag van het koninklijke bezoek in augustus 1573. ‘Dat is de handenarbeid van mijn eerste echtgenoot, James. In een weekend dat hij hier te gast was, maakte hij dit met balsahout, lucifers en vooral ook met liefde.
‘In de eerste jaren op Sissinghurst hebben mijn opa en oma op primitieve wijze in de toren gebivakkeerd, met mijn vader en mijn oom. Ze aten hier waterige soep, met brood en boter. Ze gebruikten wel een botermes, want de etiquette van de upper class diende te worden gevolgd, in alle omstandigheden.
Als het ijzeren hek naar Vita’s kamer opengaat, moeten de schoenen uit. Dit is de ruimte waar ze gedichten, artikelen en romans schreef, en een biografie over Jeanne d’Arc. ‘Niets is hier veranderd sinds haar dood. Niemand mocht hier komen, behalve haar geliefden.’
Op het bureau staan foto’s van Vita, Harold en Virginia Woolf, en ook van de Brontë-zusters. In een houten kast bij het raam lagen de brieven en dagboeken die jaren na Vita’s dood onder de titel Portrait of a Marriage (1973) werden gepubliceerd door haar zoon Nigel, Juliets vader, een boek vol familiegeheimen dat voor reuring zorgde.
Weer terug in de tuin vertelt ze dat Vita als een van de eerste columnisten contact zocht met lezers. ‘Ze schreef over tuinieren in The Observer, en als ze een probleem had met een bepaalde tulp of roos, riep ze de hulp in van de lezers; het antwoord van de ‘very lovely correspondent’ deelde ze.’
Ze staat stil bij een geurende lathyrus. ‘Mijn lievelingsplant, ruik toch eens.’ Op de vraag of ze zelf groene vingers heeft, zegt ze te tuinieren bij haar huis in Sussex. ‘Ik ben een laatbloeier. Vita had ons kinderen een hoekje moeten geven in deze tuinen, maar dat is vermoedelijk nooit bij haar opgekomen.’
Juliet Nicolson: Een huis vol dochters. Uit het Engels vertaald door Meta Gemert. Uitgeverij van Maaskant Haun; 320 pagina’s; € 27.
CV Juliet Nicolson
1954 Wordt geboren in Londen.
1973-1976 Studeert Engelse literatuur aan St Hugh’s College, Oxford.
1976-1994 Werkt bij uitgeverijen in Londen en New York.
2006 The Perfect Summer – Dancing into Shadow in 1911.
2009 The Great Silence 1918-1920 – Living in the Shadow of the Great War.
2012 Abdication.
2016 A House Full of Daughters.
2021 Frostquake.
2026 The Book of Revelations; Een huis vol dochters.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant