Home

We hebben heus wel geld om wanhopige jongeren te helpen – we geven het alleen niet aan hen uit

Zorg Er is door tragische gebeurtenissen weer aandacht voor problemen in de ggz, en het falen van het systeem. Iedereen is van goede wil, ziet Paul Kreemers, maar niemand wil de échte vraag stellen: hoe eerlijk verdelen we onze welvaart?

‘Een echt huisje”, zegt Edwin. „Een hond. Een vriendin. En een beetje muziek maken.”

Als hij kan en durft te dromen, is dat zijn wens. Uitgesproken in een moment van helderheid, ergens tussen twee psychoses in, ergens tussen twee politiebureaus. Edwin leefde ruim twintig jaar in de ruimte tussen systemen. Te complex voor de ggz, te instabiel voor de daklozenopvang, te zorgbehoevend voor de gevangenis. Dus pendelt hij. Crisisopvang, straat, rechtszaal, politiebureau. Steeds opnieuw. Met soms een periode van stabiliteit en hoop, waarin hij droomt van een hond.

Paul Kreemers is maatschappelijk werker en de oprichter van De Pitstop in Alkmaar, een voorziening voor dakloze jongeren.

Journalist Bas Haan (NRC) schrijft in zijn boek Dodelijke zorg over Edwin, die door ontoereikende zorg en falende systemen uiteindelijk zo wanhopig raakt dat hij zich verhangt in een politiecel. Recent reageerde Josephine Lenssen, geneesheer-directeur van de ggz-instelling die voor Edwin moest zorgen in NRC (5/6): „Ik kan die mensen niet in mijn kliniek houden als het niet doelmatig is.”

Op 9 juni presenteerde Jason Bhugwandass zijn rapport Eenzaam gestorven, de opvolger van zijn eerdere rapport Eenzaam gesloten uit 2024, over de misstanden in de twee ‘zeer intensieve kortdurende observatie en stabilisatie’-afdelingen (ZIKOS) in de gesloten jeugdzorg. Bhugwandass stond in pak, achter een doodskist. Eromheen foto’s van zeven jongeren die na een ZIKOS-plaatsing zijn overleden. Hij las de namen voor van de eenenvijftig jongeren die hij voor dit rapport sprak. Achtendertig van hen deden tussen beide rapporten een zelfmoordpoging.

Het eerste rapport van Bhugwandass leidde tot ophef en Kamervragen. Beide ZIKOS-afdelingen gingen dicht, de enige van de zeven aanbevelingen uit zijn rapport die is opgevolgd. Pas nu, na zijn tweede rapport kwamen er excuses van de verantwoordelijke instellingen. Wat ook kwam, was een stortvloed aan reacties van allerlei bevlogen hulpverleners en bestuurders. Half hulpverlenend Nederland haastte zich om een duit in het zakje te doen.

Ze bedoelen het ongetwijfeld goed. Iedereen die wat schrijft, meent het. Friso van Doesburg, ervaringsdeskundige en trainer in de jeugdzorg, schreef op LinkedIn een mooie reactie waarin hij jeugdzorgprofessionals oproept tot een andere manier van kijken. Zijn onlangs verschenen boek Grondhouding is een pleidooi voor menselijkheid: relatie als fundament, neurobiologie als onderbouwing, aanwezigheid als interventie. Dus als hulpverlener niet de jongere willen veranderen, maar er zijn en verbinding zoeken — ook als hij je wegduwt, ook na de zoveelste keer. Hij heeft gelijk.

De bedden zijn er niet

Ik ken de jongeren over wie Bhugwandass schrijft. Jongeren die worden opgesloten voor hun ‘veiligheid’ en daardoor verder beschadigd raken. Ik ken de Edwins in wording, jongvolwassenen die als een hete aardappel worden doorgeschoven van de ene naar de andere „ketenpartner”. En ik weet dat Friso gelijk heeft. De grondhouding maakt het verschil. Ik zie het elke dag.

Dat maakt het des te pijnlijker dat hij en het overgrote merendeel van de zorgprofessionals die ik spreek, het belangrijkste deel van de oplossing onbenoemd laten.

Er is geen goede hulp voor de Edwins en de eenzaam gestorven jongeren. Maar dat komt niet doordat hulpverleners niet willen verbinden, of omdat ze de neurobiologie niet kennen. Het komt omdat de bedden er niet zijn. De tijd per cliënt niet. De continuïteit niet. Het vertrouwde gezicht dat terugkomt, ook als je het zes keer hebt weggestuurd, niet. Dat alles kost namelijk geld. En dat geld is er wel, maar het zit ergens anders. Wáár het dan zit, en waarom dat zo is, zijn vragen die veel hulpverleners niet durven te stellen.

