Natuurbeheer Er leeft een „charismatische bias” bij natuurbeheer: ingrijpen in soortenbeheer is vooral gebaseerd op hoe mensen zich tot een dier verhouden en niet op ecologische schade. Toch zijn ook aaibare invasieve exoten als de wasbeer en eekhoorn niet overal welkom. Hoe moet Nederland daarmee omgaan?
Wasberen veroorzaken onder meer schade aan gebouwen en woningen, gewassen en ‘kritieke infrastructuur’.
Sommige uitheemse diersoorten zijn mooier, liever, intelligenter of aaibaarder dan andere. Maar wat als die schattige dieren hun inheemse buren in hun voortbestaan bedreigen en schade veroorzaken aan infrastructuur, landbouw, dijken en zelfs woningen?
Over dit gevoelige onderwerp publiceerde de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), een onafhankelijke adviesraad van het kabinet, onlangs een ‘zienswijze’, gemaakt op verzoek van het kabinet Rutte-IV. Dat vroeg de Raad „te reflecteren op de spanning tussen behoud van natuur en biodiversiteit en de maatschappelijke wens om geen dieren te doden”. De zienswijze is getiteld ‘(Was)beren op de weg’.
Preventie is voor de Raad „de meest efficiënte en kosteneffectieve” strategie. Voorkomen is beter dan genezen, staat in het rapport. Dat houdt in: snellere plaatsing van „invasieve exoten” op Europese lijsten; duidelijkere regels voor handel in dieren; effectief toezicht; en werken aan „weerbare ecosystemen”, oftewel „systemen waar soorten zelf in staat zijn om binnenkomende uitheemse soorten te neutraliseren voordat ze een plaag kunnen vormen”, stelt raadslid Bastiaan Meerburg, in het dagelijks leven hoofd van het Bayer Innovation Center in Wageningen.
Na een hopelijk „vroegtijdige signalering” is het zaak „het aantal exemplaren van de invasieve soort zo laag mogelijk te houden”. Want ook al is doden van schadelijke dieren „niet vanzelfsprekend”, toch kan het „vanwege andere belangen” gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld omdat volgens de Europese wetgeving het belang van biodiversiteit „leidend” is. Daarbij geldt dat het doel „niet alle middelen heiligt”, aldus de Raad. Raadslid Meerburg: „Diervriendelijke bestrijding wil zeggen dat er bij de bestrijdingsmethode ook terdege rekening wordt gehouden met het welzijn van de te bestrijden soort.”
Er is volgens de Raad sprake van een „charismatische bias” waarin de morele afweging bij soortenbeheer „niet primair is gebaseerd op ecologische schade maar op hoe mensen zich tot een dier verhouden”. Want zo gaat het nu eenmaal: de bestrijding van hinderlijke Amerikaanse rivierkreeften, lastige mieren zoals het mediterraan draaigatje of gevaarlijke muskusratten kan op veel meer begrip rekenen dan de bestrijding van, bijvoorbeeld, een eekhoornsoort. Kenmerken van het dierlijke „charisma” zijn onder meer „grote ogen of een pluimstaart”, aldus de Raad, alsmede „vogelzang”, „aangename geuren”, „complex, hoog-cognitief gedrag” of, ten slotte, „kenmerken die verankerd zijn in de algemene cultuur”.
Pallas’ eekhoorn, ook wel de roodbuikeekhoorn genoemd.
Van belang is natuurlijk ook hoe groot de schade is die het dier aanricht, en hoe je als mens in het leven staat: vanuit een „dominante visie, waarbij de natuur ten dienste van de mens staat, is het doden van dieren eerder gerechtvaardigd”.
Urgent is de kwestie in Limburg. De provincie sloeg onlangs opnieuw alarm, bij monde van gedeputeerde Léon Faassen (BBB), over „de komst van een dier dat we hier niet willen hebben”: de wasbeer. „Weinig mensen weten dat in Duitsland al anderhalf miljoen wasberen leven en daar krijgen ze hem niet meer weg”, laat hij weten. „In Wallonië zijn er ook al tienduizenden.” De wasbeer, hoe aantrekkelijk hij er misschien ook uitziet, is een „ongewenste indringer”, een uitheems roofdier dat zich voedt „met alles wat voorhanden is”, aldus een provinciale evaluatie van de wasbeeraanpak in de afgelopen zeven jaar.
De wasbeer eet onder meer de zeldzame en bedreigde eikelmuis, de geelbuikvuurpad en de rugstreeppad. Ook roven wasberen „met hun behendige handjes” nestkasten van vogels leeg, en worden vermoedelijk ook oehoe-jongen door toedoen van wasberen niet groot. Verder verspreiden ze de voor mensen gevaarlijke wasberenspoelworm en veroorzaken ze schade aan gebouwen en woningen, gewassen en „kritieke infrastructuur, zoals chemische industriegebieden zoals Chemelot” en luchthavens.
Het ethische geworstel tussen natuurschade en dierenwelzijn doet zich pregnant voor bij het opvangen van uitheemse schadelijke diersoorten in wildopvangcentra, signaleert de Raad. De regelgeving „schuurt” tussen enerzijds de wettelijke plicht om dieren in nood te helpen, en anderzijds het Europese verbod om schadelijke dieren na de verzorging weer vrij te laten. Dat dilemma doet zich onder meer voor bij de nijlgans, een schadelijke exoot waarvan jaarlijks dertienhonderd zieke of gewonde exemplaren naar opvangcentra worden gebracht. Dat het kabinet wil dat provincies de herstelde dieren periodiek ophalen en laten doden, is „een ongewenste situatie”.
Een Amerikaanse rivierkreeft.
De Raad heeft geen pasklare oplossing maar adviseert de huidige regels te „beoordelen” en pleit voor „verduidelijking” en „aanpassing” van Europese regels om biodiversiteit, dierenwelzijn en praktische uitvoerbaarheid „beter met elkaar in balans te brengen”.
Ten slotte pleit de Raad ook voor een andere taal. Raadslid Bastiaan Meersburg: „De focus ligt nu heel erg op het offensief: aanvalsplan, exoot, invasief, et cetera. Dit gaat voorbij aan het feit dat uitheemse dieren ook dieren zijn, die kunnen lijden en waar oog voor hun individuele welzijn ook belangrijk is. De dieren kunnen er zelf immers niets aan doen dat wij als mens goede omstandigheden voor hen scheppen.”