Na 75 jaar krijgt de eerste generatie Molukkers zondag mogelijk excuses van premier Rob Jette voor hetgeen hun door Nederland is aangedaan. Die komen te laat voor de mensen om wie het gaat – de 3.500 KNIL-militairen en hun gezinnen die tegen hun zin naar een vreemd land werden gebracht en niet meer terug mochten – schrijft Sylvia Pessireron.
Op de slaapkamer van mijn ouders stonden diverse hutkoffers. Ma pakte die elke maand opnieuw in. Toen ik daar een opmerking over maakte, was haar antwoord: ‘Je weet maar nooit. Straks horen we dat we naar Ambon terugmogen en dan moet alles klaarstaan.’
In een van de koffers lagen overhemden en korte broeken van mijn vader, plus een katoenen pak dat er enigszins verwassen uitzag. ‘Papa’s kerkkleren’, zei ma afwezig. ‘De laatste keer dat hij die aanhad was op Celebes.’ Ik telde meer dan tien nieuwe sarongs die zorgvuldig in plastic waren verpakt zodat de motten er niet bij konden. ‘Voor je nichten’, vertelde ma ongevraagd. ‘En voor jou, want je kunt daar niet in een kapotte spijkerbroek rondlopen.’ Het had geen zin om te zeggen dat de gaten in mijn spijkerbroek hóórden. Als dochter van een radja (dorpshoofd) was ma gewend zich keurig te kleden, zelfs als ze bij de supermarkt boodschappen deed. Dat haar twee jongste dochters die in Nederland het levenslicht zagen zich naar de mode kleedden, kon ze nauwelijks verdragen.
Over de auteur
De Moluks-Nederlandse schrijver en journalist Sylvia Pessireron (67) groeide op in woonoord De Haven in Breskens. De Molukse geschiedenis is de basis voor haar werk. Ze schreef onder meer de roman Gesloten koffers (2014), publiceerde non-fictieboeken over de Molukse gemeenschap en was co-scenarist van de film De Punt (2009).
Als het aan mijn ouders had gelegen, had mijn wieg niet in Nederland gestaan, maar op het eiland Seram. Hun komst naar Nederland, dit jaar 75 jaar geleden, was geen vrijwillige keuze.
Direct na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) riep Soekarno de onafhankelijkheid van het eilandenrijk uit. In een poging om dit ongedaan te maken, reageerde Nederland met twee ‘politionele acties’, een verbloemende beschrijving voor een oorlog. Onder dwang van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties tekende Nederland in december 1949 de soevereiniteitsoverdracht waarmee een eind kwam aan haar gezag.
Bij de overdracht kregen de Molukkers de mogelijkheid om een eigen band met het voormalig moederland aan te gaan. Daar werd onmiddellijk gehoor aan gegeven. Na een volksraadpleging werd op 25 april 1950 in Ambon-stad de Republik Maluku Selatan, Republiek der Zuid-Molukken, uitgeroepen. De proclamatie was tegen het zere been van Soekarno. Hij stuurde zijn troepen naar het eilandrijk om ‘de opstand’ met geweld de kop in te drukken.
Door de politieke spanning mochten de Molukse militairen, die de Nederlandse kroon trouw hadden gediend omdat hun een eigen staat was beloofd, niet demobiliseren in hun vaderland. Het risico dat deze door de wol geverfde soldaten het daar direct zouden opnemen tegen het Indonesische leger was groot en Nederland, dat nog altijd verantwoordelijk was voor de soldaten, wilde om economische redenen de relatie met de voormalige kolonie goed houden.
De regering in Den Haag besloot dat de knillers op dienstbevel tijdelijk naar Nederland moesten worden overgebracht. Zo’n 12.500 Molukkers – 3.500 KNIL-militairen en hun gezinnen – scheepten in na de plechtige belofte van de Nederlandse regering dat zij na hooguit zes maanden weer naar hun vaderland zouden worden teruggebracht.
Bij aankomst in Nederland werden de KNIL-soldaten die tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië én de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië voor de Nederlandse driekleur hadden gevochten naar Kamp Amersfoort gebracht. Daar werden zij direct uit het leger ontslagen. ‘Dit kan helemaal niet’, zei mijn vader ontzet toen hij het ontslagbriefje aan mijn moeder liet zien. ‘Volgens de regels die de Nederlanders zélf hebben opgesteld, kan ik alleen in mijn thuisland worden ontslagen.’
