In Memoir van een antiheld vertelt een naamloze man hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog het hoofd boven water probeert te houden. Niet door in het verzet te gaan, maar juist door zo onopvallend mogelijk te leven.
Herostratos was een Griek die in de 4de eeuw v. Chr. een tempel in brand stak, met als enig motief het verwerven van naamsbekendheid. Zijn straf werd precies dat: zijn naam werd taboe verklaard. Een verbod dat zich moeilijk liet handhaven, en nog altijd laten schrijvers zich inspireren door het ‘syndroom van Herostratos’. Zo schreef Menno Wigman er een geweldig gedicht over, Jean-Paul Sartre een verhaal, en Fernando Pessoa, de Portugese dichter die zijn leven lang gefascineerd was door het idee van postume roem, een essay van meer dan honderd pagina’s.
Voor de hoofdpersoon in Memoir van een antiheld van de Poolse schrijver Kornel Filipowicz geldt precies het tegenovergestelde. Hij stelt: ‘Ik voel absoluut geen behoefte om de dood te riskeren, enkel en alleen om postuum roem te verwerven.’
Filipowicz (1913–1990, tevens levenspartner van Nobelprijswinnares Wisława Szymborska) is bij ons nagenoeg onbekend. In Polen geldt hij echter als een van de grootste schrijvers van de 20ste eeuw. Vrijwel al zijn werk is in het Engels vertaald, in iets mindere mate in het Duits, en nu dan voor het eerst in het Nederlands. Het is een boek dat naar meer smaakt.
In deze in 1961 voor het eerst verschenen ‘microroman’ (de term is van Filipowicz zelf) vertelt een naamloze man hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog het hoofd boven water probeert te houden. Niet door in het verzet te gaan, maar juist door zo onopvallend mogelijk te leven. Hij is midden dertig, doctorandus in de economie, en hij werkt op een kantoor. Wat zijn situatie bemoeilijkt: hij is een zogeheten Volksduitser, een niet in een Duitstalig land wonend lid van het Duitse volk.
Zijn Poolse buren kijken hem hier op aan, terwijl de Duitse bezetter hem als een Pool beschouwt. Het gaat mis als de kinderen van de conciërge hem beginnen te pesten. Bij wijze van wraak bedenkt hij een plan om de conciërge te laten arresteren. Vervolgens gaat hij bij diens vrouw langs om te zeggen dat hij alles op alles zal zetten om haar man weer vrij te krijgen. Zo herwint hij het respect van zijn buren.
Niet veel later kan hij zelf tijdens een razzia geen geldige papieren laten zien. Hij wordt gearresteerd en pas dagen later komt hij weer vrij, als hij eindelijk de Gestapo weet te overtuigen van het feit dat hij wel degelijk een Duitser is.
Een jaar later, de oorlog inmiddels voorbij, wordt hij opnieuw gearresteerd, nu door de Poolse autoriteiten op verdenking van collaboratie met de Duitsers. Tot zijn geluk wordt hij tijdens zijn proces vrijgepleit door een ex-vriendin die wél in het verzet is gegaan en die hem onverwacht goedgezind is.
Tot hier vertoont Memoir van een antiheld opvallende verwantschap met dat andere beroemde verhaal over een onopvallende man die in de gevangenis belandt: De vreemdeling van Albert Camus. Alleen de uitkomst is anders.
Bij Camus wordt de hoofdpersoon ter dood veroordeeld, bij Filipowicz keert de antiheld terug naar huis. De lezer blijft achter met de vraag wat hij hiervan vindt én wat hij zelf zou hebben gedaan als zijn nationaliteit hem keer op keer in de problemen brengt. Knap hoe Kornel Filipowicz dit morele dilemma weet te verwoorden.
Kornel Filipowicz: Memoir van een antiheld. Uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Zirimiri Press; 144 pagina’s; € 22,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant