Malraux schreef in 1933 met La condition humaine, nu in een nieuwe Nederlandse vertaling, een grootse roman over het menselijk tekort en de net zo menselijke behoefte aan verdoving.
is schrijver en historicus.
Jezus van Nazareth zegt in Marcus 6:4: ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten.’
De woorden van Jezus hoor je niet in twijfel te trekken, maar ik ken een uitzondering. In Frankrijk is André Malraux nog altijd een legende.
André Malraux (1901-1976) gold als een van de Grote Mannen van de Franse 20ste eeuw: verzetsheld, gelauwerd schrijver en minister van Cultuur onder Charles de Gaulle. Met zijn meesterwerk La condition humaine won Malraux in 1933 de belangrijkste literaire prijs van Frankrijk, de Prix Goncourt.
Toen de Franse krant Le Monde rond de eeuwwisseling de literaire balans opmaakte en een lijst samenstelde van de honderd beste romans van de 20ste eeuw, stond La condition humaine op plek vijf. Onder Camus, Proust, Kafka en Saint-Exupéry, maar boven Hemingway, Sagan en Mann.
Vorige maand is het boek opnieuw vertaald door Tatjana Daan als Het menselijk lot, uitgegeven bij Atlas Contact. De roman is zorgvuldig vertaald, en ook geannoteerd.
‘Het is de droom van de mens om god te worden, zonder zijn persoonlijkheid te verliezen’, schrijft Malraux in Het menselijk lot. Malraux was geobsedeerd door de vraag hoe je de geschiedenis in moet gaan. En misschien geldt dat niet voor iedere mens, maar wel voor de schrijver.
In zijn Antimemoires mengde hij eigen herinneringen met passages uit zijn romans, waardoor nooit helemaal duidelijk werd wat echt gebeurd was en wat niet. Toen Malraux’ biografie verscheen, in 2001, kreeg hij daar postuum de rekening voor gepresenteerd.
Biograaf Olivier Todd hield alle legenden tegen het licht en concludeerde dat de schrijver zijn leven royaal had verfraaid. Bij leven waren er al vermoedens, bijvoorbeeld van schrijver en tijdgenoot Raymond Aron: ‘Malraux is voor een derde een genie, voor een derde charlatan, en voor een derde onbegrijpelijk.’
Al sinds zijn jeugd ging Malraux gebukt onder zenuwtrekken, waarvan zijn biograaf vermoedde dat het Gilles de la Tourette was. Op zijn 20ste schreef hij mee aan catalogi voor de galeriehouder van Picasso, maar het leven, dacht hij, speelde zich elders af.
Gefascineerd door de avonturen van militair-schrijver T.E. Lawrence (die van Lawrence of Arabia) besloot Malraux op avontuur te gaan. Met zijn vrouw vertrok hij naar Indochina, zoals het door Frankrijk gekoloniseerde Cambodja toen heette. Hij was 22 jaar oud. Daar vatte hij het plan op om heilige beeldjes uit de Khmer-hoofdstad Angkor te stelen en die in Frankrijk te verkopen. Dit mislukte.
Malraux werd betrapt en gearresteerd door de koloniale politie. Hoewel hij na een petitie van bevriende schrijvers snel weer werd vrijgelaten, was juist dit incident aanleiding om tegenstander te worden van het kolonialisme. Voortaan zette Malraux zich in tegen de koloniale repressie.
Dit werd het onderwerp van zijn vroege werken. In korte tijd schreef Malraux een aantal romans; La condition humaine was zijn definitieve doorbraak. Na de winst van de Prix Goncourt werd hij een van Frankrijks bekendste schrijvers.
Inmiddels kende hij iedereen in de culturele wereld. Picasso, Gide, Cocteau; hij sprak met de marxistische revolutionair Lev Trotski tijdens diens ballingsschap. Tijdens een bezoek aan Moskou leerde hij de regisseur Sergej Eisenstein kennen. Hoewel hij zelf nooit lid werd van de communistische partij, was Malraux sympathisant, een fellow traveller.
Na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog vloog de schrijver naar Madrid om de Republikeinen te steunen, en beloofde ze Franse vliegtuigen en bevoorrading. Hoewel hij geen vliegbrevet had en een matig boordschutter was, nam hij zelf ook deel aan luchtgevechten en maakte hij indruk door zijn moed.
Die werd opnieuw getest bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Vanwege zijn stellingname tegen het fascisme werd hij gepolst voor het verzet, maar nu hield hij zich afzijdig. In plaats daarvan wachtte hij aan de Cote d’Azur tot de oorlog een wending zou nemen. Pas enkele weken voor de invasie van de geallieerden sloot hij zich eindelijk aan bij het verzet. Hij speelde een rol als commandant bij de inname van Straatsburg, onder de schuilnaam Colonel Berger – de naam van een van zijn romanpersonages.
Na de capitulatie van nazi-Duitsland werd er een auto voorgereden bij Malraux, met een boodschapper. ‘De Generaal vraagt u in naam van Frankrijk of u bereid bent hem te hulp te komen.’
De Generaal. De Gaulle. Malraux bewaarde aantekeningen over hun eerste ontmoeting. De twee spraken over Nietzsche, Victor Hugo, Stalin, Marx, Voltaire en natuurlijk de Franse Revolutie. De Gaulle bleef hij trouw, ook in de jaren waarin de generaal in een politiek niemandsland verkeerde en geduldig wachtte tot er een beroep op hem gedaan zou worden.
