Home

De Duitsers waren geen overtuigde nazi’s, maar een zachtjes morrend volk

Duitse geschiedenis Er zijn boekenkasten vol geschreven over de vraag in hoeverre de Duitsers geloofden in Hitler tijdens de Tweede Wereldoorlog. In een belangrijk boek neemt historicus Peter Longerich het op voor zijn landgenoten.

Straatbeeld in Berlijn, 1938.

Bestaat er zoiets als het ultieme daderland? Het is een beladen vraag, waar na 1939-1945 in de publieke opinie een eensluidend antwoord op werd gegeven: het bestond en heette Duitsland. Een vergelijkbare natie met een van bovenaf opgelegde en van onderaf gesteunde misdadigheid als dat van onze oosterburen onder de nazi’s zou er in de geschiedenis niet zijn geweest. Er waren uiteraard eerder foute regimes – het Napoleontische dat honderdduizenden slachtoffers maakte in Europa; het Ottomaanse dat genocide pleegde op de Armeniërs -, maar Duitsland spande de kroon. Nergens waren dictator, bewind en volk zo eensgezind in hun afkeer en wens tot vernietiging van alles en iedereen dat hun even overspannen als inhumane onderneming in de weg zou staan. „Daß ihr mich gefunden habt unter so vielen Millionen, ist das Glück unseres Volkes! Und daß ich euch gefunden habe, das ist euer Glück!” Zo zei Hitler het zelf tegen de Duitse massa’s. „Dat jullie mij hebben weten te vinden onder de vele miljoenen is het geluk voor ons land en volk! En dat ik jullie gevonden heb, dat is jullie geluk!”

Peter Longerich: Onwillige volksgenoten. Hoe de Duitsers tegenover het naziregime stonden. (Unwillige Volksgenossen. Wie die Deutschen zum NS-Regime standen) Vert. Alexander van Kesteren. Hollands Diep, 558 blz. € 49,99

De Duitsers werden gezien als een schuldig volk, behalve onder een aantal historici dat er tevergeefs op wees dat dit land onder het dwangsysteem stond van Hitler en de nazi’s. Pas vanaf de jaren zestig en zeventig ging de geschiedschrijving breder kijken: naar de meewerkende bureaucratie en instellingen en naar de gewone Duitser. Men kwam toen tot de conclusie dat de man van de straat op z’n minst medeverantwoordelijk was voor de Duitse catastrofe, zo niet erger. Christopher Browning publiceerde het onthutsende Ordinary Men (1992), waarin Hamburgse mannen van middelbare leeftijd en jonger uit de middenstand en arbeidersklasse in een politiebataljon in het oosten aan de lopende band Joden doodschieten. Robert Gellately (Backing Hitler) en Götz Aly in zijn studie over ‘Hitlers Volksstaat’ stelden in de vroege jaren 2000 vast dat er veel steun was voor wat de een noemde de ‘consensusdictatuur’ en de ander de ‘welvaartsdictatuur’. En in 1999 bracht Ian Kershaw zijn monumentale eerste deel uit van zijn Hitlerbiografie, dat steunde op zijn eerdere studie over de populaire Hitlermythe. Duitsland had zogezegd den Führer entgegengearbeitet. Duitsers waren, kortom, misschien niet allemaal schuldig, maar ze hadden wel ingestemd met de dictatuur en waren in elk geval medeplichtig.

Moord op de Joden

En nu is er dan een nieuw boek van de Duitse nazikenner Peter Longerich, die zich eerder onderscheidde met het standaardwerk Davon haben wir nichts gewust, over het vrij massale medeweten van de moord op de Joden (overigens niet van de gaskamers). De titel Onwillige volksgenoten verwijst rechtstreeks naar Hitlers gewillige beulen, de bestseller waarmee de Amerikaan Daniel Goldhagen de Duitsers in 1996 en masse tot actieve of passieve daders van de Shoah verklaarde.

Misleidend en onzin, volgens Longerich. Want volgens de auteur waren de gemiddelde Duitsers helemaal niet zo bezig met Hitlers abjecte en moorddadige program en evenmin met zijn bruine ideaal van de Duitse Volksgemeenschap. Ze maakten zich veeleer druk om de slinkende aardappelvoorraden, de hoge prijzen en de incompetentie en baantjesjagerij van allerhande plaatselijke (nazi)bestuurders, om zaken die zogezegd te allen tijde de mensheid in beweging brengt. Longerich baseert zijn werk op een eindeloze hoeveelheid zogeheten stemmingsrapporten die in nazi-Duitsland werden bijgehouden. Hij keek ze kritisch en met reserve door omdat ze vooral neigen naar het naar de mond praten van de Führer. Het gaat, schrijft hij, vooral om de onloochenbare feiten (zoals de aardappelcrises) en om kleine lettertjes, waar de onvrede ontegenzeglijk in doorklinkt.

Het beeld dat uit deze helaas enigszins moeizaam lezende, maar belangrijke studie oprijst is dat van een volk dat in het eerste Führerjaar — tussen 1933 en 1934 – vrij massaal meegaat met de nazistische zelffelicitatie. Men bezoekt de bruine manifestaties en allerhande volksfestiviteiten, zoals het oogstdankfeest, die de nazistaat zich toe-eigent. Naarmate de tijd vordert neemt de welwillendheid tegenover het regime echter af. De boeren worden door allerlei nazistische regelgeving en door slechte vaste prijzen voor hun producten steeds ontevredener. Maar ook dat op de Deutsche Bauernkalender de christelijke feestdagen worden geschrapt en vervangen door Germaanse zet kwaad bloed onder de boerenstand.

