Watermanagement De natuur, landbouw en scheepvaart kampen met grote droogteproblemen, maar eerdere investeringen verzachten de schade. Watermanagers verhoogden tijdig het peil van de ‘nationale regenton’ en legden zoetwaterbuffers aan. Toch waarschuwen ze: „De garage met maatregelen is nu wel leeg.”
Een drooggevallen gedeelte uiterwaard langs de Lek.
De droogte is enorm, het neerslagtekort gigantisch. Door de Maas stroomt nog redelijk wat water, maar de afvoer van de Rijn is met ongeveer 640 kubieke meter water per seconde bij Lobith nog nooit zo laag geweest. Riviercruises werden geannuleerd, vrachtschepen schrapen met veel kabaal over de bodem van de Waal, of mogen helemaal niet varen. De natuur en de gewassen snakken naar vocht.
En toch: het valt eigenlijk wel mee. „Als ik deze zomer vergelijk met de vorige twee droge zomers, in 2018 en 2022, dan constateer ik dat onze uitgangspositie stukken is verbeterd”, zegt Deon Slagter, voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling, het gremium met watermanagers van onder meer Rijkswaterstaat, waterschappen en KNMI dat bij droogte adviseert over maatregelen. „We kunnen geen water toveren. Maar we beschikken over meer middelen dan ooit om de gevolgen van de droogte te beperken.”
Zoals: vóór het begin van de huidige zomerdroogte was het peil van de ‘nationale regenton’, het Markermeer en IJsselmeer, al flink hoger dan andere jaren. Daardoor kan meer zoet water naar droge of verzilte gebieden worden gebracht, via bijvoorbeeld een ingenieus systeem van kleine vaarten en sloten.
Ook kan zout water vanuit zee, dat bij gebrek aan tegendruk van rivierwater naar binnen dringt, effectiever worden tegengehouden. Dat kan bijvoorbeeld met een ‘zoutdam’, zoals die onlangs is gebouwd bij de sluizen van IJmuiden. Iets dergelijks gebeurt ook bij de Afsluitdijk. Waterschappen hebben zoetwaterbuffers aangelegd. De stuwen in de Lek bij Hagestein staan op een kier, zodat extra zoet water naar de Hollandsche IJssel stroomt en verzilting tegengaat. Et cetera.
Lastig is te bepalen in welke mate deze vaak relatief nieuwe maatregelen de droogteschade beperkten. „Wat je wel kunt zeggen, is dat we tijd kopen”, zegt Slagter. „Zonder deze maatregelen was de scheepvaart al veel eerder beperkt. En hadden waterschappen al eerder brak water moeten inlaten om voldoende water in de polders te houden.”
Voldoende is de aanpak echter niet. Slagter: „We hebben meer middelen, maar ik zeg altijd: de garage is nu wel leeg.” Nederland zal meer moeten doen om de gevolgen van de steeds vaker jaarlijks terugkerende droogte het hoofd te bieden. Slagter: „We hebben heel lang de luxe gehad van voldoende water, zodat overal landbouw en scheepvaart mogelijk was. We moeten eraan wennen dat dit niet meer zo is. Nederland moet weerbaarder worden.”
Die weerbaarheid kunnen watermanagers niet alleen afdwingen met, zoals ze het zelf noemen, technische „trucs”. Ook de houding van de Nederlanders moet veranderen. „Wij zijn een verwend land”, zegt Dolf Kern, zoetwaterspecialist bij het bureau van de Deltacommissaris, die het kabinet adviseert en plannen maakt voor waterbeheer. „Er stromen twee grote rivieren door ons land, waardoor we per hoofd van de bevolking ongeveer zes keer zo veel water hebben als België. Maar zoals we met al dat water omgaan, is met de toenemende droogte niet meer efficiënt.”
De „belangrijke boodschap” is volgens Kern dat Nederland meer rekening moet houden met droogte. Laat boeren hun bedrijfsvoering aanpassen op de kans op een droge zomer. Of neem, zegt hij, de sluiting van het Twentekanaal, als gevolg waarvan bedrijven in die regio niet goed bevoorraad kunnen worden. „Een zomer als deze is volgens onderzoekers over twintig jaar het nieuwe normaal. Als we transparant zijn over de risico’s van sluiting van een kanaal bij droogte, dan kunnen bedrijven anticiperen, bijvoorbeeld door grote voorraden van hun producten aan te leggen.”
Een ander voorbeeld van Kern: „Als wij duidelijk kunnen maken hoe groot de toekomstige kans is op lage rivierstanden, kunnen ondernemers zich daarop instellen. Bijvoorbeeld met de bouw van schepen met geringe diepgang.”
Daarnaast moet Nederland grote ingrepen niet schuwen. Kern wijst erop dat 60 procent van het zoet water dat bij Lobith het land binnenstroomt, via de Nieuwe Waterweg bij Rotterdam weer in de Noordzee wegstroomt. Kern: „We hebben de Nieuwe Waterweg zo diep uitgegraven dat we zelf onze kwetsbaarheid bij droogte hebben veroorzaakt.” Er wordt onderzoek gedaan naar de effecten van het ondiepe maken van de Nieuwe Waterweg. „Dat biedt perspectief.”
Ook wordt een verdere verlaging onderzocht, ’s zomers, van het peil van het Marker- en IJsselmeer. Dan komt elders meer zoet water beschikbaar. „Je zou tijdens calamiteiten de buffer kunnen vergroten door het water tien centimeter extra te laten uitzakken. Dat levert een enorme hoeveelheid water op.”