Neem Edwin. Ondanks een lang lopende zorgmachtiging, was een opname niet doelmatig. Maar wat zegt die term precies? Wanneer is iets doelmatig? Over wiens ‘doel’ gaat het eigenlijk, en waarom is dat überhaupt een factor bij het opvangen van wanhopige mensen?

‘Doelmatigheid’ is vooral een financiële prikkel. Het klinkt als een inhoudelijke vraag: is dit de juiste plek, de juiste hulp, voor deze persoon? En zo bedoelt geneesheer-directeur Lenssen het ook. Maar in een stelsel dat draait op declarabele uren verschuift die vraag ongemerkt. ‘Is dit de juiste hulp?’ wordt ‘kunnen we deze hulp verantwoorden?’ En ‘kunnen we het verantwoorden?’ wordt uiteindelijk: ‘krijgen we het betaald?’ Edwins doel — een huisje, een hond, een beetje rust — paste in geen van die vragen.

Hoe vaak we de juiste grondhouding ook verkondigen, menselijkheid institutionaliseer je niet in een systeem dat draait op kostprijslogica.

Machine van zorgvuldigheid

Hulpverleners zijn over het algemeen bijzonder goede mensen. Ik zeg dat zonder ironie. Ze blijven met volharding werken in een veld waarin de problemen en achterstanden steeds groter worden. Ze doen vaak meer dan waarvoor ze betaald krijgen. Ze weten ook dat het anders moet en kunnen de hoofdingrediënten voor betere zorg zo opdreunen.

Maar zodra het gaat over de verdeling van welvaart — over de vraag waarom er voor het ene wél geld is en voor het andere niet — worden ze stil. Ook Lenssen komt daar net niet aan. Wanneer ik dat systeem en de groeiende ongelijkheid in Nederland bevraag, reageren ze alsof ik klaag over het weer. Verspilde moeite: het systeem als ongrijpbare en onveranderlijke waarheid die we enkel kunnen accepteren.

Hulpverleners buigen zich liever over het zorgvuldig verdelen van een veel te kleine taart. En die zorgvuldigheid heeft een prijs; indicaties, aanbestedingen, toezichthouders, verantwoordingssystemen, kwaliteitsregistraties. We besteden zoveel energie aan bepalen of het geld dat we uitgeven voldoende verantwoord is, dat er nóg minder geld overblijft voor de daadwerkelijke zorg. We hebben een machine gebouwd om verspilling te voorkomen, maar die machine is de verspilling.

Het boek van Bas Haan en Michelle van Tongerloo’s Komt een land bij de dokter geeft een scherpe analyse van hoe politieke en economische fantasieën de zorg hebben gesloopt. Decennia van bezuinigingsrondes gepresenteerd als efficiëntieslagen, marktwerking als zorgfilosofie, een leger van bestuurders en adviseurs, en hulp die pas wordt gefinancierd als de problemen groot genoeg zijn om te declareren.

Als de brandweer op dezelfde manier georganiseerd zou zijn, zou ik als brandweerman eerst moeten vragen om water, en daarbij vermelden waar, wanneer en wat voor soort brand er zal ontstaan. Vervolgens zou ik een plantenspuit meekrijgen omdat ingeschat wordt dat het daarmee wel te blussen is. Als blijkt dat het vuur groter wordt, mag ik overstappen op een poederblusser, en pas als het hele huis in lichterlaaie staat krijg ik toestemming om de brandslang in stelling te brengen.

Waarom is dit scenario bij een brand zo evident absurd en accepteren we het wel bij mensen?

De oplossing begint niet in de zorg. Die begint bij de vraag: waarom is de taart zo klein? Dus moet het naast grondhouding en menselijkheid, ook gaan over belastingen. Een discussie over het repareren van de zorg is nutteloos zonder ook te praten over de verdeling van welvaart. Over wat er met een samenleving gebeurt als die verdeling steeds schever wordt. Over wat we bereid zijn te innen bij mensen die veel hebben, om te investeren in mensen die weinig hebben. Hulpverlenen is politiek. Als je je als hulpverlener niet bezighoudt met het verdelen van de welvaart, ben je aan het dweilen met een open kraan.

De volgende Edwin komt eraan. De volgende Kira, Julia, Tara, Tamara, Simone en Indra zijn in de maak. De wil dat te voorkomen is er. Het geld dat nodig is om het écht anders te kunnen doen, is er ook gewoon. Nederland is een van de rijkste landen ter wereld. Wij kiezen samen waar die rijkdom neerkomt.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next