En zo zijn er meer hoog oplopende irritaties, bijvoorbeeld dat omwille van behoud van bloed en bodem slechts één erfgenaam zich ‘erfhoevebezitter’ en boer mag noemen. De arbeiders voelen zich bedonderd door de blijvende lage lonen en door de zware werkomstandigheden, vooral wanneer eenmaal de oorlogsindustrie draait (ze dreigen weer „tot het marxisme te vervallen”, is een terugkerende zorg in de rapporten). De werkverschaffingsprojecten van de nazi’s veranderen daar niets aan, al worden die in veel historische studies als verklaring gegeven voor de steun van de arbeiders aan het regime. Ze moeten worden verricht tegen een uitkeringsloontje – dat de naziregering met dit werkgelegenheidswonder kon pronken, is dan ook een sprookje volgens de auteur.

De middenstand en burgerij drijven evenzo langzaam van het regime af, omdat ook zij de dupe zijn van de minder draaiende economie, de gevolgen van de oorlogsindustrie en de overdaad aan alledaagse nazificerende maatregelen. Zo meldt de politie in Münster dat veel kleinburgers ter plaatse neigen naar „een afwijzende houding ten opzichte van het Derde Rijk” en „dat ze net als voorheen in kroegen” doorzeuren, nu over extra uitgaven als de winterhulp. De „bekende burgerlijke verwaandheid is er niet minder op geworden”, schrijft de Mecklenburgse politieke politie, die ook constateert dat „in burgerlijke kringen meer kritiek op en onvrede over de regeringsmaatregelen wordt geuit dan in de vroegere marxistische kringen”. Verrassend en contrasterend met het beeld van de Duitser als welwillende aanhanger van het nazibewind is ook dat de auteur klachten signaleert over „de schrikwekkende onwetendheid over rassenvraagstukken”, over gemengde gevoelens over de Neurenbergse rassenwetten en hij afkeer tegenkomt van „de gewelddadige en destructieve” wijze waarop op Kristallnacht tegen de Joden werd opgetreden.

En dan zijn er nog de kerken: de protestantse Bekennende Kirche, die zich niet laat gelijkschakelen en de katholieke, die van elke processie als het even kan een heimelijke demonstratie maakt tegen de heidense machthebbers (tot ergernis van veelvuldige klagende rapporteurs). De katholieke bisschoppen weten in Beieren zelfs de Kreuzkampf te winnen en te voorkomen dat op alle scholen de kruisbeelden worden verwijderd.

Dwangneurose

Het wordt uiteraard allemaal erger als er in de oorlog steeds vaker verloren wordt. Goebbels beruchte oproep in 1943 tot Der totale Krieg – als kenmerkend gezien voor de hysterische dwangneurose waarin het Duitse volk geraakte – kwam als een schok en bracht vooral ontmoediging en ‘angstgevoelens’ teweeg onder ‘angstige zielen’, schrijven de instanties. „Hoe meer een gebeurtenis reden geeft om te hopen op een snel oorlogseinde, des te enthousiaster wordt ze begroet”, is te lezen in de rapporten. Er worden zelfs verscheidene meldingen gemaakt van ‘oorlogspsychose’.

Wat vooral opvalt, is dat het land ernstig vermoeid raakt van het regime dat haar categorisch overvraagt, dat ideologisch offensief op offensief plaats, en dat ondertussen als het om eieren en tomaten gaat nauwelijks levert. „Geen boter, maar kanonnen”, roept Goebbels om het volk voor de herbewapening te winnen; en Göring, bijgenaamd ‘der Dicke’, bestaat het om te zeggen dat „kanonnen ons machtig maken, en dat boter ons alleen maar dik maakt.” Volgens Kershaw bewezen dit soort leuzen – alleen al doordat men ze durfde in te zetten – de populariteit van de nazi’s onder veel Duitsers. 

Longerich gelooft daar niets van. Hij beschrijft een zachtjes morrend volk dat  aan het kortste eind trekt, dat pathologisch leert brommen bij gebrek aan andere mogelijkheden. Hoe langer ik in het boek las, hoe vaker me de enigszins ontwrichtende gedachte bekroop dat het net mensen waren, daar over de grens, net als bij ons, ze waren alleen eerder bezet. Maar zo ‘normaal’ was het er natuurlijk niet. Tien tot twaalf procent was er uiteindelijk lid van de partij (een aantal dat toeneemt in de loop der jaren, een feit dat niet zomaar rijmt met de door Longerich gesuggereerde groeiende onverschilligheid en afkeer) en van zogenoemde civil courage was, zoals de auteur opmerkt, weinig te merken. Maar dat de Duitsers massaal achter Hitler stonden, is na dit boek een stuk twijfelachtig geworden; en evenzo zijn er vraagtekens te zetten bij het concept van het algemene „naar de Führer toewerken”. Het lijkt er eerder op dat men als het even kon probeerde zich van de Führer af te mopperen. Het Duitsland van de jaren dertig en de oorlog waren wellicht normaler dan wij willen weten.

Duitsland

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next