De Molukkers werden ondergebracht in voormalige concentratiekampen zoals Kamp Westerbork en Kamp Vught. Mijn ouders belandden met hun tien kinderen in een voormalig werkverschaffingskamp in Zeeuws-Vlaanderen. Daar ben ik geboren.
Niet alleen het ontslag, maar ook het uitblijven van de datum van terugkeer zorgde voor een diepe pijn bij de eerste generatie, die zich belazerd voelde. Terwijl thuis de koffers met regelmaat opnieuw werden ingepakt, koos Den Haag voor politiek en economisch eigenbelang boven het inlossen van een ereschuld. Onder de jonge generatie Molukkers groeide de verontwaardiging over de wijze waarop onze ouders waren behandeld.
Die verontwaardiging deelde ik. Toen deze week uitlekte dat Rob Jetten zondag mogelijk namens de Nederlandse staat excuses aanbiedt aan de eerste generatie Molukkers, maakte dat me dan ook woedend. Nu pas? Wat ongegeneerd! Mijn ouders zijn al overleden, hun generatie is er nagenoeg niet meer. Al in 2012 riep ik in mijn boek De verzwegen soldaat op om excuses aan de Molukkers te maken. ‘Ik wil dat Nederland hun leed deelt nu het nog kan’, zei ik toen in de Volkskrant.
Ik heb het vaker gezegd en geschreven: die treinkapingen kwamen niet uit de lucht vallen. Als je opgroeit met de pijn van ouders aan wie zo veel is beloofd en waarvan zo weinig is nagekomen, is het onmogelijk om niet boos te worden.
Die woede voel ik niet voor mezelf. Ik denk aan het verdriet van mijn ouders en hun generatie. Aan hén werd de valse belofte gedaan dat ze zouden terugkeren naar een eigen staat. Zíj hadden die excuses moeten horen.
In de jaren vijftig werd op de Molukken de strijd voor een onafhankelijke staat voortgezet onder leiding van mr. dr. Christiaan Soumokil. Pa was met hem bevriend geraakt toen ze samen in het leger in Makassar, de hoofdstad van Zuid-Celebes, zaten. Nadat Soumokil het ambt van president op zich had genomen, werd hij door de Indonesische regering als ‘staatsgevaarlijk’ beschouwd. Hij vertrok naar de binnenlanden van Seram.
Onder zijn manschappen zat een van mijn neven. Per toeval ontdekte het Indonesische leger hun schuilplaats. Iedereen, inclusief mijn neef, werd opgepakt en vastgezet in een gevangenis op Ambon. Soumokil verdween naar de Budi Utomo-gevangenis op Java. Nadat Soekarno plaats had moeten maken voor generaal Soeharto werd Soumokil in 1966 op het eiland Obi geëxecuteerd. Ter nagedachtenis aan Soumokil, die door Molukkers wordt gezien als de ‘Vader des Vaderlands’, werd dit jaar op 11 april in Vught een monument onthuld.
Aangezien Indonesië de Molukkers in Nederland beschouwde als opstandelingen was het lange tijd niet mogelijk om terug te keren naar hun thuisland. Dat veranderde nadat in 1970 een groep Molukkers de woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar had bezet uit protest tegen het voorgenomen staatsbezoek van president Soeharto.
‘Net goed’, reageerde mijn vader. ‘Die man is een moordenaar! Hoe kómt Nederland erbij om hem uit te nodigen? Zo zie je maar weer: Nederland is onbetrouwbaar en dat terwijl wij voor hén hebben gevochten!’
Na overleg met de Nederlandse regering stond Indonesië als zoethoudertje toe dat bejaarde Molukkers ‘voor een vakantie’ hun thuisland mochten bezoeken. Dat gold niet voor mijn vader, die door Indonesië ook toen nog als ‘staatsgevaarlijk’ werd beschouwd vanwege zijn werk bij de Inlichtingendienst van het KNIL. Alleen ma mocht voor zes weken naar de Molukken. Toen ze thuiskwam, leek ze jaren jonger. Ze had voor iedereen cadeautjes meegenomen en vertelde uitgebreid over het dorp en de familie. Halverwege haar verhaal stond pa op en liep naar mijn broer. ‘Breng me naar huis’, zei hij schor.
