Home

Eindelijk, een biografie over Fiep Westendorp, de oermoeder van de Nederlandse illustratoren

Ze was ‘maar’ een illustrator, vond Westendorp zelf. Zelfs in die dienende rol werd ze, ondanks haar populariteit, vaak over het hoofd gezien. In Fiep corrigeren Annette Portegies en Gioia Smid die bescheidenheid overtuigend.

schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.

Zouden er huishoudens in Nederland bestaan zonder tekening of ontwerp van Fiep Westendorp in hun bezit? Zonder een Hema-mok of handdoek met Jip en Janneke, een Siepieknuffel of opblaasbare Takkie, zonder een beker of puzzel met Pluk of Floddertje?

Op mijn kinderkamertje hingen 65 jaar geleden al geblokte Jip en Janneke-gordijnen; ik kende ieder plaatje, en die uit de beduimelde boekjes, met mijn ogen dicht, zoals mijn kleinkinderen nu.

Fiep Westendorp is er nog steeds. Onlangs gaf ik mezelf een Takkie-schuursponsje cadeau.

Het werk van Fiep Westendorp (1916-2004) is Nederlands cultuurgoed. Het is ongelooflijk grappig en geniaal getekend. Verre van realistisch, nooit boosaardig karikaturaal, niet voorspelbaar, wel herkenbaar en raak. Vrolijk en melancholiek. Vol spot, venijn én mededogen.

Toch werd ze nooit zo beroemd als Dick Bruna of als Annie M.G. Schmidt, de andere geestelijk moeder van veel van haar figuren.

Dat komt deels door haar bescheidenheid en teruggetrokkenheid, maken Annette Portegies en Gioia Smid duidelijk in Fiep – Leven en werk van Fiep Westendorp. Westendorp hield niet van interviews en fotografen en vermeed feestjes. Ze trok de stekker graag uit de telefoon. Zij zat dagen- en nachtenlang te tekenen. Minstens twee tekeningen per dag, rekenden Portegies en Smid uit.

Nooit een Penseel

Altijd in opdracht, nooit als ‘vrij’ kunstenaar. Ze was ‘maar’ een illustrator, een dienend beroep. Zelfs in die rol werd ze, ondanks haar populariteit, over het hoofd gezien. Nooit kreeg ze een Gouden of Zilveren Penseel voor haar iconische tekeningen. Die schande werd in 1997 haastig goedgemaakt door haar een Oeuvre Penseel te geven.

Nu is er in het Amsterdamse Rijksmuseum een overzichtstentoonstelling van Westendorps werk, 22 jaar na haar dood – eindelijk. Het boek van Portegies en Smid heeft daar alles mee te maken. Zij maakten een complete inventarisatie van het werk. Honderden tekeningen, in verschillende stadia, zijn afgebeeld in dit schitterend vormgegeven boek, dat alleen daarom al een feest is om telkens door te bladeren.

Annette Portegies, uitgever bij Querido Facto, die eerder een biografie schreef over Maurice Gilliams, nam het levensverhaal voor haar rekening. Het is het belangrijkste en het beste deel van het boek, levendig, compact en met veel compassie geschreven.

ʻIk ben eigenlijk niet zoʼn opgewekte figuur, hoorʼ, zei Westendorp over zichzelf. Zoals anderen schreven om hun demonen te bezweren, maakte zij tekeningen. Al als kind had ze angsten. Ze wist heel jong twee dingen zeker: dat ze illustrator wilde worden en dat ze geen man en kinderen wilde. Haar ruimdenkende ouders vonden het goed dat ze naar de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam ging – bijzonder voor een meisje.

Daar maakte ze het bombardement in mei 1940 van nabij mee. Ze bleef ongedeerd, maar bijna al haar werk werd verwoest. Ook had ze opdrachten verworven via een man die later een NSB’er bleek, en waarschijnlijk de verrader van Jan Campert. Ze ging vervalste persoonsbewijzen en bonkaarten maken. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de angsten hevig terug.

