Voorafgaand aan de excuses van premier Rob Jetten klonk veelvuldig vanuit de Molukse gemeenschap dat het te laat was en al niet meer hoefde. Dat dacht ook Jan Tahamata, die op 6-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Toch staat hij aan het einde van de dag zijn ogen te deppen.
is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincie Zuid-Holland.
Excuses van Rob Jetten? Daar zit de trotse 81-jarige Jan Tahamata, een traditionele Molukse tatoeage op zijn bovenarm, niet op te wachten. ‘Hadden ze eerder mee moeten zijn’, zegt hij hoofdschuddend in zijn rijtjeswoning in Krimpen aan den IJssel. Het is een breed gedeelde opvatting binnen de Molukse gemeenschap in Nederland.
Veel in Tahamata’s huis herinnert aan de Molukse geschiedenis. Boven de eettafel een ingelijst portret van de Atlantis, het enorme schip waarmee hij op 6-jarige leeftijd voor het eerst voet aan wal zette in Rotterdam. En boven de bank een trouwfoto van zijn ouders: de getergde KNIL-militair en zijn vrouw, die zich een leven lang misleid voelden door de Nederlandse regering.
Wat een tijdelijk verblijf had moeten zijn, in afwachting van terugkeer naar een onafhankelijke Molukse staat, werd een permanent bestaan in Nederland.
Vader overleed in 1983 en moeder in 2007, zij stierven zonder enige verontschuldiging. ‘Ze hebben onze ouders als stront behandeld. In mijn jeugd kon ik het verdriet van hun gezichten aflezen.’ De gepensioneerde lasser springt weliswaar zometeen op de brommer, maar dan alléén om de onthulling van het Nationaal Monument Ulu Kora te kunnen aanschouwen.
Daar is hij later op de dag alsnog getuige van de historische excuses van Rob Jetten. Het gebeurt op de Lloydkade, de plek waar in 1951 de eerste van uiteindelijk twaalf schepen aankwamen. De circa 12.500 KNIL-militairen en hun gezinnen vormden de basis van een gemeenschap die inmiddels uit ruim 70 duizend Molukse Nederlanders bestaat. Binnen die gemeenschap leven gevoelens van onrecht vanwege de gebroken beloften door de Nederlandse overheid nog altijd sterk.
Twee uur voor de speech van Jetten kijkt Tahamata op de Lloydkade peinzend om zich heen. ‘Als ik hier ben, komt het altijd als een film weer terug. Ik weet nog hoe de loopbrug naar beneden viel, en ineens waren we in Nederland.’
Hij dept het zweet van zijn voorhoofd. De zomerse warmte van vandaag contrasteert scherp met de kou die hij zich van toen herinnert. ‘Het was vlak na de winter. Ik had mijn tropische kleding aan: een korte broek en blote voetjes.’ De vrouwen droegen veelal dunne sarongs en kebaya’s. ‘Het was een moeilijk begin van een slechte ontvangst.’
De familie kwam terecht in Woonoord Schattenberg, het voormalige Kamp Westerbork. Tahamata spreidt duim en wijsvinger om de kieren in de barakken aan te geven. ‘Zo groot waren ze. Je kon gewoon naar buiten kijken.’ Soms zaten er niet eens ramen in en hingen er doeken tegen de kou. ‘Daar zijn kinderen gestorven.’
Het opgekropte verdriet werd binnenshuis afgreageerd. ‘Ik kreeg geen tikken, ik werd afgeranseld.’ En niet alleen hij. ‘Als we met een groepje kattenkwaad hadden uitgehaald, bijvoorbeeld een brandje in het bos, kregen we allemaal een pak slaag.’
Zijn vrouw Ankie (78) zegt dat ze zich vroeger afvroeg of haar man dat patroon zou kunnen doorbreken bij hun eigen kinderen. ‘Jan is een gesloten mens, zoals veel Molukkers’, zegt ze. ‘En hij kon boos worden. Maar hij heeft de kinderen nooit geslagen. Hij is een liefdevolle vader en opa.’
Na de treinkapingen van de jaren zeventig – ‘ik stond achter die jongens’ – kregen veel Molukkers volgens Tahamata te maken met wantrouwen en stigmatisering. ‘We werden uitgemaakt voor kapers en moordenaars.’ Tegelijkertijd vonden velen hun plek in de Nederlandse samenleving, zoals zijn neef Simon Tahamata, die uitgroeide tot publiekslieveling bij Ajax. Maar Nederlander voelen? ‘Daarvoor zit de pijn te diep.’
Maar rond twee uur ’s middags gaat Tahamata toch even rechtop zitten, als premier Rob Jetten in het Scheepvaart- en Transport College het woord neemt. ‘Voor het harteloze en eerloze ontslag als militair, voor de gebrekkige opvang en huisvesting, voor niet gezien en in de steek gelaten worden, voor het onvervulde verlangen naar thuis, voor het verdriet en pijn in zoveel Molukse gezinnen, daarvoor bied ik vandaag namens de Nederlandse regering excuses aan.’
Een luid applaus gaat door de zaal, sommige mensen pinken een traan weg. En ook Jan Tahamata verlaat de zaal met vochtige ogen. ‘Het raakte me wel’, moet hij toegeven, als hij zich in de stoet begeeft richting de onthulling van het monument. ‘Ik vind dat hij het netjes zei’, zegt ook Ankie. Tegelijkertijd denken ze met ontgoocheling terug aan de eerste generatie Molukkers die deze dag niet meer meemaakt.
Buiten hebben zich inmiddels zo’n vier- tot vijfduizend Molukkers verzameld. Het tromgeroffel van de tifa’s, de geur van kretek (kruidnagelsigaretten) en de strijdkreten van de traditionele cakalele-dans geven de ceremonie een gewichtige sfeer.
Jan en Ankie zijn benieuwd hoe er verder gevolg zal worden gegeven aan de spuitbetuiging. Jetten zei zelf dat zijn excuses pas betekenis krijgen ‘door de daden die erop volgen’. Hoe dat eruit komt te zien, moet nog blijken. Het is volgens hem ‘niet in beton gegoten’.
Tahamata heeft daar wel ideeën over. ‘Ze moeten de achterstallige soldij alsnog uitbetalen. Excuses horen ook in het parlement gemaakt te worden, zoals in Australië tegenover de Aboriginals. En de koning moet zich nog uitspreken.’
Het belangrijkste vindt hij echter dat de overheid haar beloften nakomt. Hij kijkt toe hoe Jetten nog enkele bezoekers de hand schudt, voordat hij de Lloydkade weer verlaat. ‘De Molukse gemeenschap moet de overheid weer kunnen vertrouwen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant