Dans ‘Mirage’ toont de mens die teruggaat naar zijn essentie, aldus Damien Jalet en Kohei Nawa. De weg erheen is ongegeneerd decoratief en de visuele effecten zijn oogverblindend.
Beeld uit de voorstelling ‘Mirage’ op het Holland Festival.
Zijn het mensen of gamefiguurtjes? De motoriek van de zestien dansers in Mirage lijkt in de openingsscène net niet helemaal natuurlijk, uiterst traag vooruit, plots versnellend of achteruit. Op de helling die op het toneel is gebouwd lopen ze doelloos rond, elkaar aanvankelijk secuur vermijdend, soms de blik verwachtingsvol naar de horizon richtend.
Die van zichzelf vervreemde, zoekende mens vormt de rode draad in het werk van choreograaf Damien Jalet en beeldend kunstenaar Kohei Nawa. Mirage is hun vierde samenwerking sinds 2014 en Jalets ster is in die tijd hoog gerezen. Langer geleden werkte hij als vaste co-choreograaf met Sidi Larbi Cherkaoui, maar de laatste jaren werd hij gevraagd door onder andere Madonna, regisseur Luca Guadagnino (Suspiria) en componist Ryuichi Sakamoto. Voor de Opera van Vlaanderen creëerde hij met Marina Abramovic en Cherkaoui een nieuwe enscenering van de opera Pelléas et Mélisande.
Iedereen houdt kortom van Damien Jalet en er is ook veel om van te houden in de betoverende beeldentaal die hij met Nawa ontwikkelde. Die biedt volop de gelegenheid de lichaamsplastiek en musculatuur van de performers te bewonderen door het vaak trage tempo van de choreografie, waarvoor Thomas Bangalter een ruimtelijk galmende, elektronische soundscape componeerde. Net als in de film Mist laat Nawa weer grote hoeveelheden mistwolken die over de top komen aanrollen en uiteenstuiven. Alsof er een zandstorm opsteekt in de woestijn.
Voordien hebben de dansers, na omtrekkende bewegingen, een kring gevormd. Zittend op de grond laten ze hun torsen krommen en rekken, de armen ronden en strekken om het wuiven van een zeeanemoon te imiteren. De golvende lijnen van hun armen moeten tot in den treure zijn gerepeteerd. Alle lof dus voor de dansers, voor wie ook het trage tempo een zowel fysieke als mentale oefening in terughoudendheid zal zijn.
Zo zijn er meer zinsbegoochelende beelden. Dansers die verdwijnen in grote mistwolken om er door licht- en videomanipulaties als geesten of ectoplasma weer uit tevoorschijn te komen. Dansers die, weer in een perfect gesynchroniseerde samenwerking, samen beelden laten ontstaan die aan allerlei levensvormen doen denken, inclusief de dubbele helix van het dna (en, misschien onbedoeld, ook een beetje aan galeislaven).
En dan het oh- en ah-moment: terwijl tinkelende geluidjes klinken, daalt een straal glitters neer op zilveren en gouden danserslichamen. Wellustig kronkelend worden ze fraai glinsterende sculpturen, samen vormen ze een onontwarbare massa.
De mens die langzaam terugkeert tot zijn essentie, is de gedachte hierachter. Die lijkt echter bijzaak in verhouding tot het ongegeneerd decoratieve karakter van Mirage, iets waar ook eerdere voorstellingen Vessel, Mist en Planet (wanderer) aan leden. Het drieluik volgde bovendien telkens een soortgelijke structurele opbouw en oogde eveneens sier-butoh pour épater le bourgeois. Fraai, maar in wezen oppervlakkig.