Fototentoonstelling Wéér Van der Elsken. Dat gevoel kán je bekruipen na de vele aandacht die Nederlands beroemdste fotograaf de afgelopen jaren kreeg. Heb je het op een gegeven moment niet een beetje gehad? Absoluut niet, zie je als je door de zalen van Up Close in het Rijksmuseum loopt.
Ed van der Elsken, ‘Jongens op het Rokin’, Amsterdam, ca. 1950–1960.
Ed van der Elsken. Up Close. Rijksmuseum Amsterdam, t/m 13 september. Gelijknamig boek, NAI010 Uitgevers, 320 blz. € 39,95
Het was zijn magnum opus, en het sloeg in als een bom. Én het had maar weinig gescheeld of Ed van der Elskens meesterwerk was helemaal nooit verschenen. Het boek Sweet Life (1966) – het wordt soms op één lijn geplaatst met invloedrijke fotoboeken als The Americans van Robert Frank (1958) en New York van William Klein (1956) – is een energiek, persoonlijk en associatief beeldverslag van een wereldreis die Van der Elsken samen met zijn toenmalige echtgenote Gerda van der Veen maakte. In 1959 waren ze aan boord gegaan van het Nederlandse vrachtschip Guineekust, bestemming Dakar, om via de Afrikaanse west- en zuidkust naar Azië en de Verenigde Staten over te steken, waar ze op een roadtrip in een hemelsblauwe Ford Sunliner convertible ook Mexico aandeden.
Toen het echtpaar ruim een jaar later in Nederland terugkeerde was Van der Elsken, die als fotograaf met zijn spontane, rauwe en intieme stijl ook internationaal al een flinke naam had opgebouwd, vastbesloten een lijvige publicatie te maken van het beeld dat hij onderweg had geschoten. Het zou ruim vijf jaar duren voordat hij een uitgever vond, tot zijn grote frustratie. „Heb ik jaren, misschien twee, drie vier jaar zitten editen. Steeds verbeteren, in mekaar bouwen. […] Voor mezelf formuleerde ik het weleens zo: de muze van de fotografie had mij in de steek gelaten, wat denkt zij wel.”
Ed van der Elsken, zelfportret met Ata Kando in de spiegel van hun appartement. Sèvres, 1952 (afgedrukt voor 1955).
Het citaat komt uit het boek bij de tentoonstelling Ed van der Elsken Up Close, die dit weekend opent in het Amsterdamse Rijksmuseum en die een inkijkje biedt in het hoofd van de fotograaf die altijd fluitend en breed lachend door het leven leek te rollen. In negen zalen en acht thema’s (onder andere Kleur, Bloot, Tegencultuur, Japan) laat de tentoonstelling zien hoe zijn werk tot stand kwam en hoe ook die brutale, levenslustige en jofele Van der Elsken wel eens twijfelde en wanhopig werd.
Na de verwerving van de artistieke nalatenschap van Ed van der Elsken in 2019 – circa 8.000 afdrukken gingen naar het Rijksmuseum, 3.000 contactvellen en 300 foto’s naar het Nederlands Fotomuseum – stelde het Rijksmuseum al eerder, in 2020, een bescheiden tentoonstelling samen over het werkproces van Van der Elsken. In Up Close wordt dat proces nu na drie jaar onderzoek door conservator Hinde Haest nog gedetailleerder gepresenteerd, met vintage prints, films, contactafdrukken en nooit eerder gepubliceerde notities en brieven. Hierin noteerde Van der Elsken bijvoorbeeld plannen voor reportages en beeldexperimenten, of werkte hij hele scripts uit voor een beeldverhaal. Ook zie je dat ideeën die hij al heel vroeg had, soms pas decennia later tot wasdom kwamen; zo is het plan voor Een fotograaf filmt Amsterdam, die in 1982 uitkwam, bijna letterlijk terug te vinden in een subsidieaanvraag begin jaren zestig.
Contactvel met foto’s van Vali Myers, Parijs, 1950–1953.
In vitrines in de zaal met als thema ‘Crazy World’ – de werktitel van Sweet Life – zien we nieuw ontdekte boekdummies, die illustreren hoe hij steeds opnieuw bleef schuiven, puzzelen, proberen, steeds weer experimenteerde met steeds nieuwe beeldcombinaties, nieuwe uitsnedes en nieuwe afdrukken. Van de haven van Hong Kong hangen aan de muur meerdere afdrukken, soms met een aardedonkere lucht, alsof er onheilspellend onweer komt aanrollen, soms juist licht als een heiige zomerdag – alle afdrukken komen van eenzelfde negatief.
Dummy’s ‘Sweet Life’, 1960–1966.
Wéér Van der Elsken. Dat gevoel kán je bekruipen na de vele aandacht die Nederlands beroemdste fotograaf de afgelopen jaren kreeg. Er was die bescheiden expositie in het Rijks in 2020, in 2018 was een schenking van cameraman Jan de Bont de aanleiding voor een presentatie. In 2017 had het Stedelijk Museum Amsterdam een grote overzichtstentoonstelling, het Nederlands Fotomuseum pakte in 2019 flink uit met zijn kleurenfoto’s. Met regelmaat toont het Amsterdamse Stadsarchief zijn werk in groepstentoonstellingen. Heb je het dan, ook als oprecht geïnteresseerde liefhebber, misschien op een gegeven moment wel een beetje gehad?
