De roep om uitsluiting van de Israëlische ambassadeur bij de Holocaustherdenking bij Loods 24 in Rotterdam is geen extremisme. Het ligt in lijn met het internationale precedent rondom Russische diplomaten bij herdenkingen.
Ik voel mij genoodzaakt te reageren op het opiniestuk over de Holocaustherdenking bij Loods 24. Dat ik deze reactie überhaupt moet schrijven, illustreert direct de beklemmende dynamiek van het huidige debat. Joodse organisaties die tegen het heersende narratief ingaan, worden door gevestigde instanties en overheden structureel in een reactieve positie gedwongen.
Aan non- en antizionistische Joden wordt zelden vooraf gevraagd wat een veilige herdenking betekent; zij moeten zich achteraf verdedigen tegen besluiten die lokale overheden en de zogenoemde ‘officiële’ Joodse gemeenschap allang achter gesloten deuren hebben beklonken. Dit kritische geluid is overigens geen lokaal randverschijnsel. Het vertegenwoordigt een grote, aanzienlijk groeiende minderheid binnen de internationale Joodse gemeenschap.
De standaardreactie die de Rotterdamse burgemeester Carola Schouten deze week gaf, is een treffend voorbeeld van dit institutionele blindstaren. In haar verklaring stelt de burgemeester dat de herdenking ‘geen keuze [is] tussen het ene of het andere verdriet’. Ze roept op om ‘ieder mensenleven in gelijke waarde [te] zien’. Een sympathiek geformuleerd sentiment, maar in de praktijk is het krampachtig schipperen. Het protest gaat immers helemaal niet over een hiërarchie van verdriet. Het gaat over de weigering om de diplomatieke vertegenwoordiger van een staat die nu grove, actuele mensenrechtenschendingen begaat, een erepodium te bieden.
Over de auteur
Lenn Rosenkilde is bestuurslid van de anti-zionistische Joodse culturele vereniging Erev Rav.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dit representatiemonopolie is gevaarlijk, vooral wanneer het geopolitieke hypocrisie verbloemt. De auteurs van het eerdere opiniestuk stellen dat het weren van de Israëlische ambassadeur een ontoelaatbare politisering van het verleden is. Dat is een buitengewoon selectief standpunt. Sinds de grootschalige invasie van Oekraïne zijn Russische diplomaten terecht niet meer welkom bij herdenkingen in concentratiekampen als Auschwitz en Buchenwald. De bittere ironie is dat het destijds juist het Rode Leger was dat deze kampen bevrijdde. Toch werd hun uitsluiting mondiaal erkend als een morele noodzaak. Wie stelt dat voor de vertegenwoordiger van Israël een andere, veel soepelere maatstaf moet gelden, beschermt niet de waardigheid van een herdenking. Die faciliteert namelijk een dubbele politieke standaard.
Wie pleit voor deze uitzondering, weigert de brute realiteit onder ogen te zien. De ontmenselijkende retoriek komt niet voort uit een oververhit protest, maar weerklinkt structureel in de hoogste Israëlische politieke regionen. Voormalig Knesset-lid Moshe Feiglin citeerde op nationale televisie letterlijk Adolf Hitler om de vernietiging van Gaza te legitimeren, met de glasheldere toevoeging: ‘Every child, every baby in Gaza is an enemy.’ Wanneer openlijk genocidale taal het staatsbeleid flankeert en uitmondt in oorlogsmisdaden, kan een ambassadeur onmogelijk als een passieve, ceremoniële toeschouwer worden gefaciliteerd.
Voor deze brede groep Joodse inwoners buiten Israël bestaat een helder alternatief voor dit morele vacuüm. Velen van hen baseren zich op de diasporische traditie van doikayt (hierheid). Deze theorie verwerpt de aanname dat Joodse veiligheid afhankelijk is van een exclusieve etnostaat. Ware veiligheid is ondeelbaar. Ze wordt lokaal bevochten in solidariteit met alle minderheden in de democratieën waarin deze groepen wonen.
Vanuit dat besef is ook de toenemende Joodse steun voor de BDS-beweging (Boycot, Desinvesteringen en Sancties) een volstrekt logische stap. BDS is geen antisemitisch instrument, zoals critici reflexmatig beweren. Het is een vreedzame campagne onder leiding van de Palestijnse burgermaatschappij (ngo’s, vakbonden, mensenrechtenorganisaties, red.). Volledig gemodelleerd naar de historische boycot die het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime ten val bracht, biedt de beweging individuen en instituties een geweldloos en praktisch mechanisme om een staat ter verantwoording te roepen wanneer westerse overheden falen.
De herdenking bij Loods 24 draait om Rotterdamse stadsgenoten die het slachtoffer werden van machinale, geïnstitutionaliseerde ontmenselijking. Het afdwingen van de aanwezigheid van een ambassadeur van wie de regering exact diezelfde ontmenselijking vandaag de dag als geopolitiek instrument inzet, eert dat verleden niet. Het is de dwingende reden dat een groeiende Joodse beweging een dergelijke genodigde resoluut de rug toekeert.
Genocide-ontkenning
Bizar als bij de herdenking in Loods 24 de ambassadeur aanwezig zou zijn van een land dat op dit moment een volk uitroeit. Met Van Leeuwen en Kreijkes ben ik het op één punt hartgrondig eens: de Holocaust is uitzonderlijk in zijn planmatige handelen gericht op de volledige uitroeiing van een volk. Misschien ook uniek omdat het ging om het uitroeien van een bevolkingsgroep die a priori werd gehaat, en niet om een genocide zoals die op de Palestijnen in Gaza, gericht op de vernietiging van een volk dat alleen maar in de weg zit.
Bij een herdenking van de Holocaust is het goed om te focussen op wat hier meer dan 80 jaar geleden gebeurde. Maar niet met een vertegenwoordiger van een land dat op dit moment genocide pleegt.
Van Leeuwen en Kreijkes ‘zien’ dat de Holocaust steeds vaker wordt gebruikt om het huidige conflict tussen de Palestijnen en Israël te duiden. Dat is niets nieuws: dat gebeurt al sinds de stichting van de staat Israël: de Holocaust als vergoelijking voor de daden van die staat. Van Leeuwen en Kreijkes doen wat ze hun tegenstanders verwijten: ze vergelijken Gaza en de Holocaust (en zien legio verschillen).
Holocaust en Endlösung zijn historische begrippen die horen bij de gruwelijke genocide door de Duitse staat in de Tweede Wereldoorlog. Net zoals namen als Auschwitz. Het is ongepast om die termen als etiket op een andere genocide te plakken. Maar de term genocide? Dat is een wetenschappelijke term, ook vastgelegd in VN-verdragen. Wie dat exclusief aan de Holocaust toekent, doet aan genocide-ontkenning.
Zoals Van Leeuwen en Kreijkes, die Gaza zien als een onderwerp voor discussie over proportionaliteit en internationaal recht. En ‘concentratiekamp’? Ook dat is een algemeen begrip, zoals een militair historicus toch zou moeten weten, voor het eerst gebruikt door de Engelsen in de Boerenoorlog en van toepassing op Oeigoeren, op Aziaten in de VS in de Tweede Wereldoorlog, en op Palestijnen.
Ameling Algra, Den Haag
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant