Home

Ragna Indra Heidweiller ontrafelde de geschiedenis van haar Hindostaanse familie: ‘Het verhaal is niet verteld omdat het te pijnlijk was’

Familiegeschiedenis Nog altijd vormen Hindostaanse Surinamers een weinig zichtbare groep. Ragna Indra Heidweiller reisde naar de kade in India van waar haar voormoeder naar Suriname werd verscheept en ging op zoek naar haar biologische grootvader. „Waarom moest dit allemaal zo lang geheim blijven?”

Ragna Indra Heidweiller

„Ik ben Surinaams”, hoorde Ragna Indra Heidweiller haar dochter zeggen toen ze drie was. Zelf voelde ze dat als kind helemaal niet zo. Ja, ze had een Hindostaanse moeder die tot haar zeventiende in Suriname woonde. Maar haar eigen jeugd was zó anders dan die van haar moeder. Ragna had, net als haar dochter trouwens, een witte vader. Ze groeide op in de kop van Noord-Holland, ver van haar Hindostaanse familie. Bovendien had die Surinaamse moeder van haar op de kweekschool keurig Nederlands geleerd.

Dus toen haar moeder, een jaar of tien geleden, plots voorstelde bij Ragna’s bruiloft een Bollywood-act op te voeren, vond zij dat geen goed idee. „Het voelde een beetje als kitsch. Als iets wat niet echt bij mijn leven hoorde.”

We hebben afgesproken bij haar thuis in Amsterdam-Noord om te praten over Wij zijn hier door jullie, het boek dat ze heeft geschreven over de geschiedenis van Hindostaanse Surinamers, met haar eigen familie als rode draad. Twee wanden in de ruime, U-vormige woonkamer worden in beslag genomen door een indrukwekkend keukenblok. Ragna Indra Heidweiller (43) is getrouwd met chef-kok Samuel Levie, onder meer bekend van zijn liefde voor worsten. „Als het aan Sam had gelegen was de keuken nog groter geweest”, zegt ze verontschuldigend.

Het was haar man die haar onbedoeld aanzette tot het schrijven van het boek. Nieuwsgierig naar Suriname was ze altijd wel, als kind al, ze liep al jaren rond met het idee haar familiegeschiedenis uit te zoeken. Het kwam er nooit van. Totdat Samuel een jaar of twee geleden een kist met brieven uit de Tweede Wereldoorlog van zijn Joodse grootmoeder opdook en zei dat hij daar een podcast over wilde gaan maken. „Ho, wacht eens even, dacht ik, straks ben jij eerder klaar. Toen de kinderen op een avond tijdens de vakantie naar bed waren, heb ik een voorstel voor een uitgeverij op papier gezet. Daarna ging het snel.” Ze zette haar praktijk als trainer en leiderschapscoach op een laag pitje.

Over Hindostaanse Surinamers is niet veel geschreven, zeker niet voor een breed publiek. Het is een weinig zichtbare groep. En dat terwijl zo’n 45 procent van de Surinamers in Nederland Hindostaans is. Hindostaans is afgeleid van Hindostan, het gebied rond de Indus en de Ganges in Noord-India waar Nederland contractarbeiders vandaan haalde nadat de slavernij in Suriname was afgeschaft. Deze contractarbeiders wisten niet wat hen te wachten stond en werkten onder omstandigheden die aanvankelijk weinig verschilden van slavernij.

Een verzwegen geschiedenis, luidt de ondertitel van het boek. Net als de nazaten van slaafgemaakte Surinamers die hun familiegeschiedenis willen uitzoeken, had Heidweiller weinig geschreven bronnen om op te terug te vallen. In het immigratieregister in het Nationaal Archief vond ze wel de naam van haar betbetovergrootmoeder Ootmee, die in 1877 in Kolkata (het vroegere Calcutta) op een schip naar Suriname stapte. Ootmee was een alleenstaande moeder – waarschijnlijk was ze door haar familie verstoten.

Dat ‘verzwegen’ slaat ook op een veel recenter aspect van de familiegeschiedenis. Ragna wist dat de man die zij kende als haar opa niet de biologische vader van haar moeder was. Haar moeder was geboren als buitenechtelijk kind. Hoe dat precies zat, daarover mocht niet worden gesproken in de familie.

Wat wist je als kind van Suriname?

„Weinig. Als er over werd gesproken, dan ging het altijd over Bouterse en over de Surinaamse gulden die steeds minder waard werd. Het land was overgenomen door de maffia en daarom hadden we daar niks meer te zoeken.”

En van India?