Absoluut niet, zie je als je door de zalen van het Rijksmuseum loopt. Niet alleen verschaft Up Close nieuwe inzichten in het werkproces door nieuwe beelden en nieuwe bronnen, ook laat de tentoonstelling zien dat sommige fotografen een bijna magische, tijdloze kwaliteit bezitten, en ons met hun dwarse en totaal eigenzinnige blik altijd weer opnieuw weten te raken.
Beethovenstraat, Amsterdam, 1967.
Dat begint al gelijk bij de levendige entree: in een felrode eerste zaal, met rode lampen verlicht, zie je Van der Elsken in een film uit 1974 aan het werk op de veemarkt in Purmerend, soms van een afstand, vaker zeer aanwezig en uitgesproken, grapjes makend, in direct contact met de mensen voor zijn lens – een van zijn handelsmerken. Die directheid zie je ook terug in de zaal met kleurenfoto’s, die als steeds wisselende projecties op de muren worden vertoond, met onder andere die iconische foto’s van de drie vrouwen die in minirok over de Amsterdamse Beethovenstraat lopen. Je ziet het terug in de foto’s over de tegencultuur, met beelden van vooral jonge mensen bij protesten, feesten en kermissen . „Rellen. [..] Keet schoppen. Rommelen. Dansen […]”, noteert Van der Elsken halverwege de jaren zestig – hij was er graag bij.
Ed van der Elsken, Koninginnedag, Dam, Amsterdam, 1980. Nederlands Fotomuseum,Rotterdam.
Edam, circa 1973.
En dan die zaal met foto’s van Japan – van de ongeveer 8.000 foto’s van Van der Elsken in het Rijksmuseum is meer dan 25 procent daar genomen. Hij kwam er voor het eerst in 1959 tijdens een wereldreis, en zou minstens veertien keer terugkeren. Hij was en is er populair, in Niigata werd eind jaren tachtig zelfs café-bar ‘Ed van der Elsken’ geopend, ontworpen naar zijn foto’s van Saint-Germain-des-Prés.
Waar andere fotografen zich in die voor hen toen nog vreemde cultuur vooral richtten op historie en verstilde schoonheid, koos Van der Elsken vaak voor de jeugdcultuur, op het drukke Shinjuku Station, het nachtelijke Ginza, de winkelstraten van Shibuya, in die kenmerkende directe, spontane stijl. Hij kon niet anders, schreef hij in 1985 aan zijn Japanse uitgever: „Ik ben in Japan op zoek geweest naar mijn liefdes en obsessies, zoals ik al mijn hele leven doe, waar ik ook kom. […] Als ik bij mezelf wil blijven moet ik mijn rebelse, non-conformistische kant behouden. En dat is natuurlijk precies waar ik van hou in de mensen die ik al mijn hele leven fotografeer.”
Straatbeeld in Kamagasaki, Osaka, 1960.
Het oeuvre van Ed van der Elsken is in Nederland verspreid over verschillende instituties, behalve het Rijksmuseum zijn dat onder andere het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, het Stedelijk Museum Amsterdam, Universitaire Bibliotheek Leiden en Eye Filmmuseum.
Het auteursrecht van zijn foto’s ligt bij het Nederlands Fotomuseum, dat onder meer zo’n 100.000 zwart-wit-negatieven en circa 42.000 kleurendia’s in de collectie heeft. Wie een print van Van der Elsken aan zijn muur wil hangen, kan terecht bij Annet Gelink Gallery, die al 25 jaar lang samenwerkt met zijn weduwe Anneke Hilhorst, en sinds een paar jaar ook met hun zoon John van der Elsken. Gelink verkoopt vintage prints (originele afdrukken, door Van der Elsken zelf geprint) en edities in een oplage van 40 (in zwart-wit, in twee formaten) of 24 (kleur, idem).
„Als er vraag is naar een foto die wij aanbieden, dan nemen wij contact op met het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam”, vertelt Esmée Krouwels van de galerie. „Het negatief ligt daar in een gekoeld depot van 4 graden Celsius en moet eerst op temperatuur komen, dat gaat in stapjes van twee keer 24 uur.” Zwart-wit afdrukken worden in de doka van het museum gemaakt, op de vergroter die Van der Elsken zelf gebruikte. Fotograaf Hans Bol was decennialang de enige die de foto’s van Van der Elsken mocht afdrukken, sinds kort doet Marijn de Jong dat. Bij kleurenafdrukken wordt het digitale bestand op museumkwaliteit geprint met een inktjet.
„Wie probeert Van der Elskens afdrukken te reproduceren in de doka zal concluderen dat dit in veel gevallen nagenoeg onmogelijk is”, zo lezen we in Ed van der Elsken. Up Close. „Het blijft gissen naar zijn gekozen diafragma, belichtingstijd, kleurenfilter of papiersoort.” Varianten van dezelfde foto wijzen erop dat hij eindeloos experimenteerde. Welke van die vele afdrukken is dan leidend?
„Een vintage print of een afdruk zoals die uiteindelijk in een boek is gekomen, is bepalend”, vertelt Krouwels. „De prints moeten altijd worden goedgekeurd door Anneke Hilhorst en John van der Elsken.”
Uit het enorme oeuvre koos Anneke Hilhorst slechts een beperkt aantal beelden voor de verkoop. „Daar is ze heel streng in. Het moet wel typisch Ed zijn. Quirky en brutaal, direct en recht voor z’n raap.”