Home

In ‘Karel, Károly’ tuigt Lieke Kézér een hardhouten monument op voor haar Hongaarse opa

De opa van Lieke Kézer kwam als Hongaars jongetje van 11 onvrijwillig naar Nederland om aan te sterken en weer terug te gaan. Maar Károly werd Karel en bleef. Zeventig jaar later legt Kézér zijn fictieve versie op de sofa.

is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.

De treurigste en daarmee schitterendste scène in het toch al zo mooie Past Lives van regisseur Celine Song (2023) is die waarin de Amerikaanse Arthur tot de conclusie komt dat hij zijn vrouw Nora nooit wezenlijk zal kunnen begrijpen.

Zij, geboren in Korea en als tiener verhuisd naar de VS, is voor hem ergens nog altijd de ander; hij kan er simpelweg niet bij, bij dat diepgewortelde, Aziatische deel van haar.

Hij vertelt aan zijn geliefde dat ze zelfs droomt in die taal van vroeger; Arthur hoort haar soms mompelen in haar slaap. In haar onderbewustzijn, haar ware kern, klinkt het Koreaans.

Arthur, tegen Nora: ‘Je droomt in een taal die ik niet begrijp. Ik heb het gevoel alsof er een heel deel van jou bestaat waartoe ik geen toegang heb.’

Hoe verhoud je je tot de onvoltooid verleden tijd die een migrantenleven kenmerkt? Door door te lopen, met vaart misschien, of door af en toe eens voorzichtig om te kijken?

In Karel, Károly, de derde roman van schrijver en journalist Lieke Kézér (1976), heeft Karel, het titelpersonage dat op zijn 11de onvrijwillig vanuit Hongarije naar Nederland kwam, zijn keuze gemaakt: voortgaan.

We spreken Noord-Brabant, 1956. Edie, getrouwd met Karel, die in kordaatheid en kalmte niet is te onderscheiden van de andere Brabantse boeren, hoort haar man voor het eerst Hongaars spreken. Zijn moedertaal.

‘De andere taal leek zijn gezicht te veranderen. Ze bekeek haar man zoals ze een vreemde zou bekijken.’

Tijdelijk, heus

Karel is niet zo’n prater. Het feit dat hij als ondervoed Hongaars jongetje naar het Nederlandse platteland werd gebracht om daar (tijdelijk, heus) aan te sterken en zo eigenlijk tot wees werd gemaakt, is niet iets wat hij wil problematiseren. ‘Het is al lang geleden’, klinkt het als Edie ernaar vraagt. Zo ging dat nu eenmaal, toen, in die verleden tijd.

Tussen 1920 en 1930 werden bijna dertigduizend kinderen vanuit het door oorlogen sterk verzwakte Hongarije, dat als land ‘eeuwenlang steeds weer op de knieën gedwongen werd’, naar Nederland gebracht, in zogenoemde kindertreinen. Door een vakantie van enkele maanden in een gastgezin zouden de hongerlijdende kinderen aansterken, om weer met wat vlees op de botten te kunnen terugkeren. Hoewel de Hongaarse ouders anders was verzekerd, is een groot deel van de kinderen in Nederland gebleven. Onder hen het jongetje Károly, de grootvader van Lieke Kézér.

Die aanhoudende migrantenpijn: soms prangend, maar in het geval van Károly, bij aankomst in Nederland plomp Karel gedoopt, vaker sluimerend. Kézér probeert dat wat haar grootvader zorgvuldig wegstopte op te duiken, ze wil vanuit verschillende perspectieven en tijdstippen – chronologisch, dat wel – nagaan wat de uitwerking is geweest van wat zich achteraf vooral als een onvrijwillige adoptie laat omschrijven.

De weifelende moeder die haar kind, aangemoedigd door de katholieke kerk, op de trein zet, afstaat, zal hem er sterker en gezonder door terugkrijgen. De boer die de jongen als zijn eigen zoon opving, maar ondertussen worstelt met zijn eigen plek in het familiebedrijf. Het meisje uit het dorp dat toch valt voor de jongen die tot in de verre omgeving bekendstaat als ‘die Hongaar’.

En Karel zelf, natuurlijk. Slechts een keer reist hij terug naar Hongarije, in 1938, om zijn geboorteakte op te halen. Zijn familie onthaalt hem als een gast. Ze dragen hun nette kleren, het goede servies is uit de kast gehaald. Hij hoort er niet meer bij.

Verkrampt stilzwijgen

Aan Kézér de opdracht die fictieve versie van haar gesloten opa dan toch op de sofa te laten plaatsnemen en hem woorden aan te reiken. Het lukt bij vlagen, als zij zijn verdriet voor hem uitspelt. ‘Hij zweeg, al sinds zijn 11de. Zijn gedachten over zijn familie, het land waarin hij geboren was, alles wat verloren was gegaan, hij had zijn gevoelens gearchiveerd en opgeborgen. Wat aanvankelijk een verkrampt stilzwijgen was geweest, was inmiddels een tweede natuur geworden.’

Karel, Károly ademt degelijkheid en beheersing, meer dan Kézérs eerdere twee boeken. Vooral haar debuut De afwezigen (2016), over een getalenteerde saxofonist, viel juist op door die heel eigen fonkeling, de levenslust; het viel er meermaals door in de prijzen.

Kézér moet zich hebben voorgenomen een stabiel, hardhouten monument voor haar opa op te tuigen. Maar die toewijding gaat gepaard met een braafheid die de verkenning van Karels pijn, toch al zo verscholen, soms een beetje in de weg zit. Een manco van de historische setting, allicht – die moet immers worden recht gedaan.

Het boerenbestaan van de vorige eeuw wordt treffend maar soms net te ijverig beschreven, het hoofdstuk dat is gesitueerd in de Tweede Wereldoorlog is van een schoolboekachtige toon. De buurman heult met de Duitsers, er stort een gevechtsvliegtuig neer, mensen zeggen dingen als: ‘Ze hebben De Kin eindelijk te pakken gekregen. Hij is doodgeschoten in Den Bosch, die NSB-hond.’ Oké, Jan Terlouw.

Deze roman overtuigt vooral in de spaarzame momenten waarop de personages worden gedwongen eens dieper te graven, dat harnas van die bevlekte boerenoverall uit te trekken.‘Pijn lost vaak vanzelf op, daar wachtte ik op’, zegt Karel tegen de dokter wanneer hij, halverwege de zeventig, toch maar eens langsgaat voor zijn aanhoudende klachten. Kanker.

De kernzin van het boek. Zo stoïcijns, zo nuchter: je kunt veel van hem zeggen, maar goed geïntegreerd is Károly zeker.

Lieke Kézér: Karel, Károly. De Arbeiderspers; 303 pagina’s; € 23,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next