„Daar wist ik helemaal niks van. Ja, dat de Hindostanen uit India kwamen en dat het contractarbeiders waren. Dat was het.

„We aten wel Surinaamse gerechten. Mijn Nederlandse vader was dol op roti. Toen hij stierf heeft mijn moeder dat voor hem gemaakt, als een soort laatste avondmaal voordat hij stopte met zijn medicijnen. Kipkerrie vond ik ook wel lekker, als het niet te heet was. Maar het liefst had ik dat mijn moeder boerenkoolstamppot maakte.”

Je schrijft dat je moeder het niet had moeten wagen om thuis te komen met een Afro-Surinaamse jongen, maar dat een Hollands vriendje voor haar ouders geen probleem was. Hoe zit dat?

„Dat vind ik ingewikkeld, omdat je dan al snel gaat praten in algemeenheden die voor de huidige generatie helemaal niet meer gelden. De ideeën van de generatie van mijn grootouders over etniciteit zijn een beetje bevroren in de tijd. Hun generatie was bang dat hun etnische groep zou worden overheerst door een andere etnische groep. Dat uitte zich dus ook in: je dochter kan niet thuiskomen met een zwarte jongen.

„Door met een Nederlandse man te trouwen en in een Nederlandse omgeving te wonen, was mijn moeder lange tijd niet zo bezig met het verleden. De discussie over Zwarte Piet vond ze eerst een non-issue. Het idee dat dat iets te maken kon hebben met het slavernijverleden: dat kwam bij haar van heel ver. Maar bij levensovergangen, zoals toen ik ging trouwen, kwam bij haar toch de vraag: waar is mijn cultuur? En toen ik zwanger was, wilde ze me kruidenbaden geven. Dat is, net als babymassage, heel Surinaams.”

Hoe reageerde je moeder toen je haar vertelde over je plan een boek te schrijven?

„We gingen samen een weekend weg om een ademcursus te doen. Van een Indiaas instituut, nota bene. Toen heb ik het haar verteld. In eerste instantie schrok ze heel erg. Ze werd zelfs boos, zei dat het echt niet kon. Uit loyaliteit naar haar vader wilde ze niet dat ik op zoek zou gaan naar haar biologische vader.

”De volgende dag heb ik haar mijn voorstel voor de uitgeverij voorgelezen. Toen voelde ze: dit is niet alleen van mij maar ook van jou, en van de kleinkinderen. Ze zei: ‘Ik weet nog niet hoe we dit gaan doen, maar ik denk dat ik hier uiteindelijk wel mee kan leven.’ Een paar weken later ben ik met mijn grootvader gaan praten. Die vond het oké, en toen vond zij het ook oké.”

Eerst ga je naar India. Je komt er niet met zekerheid achter waar je voormoeder Ootmee is opgegroeid, maar je bezoekt wel een dorp uit de regio waar ze vandaan kwam. Dan sta je daar, opgegroeid in Noord-Holland, in een totaal andere omgeving. En dat doet fysiek iets met je, schrijf je.

„Ja, maar ik vind dat moeilijk te omschrijven omdat het zoiets emotioneels is. Ik zag mensen die lijken op mijn familie uit Suriname. Maar dan in India. En de temperatuur, de lucht… ik voelde me er prettig. Ondanks het ongemak.”

Welk ongemak?

„Er is daar nog steeds heel veel armoede. En dan kom ik daar binnen met mijn westerse rijkdom én ik kan ook weer weg.

„In de haven van Kolkata kom je het terrein van waar de schepen vertrokken niet zomaar op, je moet er een aanvraag voor indienen. Maar dan sta je daar. Je ziet hetzelfde water dat migranten moeten hebben gezien. Er is nog een balustrade, en een trap die ze gebruikten. Daardoor kon ik me beter voorstellen hoe ze daar op een schip zijn gestapt.”

Daarna ga je drie maanden naar Suriname met je hele gezin. Hoe was dat?

„We hadden altijd al het idee gehad om een keer als gezin voor langere tijd naar Suriname te gaan. Maar dan liefst wel om er iets te kunnen doen, niet alleen voor vakantie. De kinderen zeiden meteen: ‘Wij gaan mee’. Vijf en acht waren ze. Ze zijn daar naar school gegaan.

„Ik wilde plantages bezoeken. Ootmee heeft op vier verschillende plantages gewerkt, ze heeft een hele tocht gemaakt. Ik ben haar nagereisd.

