Mijn vader was de enige man in huis. Hij keek in zijn eentje in zijn werkkamer voetbal, want mijn moeder wilde dat ‘helse groen’ niet zien. Alleen bij belangrijke wedstrijden tartte hij haar door zich het scherm in de woonkamer toe te eigenen. Dan mopperde ze over „het ordinaire gejoel” van de supporters dat golvend door het huis trok, „het koekedomme geklets” van voetbalcommentatoren en „de werkelijk ónbegrijpelijk lelijke kleur oranje”.
Ik schaarde me aan haar zijde en begreep dus lange tijd helemaal niets van voetballiefde. Het was daar, zo vond ik, dat de Nederlandse volksgeest, en nog eerder, de uiteindelijke aard van mannen zich openbaarde: 90 minuten lang lompe aanstellerij om een bal en 22 mannetjes.
Achteraf denk ik dat mijn vader helemaal niet zo van voetbal hield, maar in die uren genoot van de patriarchale macht van het zwijgend kijken, mijn moeders bezwaren teruggebracht tot krachteloos achtergrondgeruis.
Jaren later kreeg ik een voetbalminnend vriendje. Zijn ex, met wie hij mij bedroog, had bij haar vertrek, geweldig was dat, het scherm van zijn laptop helemaal volgeplakt met zijn voetbalplaatjes. Hijzelf nam me mee naar wedstrijden van PSV en Málaga CF. In onze eerste fase liet ik een voetbalshirt met zijn naam maken, en luisterde eindeloos lang naar zijn spreekbeurten over de ‘beginnersgeest’, ‘het heilige vuur’ en ‘positioneel bewustzijn’. Toen ik hem en zijn praatjes zat begon te worden, leerde ik de VI op de wc uit mijn hoofd om hem om de oren te kunnen slaan met voetbalfeitjes. „Jonathan Reis, oei oei, een zorgenkind!” riep ik dan vanaf de pot.
Toen de liefde echt verwelkt was, ging ik over tot totale ontsporing. „Keisuke Honda gaat ervoor!”, riep ik dan als ik Ola Toivonen over het veld zag draven. En bij iedere trainer, behalve Steve McLaren, besloot ik tot een hoofdschuddend: „Daar hebben we hem weer hoor, the wally with the brolly.”
(Je kunt een man eigenlijk niet harder raken dan door zijn liefhebberij te ridiculiseren. Het is daar, in die momenten van ongewapende overgave om een spelletje, of een vis aan een haak, dat ze het kwetsbaarst zijn. Onthoud dat vrouwen, voor degenen die het echt verdienen.)
De 5-1 van Nederland tegen Spanje op het WK van 2014 vierde ik in een overweldigende verliefdheidsroes met Willem. Toen bleek dat deze relatie wél standhield, maar het voetbal ook, ben ik langzaam uit dat gebied gemoonwalkt. Niet omdat ik voetbal zo erg ben gaan haten als mijn moeder, maar omdat ik – zo besloot ik – me op een gegeven moment te veel een volwassen vrouw voelde om nog te schreeuwen als een kind.
Gelukkig heb ik inmiddels echte kinderen. Bij de eerste wedstrijd van het Nederlands elftal deze week haalde Willem de oudste twee uit bed om een stukje mee te kijken. Verwachtingsvol drapeerde hij ze op de bank. De grootste zoon jammerde dat hij echt wel wilde kijken, maar zo moe was „dat hij dacht dat hij flauw zou vallen”. De middelste deed na het Wilhelmus een oog open, vroeg ongeïnteresseerd „welke is precies Japan?” en sliep weer verder.
Na tien minuten legde Willem ze maar weer terug. Toen ik ook maar naar bed ging, keek ik nog even naar hem, in zijn oranje juichshirt, helemaal alleen en volledig gehypnotiseerd door de televisie.
Ik zocht verwoed naar medelijden, maar vond – verdorie, dus toch – alleen maar jaloezie.