Home

Allard Schröder is een meester in het oproepen van een mysterieuze ambiance. Dat schept wel een afstand

Al vaker doken in de romans van Allard Schröder mythische figuren op; deze keer is het de beurt aan Dionysos, de god van de roes en de vervoering. Lukt het hem wat leven in de futloze hoofdpersoon Robert Selder te krijgen?

is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.

Ook de oude Grieken zullen hun ‘is dit alles’-momentjes hebben gehad. Wéér een dag amforen sjouwen, over de graanprijzen klagen, olijven plukken, koppige ezeltjes slaan en schapenkaas eten.

Gelukkig hadden ze een god tegen de sleur van alledag: Dionysus – die van de wijn, maar ook van de extase, het irrationele en de drift. Waar Dionysus kwam, werd rede, controle en beheersing ingeruild voor roes, vervoering en chaos. Een heerlijke god, kortom, om in een roman te stoppen.

Zeker als je al een zwak hebt voor het mythische, zoals schrijver Allard Schröder (1946). Zijn oeuvre barst van figuren die uit een mythe zijn weggelopen. De hydrograaf, waarmee Schröder in 2002 de AKO Literatuurprijs won, knipoogt subtiel naar de Odyssee. De schone slaper (2017) is gebaseerd op de Griekse mythe van Selene en Endymion. In Sirius, zijn vorige roman, duikt de Noorse god Balder op.

En Dionysus dus, in Schröders dertiende roman, Dood en leven van de jonge Selder. De god moet de gesjeesde student Robert Selder wat opporren. Want hoewel de geprivilegieerde Selder (wit, rijk, man) de wereld aan zijn voeten heeft liggen, leeft hij alsof hij al halfdood is: verveeld, afwachtend, futloos.

Selder is iemand zonder noemenswaardige talenten of eigenschappen, een ‘oningevuld formulier’, een ‘met jou wordt het niets’. Maar dan wordt hij uitgenodigd voor een feest van een vroegere klasgenoot, de wonderlijke Denis met zijn ‘rattenvangerige aanwezigheid’; Dionysus op aarde.

Een villa met een grote tuin, drank en drugs, een zwembad, meiden in tanga’s en elegant geklede mannen, technomuziek, iemand die betoverend mooi viool speelt, oude vrienden, extatische gezichten. Zeg maar gerust: alles waar je op hoopt als je een uitnodiging krijgt voor een feest. Selder gaat ernaartoe. Hij hangt wat rond, drinkt wat, spreekt oude klasgenoten en heeft nog even een momentje met zijn ex. Daarna loopt hij weg, steekt de straat over, auto, pats, boem, zwart.

Vreemde situatie

Is Selder dood? Of is hij door die klap pas tot leven gekomen? Hoe dan ook, vanaf dat moment belandt hij in de ene na de andere vreemde situatie. Zit hij ineens in een onbestuurbare auto, rijdend richting een onbereikbare stad, dan weer wordt hij thuisgebracht bij zijn ouders, die dachten dat hij dood was, vervolgens stapt hij opnieuw in een auto om terecht te komen in het dictatoriale Almannië. Daar is hij illegaal en moet hij eindeloos wachten op valse identiteitspapieren.

Hij wordt verliefd, gaat het leger in, vecht in een oorlog, deserteert, keert terug naar de stad, zoekt zijn voormalige geliefde und so weiter.

Het is nogal wat, en ondertussen vraag je je als lezer af wat Schröder ermee wil zeggen. Is deze hele episode een straf van Dionysus, omdat Selder zich niet vol overgave in zijn feest (of: het leven) stortte? Maar waarom zou deze god zich überhaupt voor die slome Selder interesseren?

Is het een aanklacht tegen een welvarend maar ‘plantaardig bestaan’ in een suffe buitenwijk? Bedoelt Schröder dat je dan nog beter als ontheemde illegaal in een vreemde stad kunt terechtkomen? Of, in het kader van ‘dan voel je tenminste dat je leeft’, dat de loopgraven te prevaleren zijn boven een veilig leventje in sleur? Probeer dat maar eens aan een vluchteling of Oekraïense soldaat uit te leggen.

Of is het idee dat Selder eerst wat levenservaring moet opdoen voordat hij zijn eigen privileges ten volle kan waarderen? Nogal stichtelijk zou dat zijn.

Ach, laat het de lezer maar overdenken – dat is Schröders bedoeling: hij wil open teksten schrijven, waarin niet alles een (duidelijke) betekenis hoeft te hebben.

Maar bij dat afgedwongen, overdenkend lezen is een sterk personage voor de nodige coherentie wel van belang. En daar schort het aan. Selder maakt de meest waanzinnige dingen mee, maar wat dat met hem doet, weten we alleen omdat Schröder dat letterlijk benoemt. Er is weinig innerlijke monoloog, alles wordt óver hem verteld: ‘Uit zelfbehoud en angst had hij op de vijanden van Almannië geschoten.’

‘Altijd waren de deuren voor hem opengegaan en nu dit. Het voelde vreemd, onwennig.’

‘Hij kon niet geloven wat hem zojuist was overkomen.’ Het is dat Schröder het zegt, anders hadden we er niets van gemerkt.

Of Selder nou een soldaat doodschiet, de liefde bedrijft of een centaur ziet lopen: zijn reacties voelen arbitrair – niet als een logisch uitvloeisel van zijn karakter, maar als een toevallig bedenksel van de schrijver. Het gevoel dat Schröder net zo goed iets anders had kunnen bedenken, bleef aan me knagen.

Lezen op sfeer

Wanneer een roman inhoudelijk niet is wat ik ervan had gehoopt, schakel ik weleens over naar ‘lezen op sfeer’. Niet meer proberen alles heel precies te doorgronden, maar je laten meeslepen door de kleur en klank van het boek. Vervoerende natuurbeschrijvingen, de ongrijpbaarheid van filosofische redevoeringen, de avontuurlijke bochten in hersenspinsels, dat soort dingen. Op die manier kun je de moeilijkste boeken uitlezen.

En qua sfeer zit je bij Schröder over het algemeen goed. Hij is een meester in het oproepen van een mysterieuze ambiance. Ook in deze roman weer. Alleen al hoe Selders voorstad beschreven wordt: ‘Een buitenwijk in kwijnend groen’, ‘Loom en lusteloos van de hitte lispelden de bladeren aan de bomen’, ‘Hier in de voorstad was de lucht bijna tastbaar, ze leek op een onzichtbare, glazige substantie, die als een stolp alles wat eronder leefde afschermde van het rusteloos woelen van de wereld.’

Het is mooi, maar tegelijkertijd schept die sfeerstolp ook afstand. Je zíet het verhaal wel, maar kunt er niet in. Het is buitenkant waar je omheen blijft lopen, turend door het glas. Onder die benauwde, beslagen koepel zie je Selder zijn ding doen. Onbenaderbaar. Zelfs de uitvoerig beschreven bacchanalen klinken niet door. Ze doen denken aan de gestileerde voorstellingen van dionysische feesten op antieke vazen: dansende silhouetten, opgeheven armen, wijnranken, muziekinstrumenten. Alles is aanwezig, behalve het gevoel dat je er zelf tussen staat.

Zo had Dionysus het niet gewild.

Allard Schröder: Dood en leven van de jonge Selder. De Arbeiderspers; 448 pagina’s; € 29,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next