Prefeministen

Het was precies in de periode, begin jaren vijftig, waarin ze alle kansen kreeg. Wim Hora Adema, die voor Het Parool een vrouwenpagina maakte die niet alleen over recepten en mode ging, vroeg haar om tekeningen.

Ze leerde er Annie M.G. Schmidt kennen en illustreerde haar stukken, en later haar bijdragen voor de kinderpagina. Ze kwam in een kring vrouwen terecht, ‘prefeministen’, waarvan naast Hora Adema en Schmidt ook Hedy d’Ancona, Harriët Freezer, Hella Haasse en Mies Bouhuys deel uitmaakten – getalenteerde vrouwen die hun eigen brood verdienden.

Ook mannen dartelden begerig om Westendorp heen, zoals W.F. Hermans en Adriaan Roland Holst; ze maakten geen schijn van kans.

Westendorp besloot hulp te zoeken voor haar angsten en ging in psychoanalyse bij Margot Rehfisch, een uit Berlijn gevluchte Joodse psychiater wier familieleden waren vermoord. Zij werden geliefden, al heette het voor de buitenwereld ‘een bijzondere vriendschap’. Westendorp bleef alleen wonen, maar bezocht Margot elk weekend in Laren. Na haar dood was ze gebroken.

Beperkingen uitbuiten

Gioia Smid, kunsthistoricus en de beheerder van Westendorps nalatenschap, schreef een kortere, kundige beschouwing over de werkwijze en techniek van Westendorp. Haar bijdrage had best met Portegies’ biografie samengevoegd kunnen worden, waardoor het boek meer een eenheid had gevormd.

Smid laat mooi zien hoe Westendorp beperkingen slim uitbuitte. Jip en Janneke zijn altijd en profil te zien; zij verschenen in Het Parool toen krantenpapier van slechte kwaliteit was; scherpe silhouetjes waren de oplossing. Toch zit er veel beweging in de tweedimensionale zwart-witafbeeldingen: mensen zitten op een driedimensionaal lijkende stoel, een kamer zonder diepte heeft toch een ronde tafel en een vloerkleed.

Kleur maakte later de tekeningen nog aantrekkelijker, maar het grafische karakter bleef, en het minimalisme. Gezichten, zelden meer dan een paar boogjes en stippen, tonen alle mogelijke emoties. Kinderen hebben een wipneus, volwassenen vaak geen neus en geen kin, of juist bemoeizuchtige puntneuzen, domme aardappelneuzen en arrogante kinnebakken.

Of het zit hem in de motoriek: de ferme stappen van de overmoedige Jip, de gebogen schoudertjes van Pluk, die vreest dat het niet goedkomt met de Torteltuin, het energiek uitgestoken achterwerk van mevrouw Helderder met haar spuitbus, de knokige X-beentjes van de ontredderde Floddertje als alles onder de tomatensoep zit. Kinderen komen er altijd beter af dan volwassenen, net als bij Schmidt. Zij zijn nog niet hypocriet, ijdel en zelfzuchtig, nog niet gekneed in het gewenste burgermodel.

De hoofdstukken van Portegies en Smid worden onderbroken door korte stukjes van anderen, onder wie Ted van Lieshout, Nicolien Mizee, Joost Swarte en Marlene Dumas, waarin ze commentaar geven bij één tekening. Leuke en vriendelijke stukjes, maar ze horen niet thuis in dit boek, ze leiden af van het lezenswaardiger, boeiender verhaal over Fiep Westendorp zelf. Alsof dat leven, van een uitzonderlijke vrouw die altijd in de schaduw stond, wéér moet wijken voor bekendere figuren.

Annette Portegies en Gioia Smid: Fiep – Leven en werk van Fiep Westendorp. Querido Facto; 352 pagina’s; € 49,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next