Toen De Gaulle werd gevraagd om de Vijfde Republiek op te richten, vroeg hij Malraux als minister van Cultuur. Hoewel dat een positie was zonder politiek gewicht, zat hij bij de ministerraad steevast aan de rechterhand van de president.
Als minister van Cultuur vroeg Malraux Marc Chagall om het plafond van de Opera te beschilderen, en regelde hij dat de Mona Lisa werd tentoongesteld in Washington, om zijn vriendin Jackie Kennedy een plezier te doen.
In die hoedanigheid gaf hij ook zijn beroemdste speech, de grafrede voor verzetsleider Jean Moulin, die in 1964 wordt gepantheoniseerd. De bloedstollende rede is integraal terug te zien op YouTube, en ik wil u op het hart drukken om dat te doen. Ook zonder een woord Frans te verstaan is de dictie van Malraux huiveringwekkend.
Moulin werd gevangengenomen en doodgemarteld door de Gestapo. Hoewel hij alles wist, gaf hij geen enkel geheim prijs. ‘Son rol est joué, mais son calvaire commence’, zei Malraux over de martelgang. (Zijn rol is gespeeld, zijn kruisgang begint). Oog in oog met het noodlot was het zwijgende en toegetakelde gezicht van Jean Moulin ‘het gezicht van Frankrijk’.
In die grafrede loopt dezelfde rode draad als in Het menselijk lot. De confrontatie tussen de man en het noodlot (het is altijd de man, want de vrouwen in Malraux’ roman spelen een marginale rol).
Gek genoeg deed de roman mij denken aan de film Once Upon a Time in The West, waarin drie cowboys met elkaar in botsing komen en waarvan slechts één het overleeft. (Volgens collega Arnout le Clercq, correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant, is het de lievelingsfilm van voormalig premier Viktor Orbán, een film over wat het is om een man te zijn.)
Het menselijk lot speelt zich niet af in Amerika, maar in Shanghai. Het is maart 1927. Het keizerrijk is vijftien jaar eerder gevallen, en in navolging van de Russen proberen de Chinese communisten een revolte te beginnen in de havenstad. De man die in de weg staat is Chiang Kai-shek, de leider van de Kwomintang, de Chinese Nationalistische Partij.
Malraux beschrijft de drie weken voorafgaand, tijdens en na de revolte. De bewapening van de revolutionairen, de verovering van de stad. Even lijkt de opzet te slagen, maar de kenner van de staatsgreep weet: die kan alleen succesvol zijn als alle communicatielijnen in handen zijn van de putschisten. En dat is niet zo. De kansen keren. De nationalisten slaan terug en de opstand ontaardt in een bloedbad.
Volgens de flaptekst is Het menselijk lot een politieke thriller, maar dat is niet waar. Zoals Once Upon a Time in the West geen cowboyfilm is, is Het menselijk lot een filosofische roman. Hoewel het soms spannend wordt, gaat het in essentie om de nuances tussen de karakters en hun beweegredenen. De geëngageerde revolutionair Kyo en zijn vader, de onthechte opiumroker Gisors, de fanatieke terrorist Chen, de koloniale Ferral en de gokker Clappique zijn allemaal zetstukken die een verschillend standpunt verbeelden.
De centrale vraag is: wie kan het menselijk tekort verdragen? Het antwoord wordt meteen gegeven: bijna niemand. Dat verklaart de net zo menselijke behoefte aan verdoving. ‘Je moet de geest altijd ergens mee bedwelmen’, zegt Gisors, waarmee hij verwijst naar het baudelaireske gebod om altijd dronken te zijn. Alle personages verdoven zich met moordzucht, met opium, met seks, met gokken, met politiek.
Het lijkt een roman over het communisme; toch schrijft Malraux niet over arbeiders, maar over intellectuelen. Het menselijk lot gaat over Nietzsche en niet over Marx. Uiteindelijk bezwijkt het individu tegen de macht van het systeem. De communisten worden vermoord door de nationalisten, de koloniaal Ferral wordt slachtoffer van de Franse bureaucratie, de oude Gisors van de opiumpijp.
De enige die aan zijn noodlot weet te ontkomen is de losbol Clappique, juist omdat hij nergens in gelooft. Maar is een losbol en een dronkaard wel een man? ‘Een man is de som van zijn daden, van wat hij gedáán heeft, van wat hij kan doen’, zegt Ferral vlak voor het bloedbad. ‘Meer is hij niet. Ik ben niet wat een zekere ontmoeting met een vrouw of man van mijn leven maakt.’
Al lezend begreep ik waarom ik zo had opgezien tegen Het menselijk lot. Het is een roman als de Mont Ventoux, een eenzame voorbode van de Alpen – de existentialisten. De roman was niet eenvoudig en vergde behoorlijk wat van mijn concentratie, maar na afloop heb ik er nog lang over nagedacht.
Vanzelfsprekend werd Malraux ook bijgezet tussen de groten van Frankrijk, door Jacques Chirac in 1996. Zijn graf is te bezoeken in het Pantheon.
André Malraux: Het menselijk lot. Uit het Frans vertaald door Tatjana Daan. Atlas Contact; 368 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant