Israël Er ontstond discussie over een internationale debatwedstrijd in Utrecht waaraan veel Israëliërs mee deden. Dat komt ook omdat Nederland nalaat haar beleid voor internationale misdrijven toe te passen op Israëlische burgers, ziet Angélique Eijpe.
Pro-Palestina demonstranten in Utrecht bij de European Universities Debating Championships, die omstreden zijn geraakt door het grote aandeel Israëlische deelnemers, die door Nederland niet zijn getoetst op mogelijke oorlogsmisdrijven.
Nog maar kort geleden betoogde ik in een andere krant dat de Nederlandse overheid serieus onderzoek moet doen naar mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven, van Nederlandse staatsburgers die in Israëlische krijgsdienst hebben gediend. Ik had niet verwacht dat er zo snel opnieuw aanleiding zou zijn om over dit onderwerp te schrijven.
Angélique Eijpe is oud-diplomaat. Zij nam ontslag vanwege het Nederlandse Gaza-beleid.
De aanleiding is het European Universities Debating Championship (EUDC), dat vorige week plaatsvond op de campus van de Universiteit Utrecht. Op het eerste gezicht lijkt dat een regulier internationaal studentenevenement, maar in de week voorafgaand aan het evenement werd bekend dat er 93 Israëlische studenten deelnamen. Vrijwel alle Israëlische universiteiten waren vertegenwoordigd, evenals drie Israëlische debatverenigingen.
De deelnemers bevonden zich in de leeftijdscategorie van twintig tot dertig jaar. Gezien de algemene dienst- en reserveplicht in Israël betekent dit dat de meeste van hen de afgelopen jaren in het Israëlische leger hebben gediend. Nu maakt militaire dienst niemand automatisch verantwoordelijk voor internationale misdrijven – individuele verantwoordelijkheid is een fundament van iedere rechtsstaat. Dat was ook de kern van de aanvankelijke reactie van de EUDC-organisatie op de ontstane discussie.
Maar die constatering is niet afdoende. Tegen de achtergrond van de internationale misdrijven waarvan Israël in Gaza wordt beschuldigd, kon niet worden uitgesloten dat zich onder een groep van deze omvang en samenstelling personen bevonden die daar mogelijk bij betrokken zijn geweest.
Dat risico bleek tijdens de bijeenkomst geen abstracte veronderstelling. Op de voorlaatste dag van het kampioenschap maakte de Hind Rajab Foundation, samen met het European Legal Support Center, bekend aangifte te hebben gedaan tegen een Israëlische deelnemer wegens mogelijke betrokkenheid bij ernstige internationale misdrijven in Gaza. Die aangifte lag al sinds voor het evenement bij het Openbaar Ministerie maar van enige opvolging lijkt geen sprake.
Deze realiteit raakt direct aan de kern. Het is uiteindelijk niet aan maatschappelijke organisaties of universiteiten om individuele schuld vast te stellen. Dat is een taak van het Openbaar Ministerie en de rechter. Maar instellingen maken wel keuzes over de context waarin zij evenementen organiseren en over de maatschappelijke betekenis daarvan.
Juist daarom riep de samenstelling van dit evenement vragen op. Bijna een kwart van alle deelnemers was afkomstig uit Israël, terwijl er geen enkele Palestijnse universiteit of debatvereniging vertegenwoordigd was. In een periode waarin universiteiten wereldwijd hun institutionele relaties met Israëlische instellingen heroverwegen tegen de achtergrond van Gaza is een zo’n grote vertegenwoordiging geen neutraal organisatorisch gegeven.
De Universiteit Utrecht en University College Utrecht trokken op dezelfde dag dat de aangifte bekend werd gemaakt ook hun steun aan EUDC in. Volgens hun verklaring leidde aanvullende informatie tot twijfel over de vraag of zij vooraf voldoende waren geïnformeerd over de institutionele betrokkenheid van Israëlische universiteiten. Daarmee erkenden ook zij dat de context waarin een dergelijk evenement plaatsvindt niet los kan worden gezien van de bredere maatschappelijke en politieke werkelijkheid.
De situatie kreeg in Utrecht bovendien een aanvullende pijnlijke dimensie. Op de campus waar het evenement plaatsvond verblijven zeven studenten die onlangs uit Gaza zijn geëvacueerd. Hun komst naar Nederland verliep allerminst vanzelfsprekend. Zij moesten maandenlang procederen tegen de Nederlandse staat voordat zij Gaza konden verlaten en hier hun studie konden voortzetten. Tegelijkertijd kunnen personen die hebben gediend binnen een strijdmacht die wordt beschuldigd van ernstige internationale misdrijven Nederland zonder enige vorm van toetsing in- en uitreizen.
Hier wordt zichtbaar welk vacuüm ontstaat wanneer de overheid geen verantwoordelijkheid neemt. Maatschappelijke organisaties worden geconfronteerd met vragen over mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven terwijl zij noch de informatie, noch de bevoegdheden hebben om daarover een oordeel te vormen.
Nederland beschikt over gespecialiseerde opsporingsdiensten voor internationale misdrijven en kent universele rechtsmacht. Wanneer personen worden verdacht van betrokkenheid bij internationale misdrijven gepleegd door bijvoorbeeld ISIS, bestaat er een duidelijk beleid om onderzoek te doen en individuele verantwoordelijkheid vast te stellen.
Een vergelijkbaar beleid ontbreekt volledig waar het gaat om internationale misdrijven gepleegd in Gaza, Libanon of op de Westelijke Jordaanoever. Dat is niet het gevolg van een gebrek aan juridische mogelijkheden of bevoegdheden. Nederland kan onderzoek doen naar mogelijke daders of kan beleid ontwikkelen over de toegang tot Nederland wanneer er concrete aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid bij internationale misdrijven.
Dat deze instrumenten niet worden ingezet is een politieke keuze. Een keuze die de universaliteit van rechtsstatelijke beginselen teniet doet en de samenleving opzadelt met de spanningen die daaruit voortvloeien.
De kernvraag is dan ook: heeft Nederland de bereidheid dezelfde rechtsstatelijke normen toe te passen als het gaat om personen die in het Israëlische leger dienen? Of maken we voor deze categorie mogelijke plegers van internationale misdrijven een uitzondering?
De situatie in Utrecht maakt weer duidelijk dat deze vragen niet theoretisch zijn. Het probleem is dat opeenvolgende kabinetten al bijna drie jaar proberen deze fundamentele vragen te vermijden of af te doen, alsof het ondenkbaar zou zijn dat personen binnen het leger van ‘bevriende natie’ Israël betrokken kunnen zijn bij internationale misdrijven.
Maar vragen verdwijnen niet door ze te negeren. De maatschappelijke realiteit dwingt dit kabinet tot een keuze: blijven wegkijken, met alle maatschappelijke gevolgen van dien, of eindelijk beleid ontwikkelen en actief uitvoeren dat de universele toepassing van het recht waarborgt.