Na de bezetting in Wassenaar bleef de Nederlandse regering stil. Voor de jonge Molukkers was die stilte, die al 24 jaar duurde, onverteerbaar geworden. In de ochtend van dinsdag 2 december 1975 stapten zeven Molukkers in Assen op de trein richting Zwolle. Ze droegen langwerpige pakketten die waren verpakt in sinterklaaspapier. Kort nadat de trein het dorp Beilen was gepasseerd trok een van hen aan de noodrem. Uit het sinterklaaspapier kwamen wapens tevoorschijn. Nadat de trein tot stilstand was gekomen, ging machinist Hans Braam op onderzoek uit en kwam oog in oog te staan met twee gewapende Molukkers. Toen hij de deur wilde dichtgooien, werd hij doodgeschoten.
Van de gegijzelden lieten de actievoerders twee vrouwen en een kind vrij. Zij gaven hun een brief mee aan de Nederlandse regering waarin hun eisen stonden. De voornaamste eis was de erkenning van de Republiek der Zuid-Molukken. Ter ondersteuning van de treinkaping werd twee dagen later het Indonesisch consulaat in Amsterdam door Molukkers bezet. In hetzelfde gebouw was een school voor Indonesische kinderen en een reisbureau gevestigd. De 22 Indonesische gegijzelden vroegen via een politieagent om bemiddeling door een prominente Molukker: dominee Semuel Metiarij. Door zijn tussenkomst werden vijf kinderen vrijgelaten.
Op die dag stapte de onderdirecteur van mijn school de klas in en sprak kort met mijn docent. Daarna keek hij naar mij en zei: ‘Pessireron, kun je even meekomen?’
Ik pijnigde mijn hersenen op zoek naar iets dat ik had misdaan, maar kon niks vinden. Hij bracht me naar de kamer van de directeur en verdween toen.
‘Ga zitten’, zei de directeur terwijl hij op een stoel wees. ‘Jouw achternaam werd in een radiobericht genoemd. Ken je iemand die Zeth heet?’
‘Dat is mijn broer,’ zei ik nerveus. ‘Hoezo?’
‘Hij is in de trein…’
‘Wat bedoelt u?’
‘Niet als gijzelnemer’, zei de man haastig, ‘maar als onderhandelaar.’
Ik liet die woorden even op me inwerken en dacht meteen daarna aan mijn vader die elk uur naar het nieuws luisterde. Later leerde ik dat de kapers om mijn broer hadden gevraagd. Ze woonden allemaal in dezelfde wijk in Bovensmilde. Ze waren vrienden.
‘Je mag naar huis als je dat wilt’, zei de directeur. Thuis stond de radio keihard aan. Ik zette die direct uit, wat me een boze blik van mijn vader opleverde. Voordat hij iets kon zeggen, riep ik mijn moeder, die in de tuin rondscharrelde.
‘Ik moet jullie iets vertellen’, zei ik kortaf toen ze binnenkwam. ‘Mijn broer is in de trein.’
Ma keek verschrikt. ‘Wát zeg je?’
‘Zeth is in de trein als bemiddelaar.’
Toen ik had uitgelegd wat zijn rol inhield, viel er een geladen stilte. Uiteindelijk zei ma met gebroken stem: ‘We kunnen alleen maar bidden voor een goede afloop.’
Toen de actievoerders zich hadden overgegeven, verwachtte ik dat er een overleg zou volgen met de Molukse regering in ballingschap. Ik hoopte op gerechtigheid: de beloofde eigen staat die door Nederland erkend en gesteund zou worden, maar dat gesprek kwam er niet. Het gevolg was dat op 23 mei 1977 een tweede actie werd uitgevoerd. Tijdens de bijna drie weken durende treinkaping bij De Punt brachten mariniers, in opdracht van minister van Justitie Dries van Agt, de locaties van de kapers en passagiers nauwkeurig in kaart. Ze plaatsten direct afluisterapparatuur in en onder de trein en legden de datum voor de uiteindelijke aanval vast.