„Toen ik aan mijn onderzoek begon, dacht ik nog dat de migranten iets van een keuze hadden. Daarover ben ik echt wel van mening veranderd. Ze hadden mooie verhalen voorgespiegeld gekregen. En er was sprake van ontvoering en dwang, die schepen moesten vol. In Suriname kwamen ze in heel armoedige omstandigheden terecht, bij plantagehouders die gewend waren om slagen uit te delen als iets hen niet zinde. Toen ik in Suriname in de hitte tussen de insecten stond daalde de realiteit bij me in: het moet een keihard leven zijn geweest.”

Aan het einde van je verblijf in Suriname heeft je zoektocht naar de biologische vader van je moeder eindelijk succes. Hij blijkt te zijn overleden, maar je ontmoet wel zijn broers en zussen.

„Dat was heel bijzonder en emotioneel. Vooral voor mijn moeder, die ook naar Suriname kwam, een paar dagen nadat ik ze had gevonden. De gelijkenis was onmiskenbaar, in uiterlijk, maar ook wel een beetje in karakter. Ze ontvingen ons met open armen. Ik dacht echt: waarom moest hier nou zo lang geheimzinnig over worden gedaan?”

Omdat eer een belangrijke rol speelt in de Hindostaanse cultuur?

„Ja, bij delen van de groep is dat nog zo. Maar het voelde toch wel als iets van toen. Nu is dat niet meer zo.”

Ben je er nu uit wat de zoektocht naar de biologische vader van je moeder te maken heeft met het grotere verhaal over contractarbeiders?

„Dat is voor mij het niet vastleggen van deze verhalen in de koloniale archieven en het niet praten over deze geschiedenis binnen families. Ook Ootmee was alleen en had een kind toen ze wegging uit West-Indië. Ze brak met haar geloof en maakte zich los van haar familie. Ik ben er vrij zeker van dat ze daar niet over sprak. Niet met haar kind en niet met de mensen die ze op het schip of op de plantage ontmoette. Haar verhaal is gewoon niet doorgegeven. Mijn grootmoeder kan zich haar niet herinneren. Ze kan ook niet vertellen waar haar ouders vandaan kwamen of wat voor werk ze deden. Dat is niet verteld, denk ik, omdat het een te pijnlijk verhaal was. De blik was op de toekomst gericht. En dan overkomt mijn grootmoeder hetzelfde als Ootmee: ze wordt ongehuwd zwanger.

Door het verhaal van je moeder te vertellen, vertel je ook het verhaal van Ootmee?

„Ja, en van vrouwen in de koloniale geschiedenis. Want als verhalen uit de koloniale geschiedenis al verteld worden dan is dat vaak vanuit het mannelijke perspectief.

„Wat ik er ook mee wil laten zien, is hoe wij Nederlanders zijn gevormd door een migratiegeschiedenis. Nederland is ten diepste een migratieland. Toen ik dat laatst in een tv-uitzending zei, kreeg ik op sociale media een heleboel racistische opmerkingen over me heen. Als je maar blijft vertellen dat mensen zich niet meer thuis voelen omdat er migratie is, dan gáán mensen zich niet thuis voelen. Daarom denk ik dat het heel erg belangrijk is om ook dit soort verhalen te vertellen.”

Op het einde schrijf je dat je voortaan vol overtuiging zegt dat je Nederlands én Surinaams-Hindostaans bent, „ook al ben ik bang voor wat de mensen zullen zeggen als ik dat doe”. Waar ben je bang voor?

„Het is nu minder dan toen ik dat schreef, maar ik was toch bang voor reacties uit de Hindostaanse gemeenschap dat ik respectloos ben omdat ik de vuile was buiten hang. En omdat ik niet wist of ik als half-Hindostaanse dit verhaal mocht vertellen. Gelukkig zijn de reacties tot nu toe heel positief.”

Ragna Indra Heidweiller: Wij zijn hier door jullie. Een verzwegen geschiedenis. De Correspondent, 304 blz. € 23,-

Ragna Indra Heidweiller CV

Ragna Indra Heidweiller (1983) studeerde communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en Book & Journal Publishing aan University College London. Ook volgde ze een opleiding tot relatietherapeut.

Ze heeft een praktijk als trainer en leiderschapscoach, en is gespecialiseerd in identiteit, inclusie en genderongelijkheid. Eerder schreef ze In voor- en tegenspoed, maar alleen als jij de afwas doet (2021) en Werkboek voor de ideale rolverdeling (2023). Ook schreef ze verhalen voor De Correspondent.

Ragna Heidweiller woont met haar man en twee dochters in Amsterdam.

Suriname

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next