Extremisme Zelfs jaren later worden mensen die zoals Donald Pols uit extremistische bewegingen zijn gestapt nog gestraft om hun verleden, concludeert Nikki Sterkenburg. Potentiële spijtoptanten kunnen daardoor denken: ik kan maar beter blijven waar ik ben.
Donald Pols mocht niet aan de slag bij Tata Steel vanwege een pro-apartheidsverleden. Dat zijn denkbeelden en handelingen uit het verleden fout zijn, staat niet ter discussie. Sinds de onthulling over Pols’ verleden is er ook grote onrust bij Milieudefensie ontstaan. De voltallige raad van toezicht, inclusief leden die niets van zijn verleden wisten, heeft inmiddels zijn vertrek bekendgemaakt.
Nikki Sterkenburg is bijzonder hoogleraar onderzoeksjournalistiek en adviseur nationale veiligheid bij Berenschot. Ze promoveerde in 2021 op beweegreden van extreemrechtse activisten.
Toegegeven, het is lastig opkomen voor personen bij wie je zo veel bedenkingen kunt hebben. Pols gold na zijn overstap van Milieudefensie naar Tata Steel voor veel mensen sowieso al als Opportunist des Vaderlands. Het is makkelijk om geen mededogen te hebben met zo iemand.
Toch ontslaat ons dat niet van de vraag hoelang iemand de prijs moet blijven betalen voor een fout verleden. Pols’ voorbeeld is voor anderen namelijk allerminst een aanmoediging om te breken met extremisme.
Als voormalig extremisme-onderzoeker en onderzoeksjournalist bracht ik jaren door met mensen die ideeën koesteren die ik vaak ronduit zorgelijk en afkeurenswaardig vond. Wat ik van mijn jarenlange veldonderzoek en alle interviews die ik afnam óók leerde, is dat uitstappen vaak meer kost dan blijven.
Wie lid wordt van een extremistische beweging, krijgt (zeker op jonge leeftijd) houvast, identiteit en gemeenschapszin. Wie vertrekt, verliest dat alles. En vervolgens blijkt de buitenwereld allerminst bereid tot het geven van tweede kansen en lijk je veroordeeld tot een bestaan in de marge van de samenleving.
Want je mag dan wel je oude vrienden en ideeën de rug toe hebben gekeerd, je moet vooral de rest van je verdere leven niet te ambitieus zijn. Jermaine Walters kreeg in 2004 op 17-jarige leeftijd landelijke bekendheid als de jongere broer van Hofstadgroep-lid Jason Walters, die een handgranaat naar de politie gooide. Jermaine werd ook gearresteerd en zat in voorarrest, maar werd tot twee keer toe vrijgesproken. Hij trouwde, werkte nachtdiensten bij ProRail en volgde overdag een opleiding.
Begin 2014, tien jaar na zijn arrestatie, ging Jermaine als accountant aan de slag. Bij zijn sollicitatie had hij verteld over zijn verleden. Na zes maanden van goede beoordelingen leek het erop dat hij een vast contract zou krijgen. Maar zijn werkgever durfde het toch niet aan. Aanvankelijk solliciteerde hij opnieuw, maar al gauw maakte hij volgens zijn omgeving een moedeloze indruk. Hij bracht erna steeds meer tijd door met verkeerde vrienden die hem wél omarmden. In de zomer van 2014 reisde hij af naar de Islamitische Staat, waar hij in juni 2015 omkwam bij een bombardement.
In 2016 werd een geschiedenisdocent in Twente ontslagen nadat hij als tiener een blauwe maandag had rondgekeken bij de neonazistische Nederlandse Volks-Unie (NVU). Hij vertelde me over zijn moeizame zoektocht. Hij was er nooit lid geweest en al tijdens zijn opleiding had hij zich van de NVU afgekeerd. Toch waren zijn internetuitlatingen – hij riep in zijn berichten onder meer op tot geweld tegen politie en tegen krakers – uit het verleden reden voor de school om hem te ontslaan. De school kreeg daarin gelijk van de rechter. „Hij heeft aangevoerd dat hij nu niet meer die puberende jongen van destijds was en dat hij daarvan afstand heeft genomen. Dit moge zo zijn, maar daarmee verliest het verleden niet zijn betekenis. Wat gedaan is kan niet zonder meer ongedaan worden gemaakt”, zo oordeelde het hof in hoger beroep.
De docent in kwestie begeleidt inmiddels mensen die eenzelfde weg bewandelen of hebben bewandeld. Dat is een goede afloop, maar niet iedereen heeft het karakter, het netwerk of het geluk om die weg te vinden. En niet onbelangrijk: niet iedereen heeft de behoefte om de rest van zijn of haar leven professioneel ervaringsdeskundige te worden.
Zo interviewde ik een rechtsextremist die na een gevangenisstraf de beweging wilde verlaten. Een leven daarbuiten opbouwen bleek echter een moeizame exercitie. Elke keer als hij een vast contract leek te krijgen, ging het toch niet door omdat er altijd wel iemand was die zijn naam intikte op Google en zijn verleden ontdekte. Het is lastig vooruitkijken wanneer je altijd je verleden als een zak oud ijzer achter je aansleept. Uiteindelijk keerde hij weer terug naar de beweging. Wie nergens anders wordt toegelaten, keert terug naar de enige plek waar hij zich wel welkom voelde: vrienden van vroeger voor wie een brandschoon cv of onfeilbaar verleden geen vereiste is.
We hebben als samenleving de lat zo hoog gelegd dat mensen hun hele leven onfeilbaar moeten zijn. Ook als mensen zich ontwikkelen en van ideeën afstappen, worden ze achteraf gewantrouwd. Uit het opstappen van de raad van toezicht bij Milieudefensie naar aanleiding van de affaire-Pols klinkt een helder signaal: wie iemand een tweede kans geeft, krijgt daar uiteindelijk zelf last van.
Willen we dat mensen vertrekken uit extremistische bewegingen, dan moet de buitenwereld daadwerkelijk iets te bieden hebben. Op dit moment is dat niet zo. Wie naar de kosten en baten kijkt, ziet dat je beter kunt blijven waar je bent. Binnen wacht in elk geval gemeenschap, buiten wacht afrekening – soms zelfs nog tientallen jaren later. Zolang dat zo is, blijft vertrek uit een extremistische beweging een offer dat lang niet iedereen wil of kan opbrengen.