Die nacht heb ik doorgebracht op de bank met de tv aan en viel in slaap. Ik werd wakker door het geluid van Starfighters die laag boven de trein vlogen. Kort daarna kwam mijn familie thuis van een bruiloft, ik was bij mijn vader gebleven die niet fit was. Ze hadden de aanval via de radio meegekregen. Zes kapers en twee gegijzelden kwamen daarbij om het leven.
Mijn moeder huilde onophoudelijk, mijn zussen stonden er verslagen bij en mijn broer schold in alle talen die hij kende op de Nederlandse regering. Even later kwam pa beneden. Met de slaap nog in zijn stem vroeg hij wat er aan de hand was. Mijn broer zei zo rustig mogelijk: ‘Ze hebben de trein aangevallen.’ Pa keek hem ongelovig aan en liep terug naar boven waar hij zijn machteloosheid uitschreeuwde. Toen hij zichzelf weer in de hand had en bij ons terugkwam, zei hij verbitterd: ‘Ik heb voor de Nederlanders gevochten en nu doden zij onze kinderen.’
Na de bestorming van de gekaapte trein bij De Punt was de Molukse gemeenschap lamgeslagen. Onder de jongeren steeg de werkloosheid en het drugsgebruik. Volgens ingewijden was één op de twintig Molukkers verslaafd aan heroïne.
Aan het begin van de jaren tachtig kregen bejaarde Molukkers toestemming om voorgoed naar de Molukken terug te keren. Daarvoor moesten zij eerst naar de Indonesische ambassade voor een gesprek. Pa weigerde. Dus ging ik met mijn moeder naar de ambassadeur om hem ervan te overtuigen dat pa niet meer de ‘vijand’ was voor wie zij hem aanzagen, maar een man op leeftijd die graag in zijn thuisland wilde sterven. Het lukte. Ze hebben daar nog ettelijke jaren doorgebracht en zijn kort na elkaar gestorven.
In maart kwam het nieuws naar buiten dat oud-premier Dries van Agt drie jaar voor zijn dood in een brief bij koning Willem-Alexander heeft aangedrongen op excuses aan de Molukse gemeenschap in Nederland.
De voormalig minister-president had in 2009 The Rights Forum opgericht voor een ‘rechtvaardig Nederlands en Europees Palestina-beleid’. Toen ik dat hoorde, was ik behoorlijk in mijn wiek geschoten. Hoe kon het dat hij wél voor de Palestijnen opkwam, die net als de Molukkers hun eigen land waren kwijtgeraakt, en óns destijds zo laatdunkend had behandeld? Ik besloot verhaal te halen en nodigde hem uit voor een gesprek. Hij kwam.
Ondanks mijn opvoeding – mijn ouders hadden me ingeprent dat ‘oude mensen altijd gelijk hadden’ – schoot ik direct met scherp. Ik stortte al mijn woede over hem uit en raakte geëmotioneerd. Tot mijn stomme verbazing barstte ook hij in tranen uit. Op dat moment kwam mijn man binnen. ‘Ik heb vreselijk op mijn donder gehad’, zei Van Agt. ‘En ze heeft gelijk.’
Die uitspraak deed me denken aan het interview dat ik met een huisarts in Assen hield voor een documentaire. ‘Toen de Molukkers nog in Westerbork woonden’, zo vertelde hij, ‘ging ik daar vaak naartoe. Daar zag ik Sint Janskruid staan. Dat is tegen de pijn, tegen het verdriet. Een stukje verderop lag een veld met vergeet-mij-nietjes. De Molukkers zijn in de steek gelaten. Hun wens om naar huis te mogen werd van begin af aan genegeerd.’
Het deed me goed om dit uit de mond van een Nederlander te horen. Eerder was het dat we ‘blij’ moesten zijn dat onze ouders hier terecht waren gekomen. En nu was er iemand die, zonder het te weten, begreep wat onze ouders altijd zeiden: ‘Meski ujang mas di tanah orang, lebih baik ujang kras di tanah sendiri – Liever een stevige storm in ons thuisland dan gouden regendruppels in een vreemd land.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant