Slavernij Met hun onderwateronderzoek willen de archeologen breken met koloniale en door westerse historici gedomineerde vertellingen over Gorée’s rol in de trans-Atlantische slavenhandel. „Het gaat niet over simpel handelswaar, maar over mensen met ervaringen en ideeën.”
Nafiissatou Diouf en Youssou Ndour van het Slave Wrecks Project brengen de locatie van een mogelijk slavenschip in kaart voor de kust van het Senegalese eiland Gorée. Het project onderzoekt de trans-Atlantische slavenhandel met maritieme archeologie en leidt onderzoekers uit onder meer Senegal op om zelf hun geschiedenis bloot te leggen.
Op de binnenplaats van een eeuwenoud fort klinkt gerinkel. Met wetsuits tot hun middel opgetrokken en hun duikschoenen al aan tillen drie studenten archeologie en een gendarme gespecialiseerd in onderwatererfgoed zuurstofflessen op een kar. Omringd door een geschiedenis die ze proberen te herschrijven, kent ieder zijn taak. De ene tilt, de ander duwt. Naar hun collega’s en het water dat buiten de fortmuren tegen de kade klotst.
Voor de nog geen tweeduizend bewoners van Gorée, een piepklein eilandje voor de kust van de Senegalese hoofdstad Dakar, is het een bekend gezicht. Ieder jaar in juni of oktober, wanneer de Atlantische Oceaan hier op zijn rustigst is, komen de onderzoekers voor een paar weken terug. De meesten komen uit Dakar of elders in Senegal, een enkeling uit Ivoorkust, de Verenigde Staten. Die uit Benin en Haïti konden er ditmaal niet bij zijn.
Meter voor meter zoeken zij de zeebodem af naar de resten van Gorée’s donkere verleden. IJzeren nagels, stukken hout. Getuigen van de tienduizenden mensen die tussen de vijftiende en negentiende eeuw werden weggerukt uit dit deel van West-Afrika tijdens de Trans-Atlantische slavenhandel. Het strategisch gelegen eiland van nog geen kilometer lang en 300 meter breed werd hun laatste stop voordat zij door Europeanen werden afgevoerd naar de Amerika’s en Caraïben.
Het blijft bijzonder hier te duiken, zegt de 29-jarige Nafiissatou Diouf terwijl ze eenmaal op de boot haar regulator op een fles monteert. Als onderdeel van haar studie archeologie in Senegals zuidelijke Casamance regio leerde ze over de slavernij. En over Gorée, waar de Portugezen, Nederlanders, Britten en Fransen ooit om vochten. „Maar dat was theorie”, zegt Diouf. „Geschreven door mensen die geen deel uitmaakten van deze geschiedenis.”
Precies dat proberen zij en haar collega’s te corrigeren, als allereerste team, deels nog in opleiding, West-Afrikaanse onderwaterarcheologen. Door bewijsstukken te verzamelen die niet alleen meer inzicht geven in Gorée’s rol tijdens de slavenhandel, maar die vooral ook een gezicht moeten geven aan hen over wie het ging. „Dit is óns verhaal”, zegt Diouf.
Nafiissatou Alkaly Diouf, deelnemer aan de SWP Academy, maakt zich klaar voor een duik voor de kust van het Senegalese eiland Gorée.
Op een dronebeeld van het Senegalese eiland Gorée zijn op de voorgrond de drie duikboten van het Slave Wrecks Project te zien.
Aan het hoofd – zij het niet meer voor de dagelijkse leiding – staat Ibrahima Thiaw (60), één van Senegals meest vooraanstaande archeologen, die zich de afgelopen decennia specialiseerde in de slavenhandel en de geschiedenis van Gorée. Het is geen kleine taak die zijn team op zich neemt. Het eiland, dat sinds 1978 op de Unesco Werelderfgoedlijst staat, is uitgegroeid tot zo’n symbolische plek, dat ieder er zijn eigen vertelling heeft.
Zoals de lokale gidsen die dagelijks honderden toeristen, waaronder uit de diaspora, langs huizen, forten en kerken leiden die herinneren aan de Europese aanwezigheid. Met als sluitstuk het Maison des Esclaves (huis van de slaven) en diens Door of no Return. Gorée, horen hun toehoorders, was hét hart van de Trans-Atlantische slavenhandel.
Tegenover hen staan de veelal westerse historici die vanaf de jaren negentig vooral oog hadden voor archiefbewijs om deze „mythe” van Gorée onderuit te halen. Nee, het waren geen miljoenen tot slaaf gemaakten die hier passeerden, zoals het officiële verhaal lang wilde. Het werkelijke aantal zou eerder ‘maar’ zo’n dertigduizend mensen zijn. Het Maison des Esclaves, de Door of No Return? Vooral symboliek.
Hij zal niet beweren dat dergelijke statistieken niet van belang zijn, zegt Thiaw. Hij ontvangt enkele weken eerder in het gebouw van Urica, de onderzoeksafdeling voor cultuurontwikkeling en antropologie die hij leidt aan de Cheick Anta Diop Universiteit in Dakar. Toch werd volgens Thiaw het debat te lang gedomineerd door die vraag: hoeveel? „Daarmee verliezen mensen uit het oog welk drama in Afrika zelf achterbleef.”
De ontwrichting, de verwoesting. In zijn eigen onderzoeken richtte de archeoloog zich juist op het alledaagse. Op hoe de komst van de Europeanen vrijwel ieder aspect van het leven op plekken als Gorée veranderde. Hoe niet alleen de omgeving veranderde, maar ook eetgewoonten en religieuze overtuigingen. „Wat blijft over als zelfs je goden worden gedood?”, vraagt Thiaw. „Mensen verloren hun houvast.”
In de koloniale archieven en westerse geschiedschrijving over de slavenhandel was daar weinig oog voor. Het ging vooral om marchandises: zwarte lichamen als handelswaar. Archeologie, vond Thiaw als jonge onderzoeker, bood een krachtig alternatief. Voor mensen wier bestaan door de slavernij werd uitgewist, vertellen de objecten die in de grond achterbleven soms als enigen nog hun verhaal.
Ibrahim Thiaw in het laboratorium van het IFAN, het Institut Fondamental d’Afrique Noire (in 2024)
Dat vroeg wel om een nieuwe benadering. Want ook zijn overwegend witte vakgebied is een product van het koloniale verleden, zegt de onderzoeker. Zo valt Thiaws afdeling officieel onder het Institut Fondamental d’Afrique Noire, het IFAN, dat in 1936 werd opgericht toen Dakar nog de hoofdstad was van Frankrijks koloniën in West-Afrika. „De werkwijzen van onze voorgangers waren vaak ingegeven door allerlei vooroordelen”, zegt de archeoloog.
„Maar als je breekt met sommige oude methoden, bijvoorbeeld door de gemeenschap die het betreft in je onderzoek te betrekken, ontdek je dat de archeologie buitengewone mogelijkheden biedt om de geschiedenis op een andere manier te vertellen.”
Zeker die van Gorée. Sinds iets meer dan tien jaar beperken Thiaw en zijn studenten zich daarbij niet alleen tot opgravingen op het eiland zelf, maar ook, voor het eerst, onder water; rondom het eiland proberen zij met hulp van de lokale vissers in kaart te brengen wat zij vermoeden dat de wrakstukken van gezonken slavenschepen zijn.
Voor de hand lag dat niet. Niemand binnen zijn afdeling kon destijds duiken. Sterker: sommigen, waaronder Thiaw, konden nauwelijks zwemmen. Dat veranderde dankzij een samenwerking met het National Museum of African American History and Culture in Washington en het Smithsonian Institution waaronder het museum valt.
Met een programma dat zij rond 2014 lanceerden, steunen ze onderzoekers in onder meer Mozambique en Zuid-Afrika in het lokaliseren en documenteren van slavenschepen. In Senegal ontwikkelden zij daarnaast met Thiaw een meerjarig traject om anderen uit Afrika en de diaspora de basis van onderwaterarcheologie te leren: de Slave Wrecks Project Academy. Ook Thiaw eindigde in het water. „Ik moest het goede voorbeeld geven.”
Terwijl hun smalle speedboot heen en weer dobbert in de ochtendzon, schuift Madicke Gueye (36) zijn duikvinnen over zijn voeten en tikt zijn duikhorloge aan. Als eerste zal de coördinator van het onderzoeksprogramma zich dadelijk achterover in het water laten vallen om te controleren hoe sterk de stroming die dag is. Om de beurt dalen daarna twee teams van drie met tekenbord en een meetraam in de hand zo’n tien meter af. Iedereen klaar, vraagt Gueye. En weg is hij.
Hier, in de diepte, liggen de resten van een schip dat ergens in het begin van de negentiende eeuw voor Gorée zonk. Ze hebben hem nog niet precies kunnen identificeren, vertelde de archeoloog vooraf. Maar met de aanwijzingen die ze tot nu toe aantroffen, waaronder een stuk romp en anker, en wat Gueye zelf in Franse archieven terugvond, heeft hij wel een vermoeden: een Frans slavenschip dat uit de haven van Marseille was vertrokken.
Hoewel er aanwijzingen zijn voor mogelijk nog tientallen wrakken rond Gorée, beperkt hun onderzoek zich voor nu tot twee locaties, vertelt zijn Amerikaanse collega Gabrielle Miller (33) van het museum voor Afro-Amerikaanse geschiedenis, terwijl ze haar duikbril poetst. Het andere wrak, deze op vijftig meter diepte, hebben ze inmiddels wel een naam kunnen geven: de HMS Senegal, een Brits marineschip dat onder meer slavenschepen beschermde.
Teamleden van The Slave Wrecks Project laden duikspullen in hun boot bij Gorée.
Deelnemer Madické Gueye van de SWP Academy bereidt zich voor op een duik bij Gorée.
Duikers van het Slave Wrecks Project brengen een archeologische vondst bij Gorée in kaart. Naast de naam heeft Youssou Ndour een hartje getekend.
Gabrielle Miller van van het museum voor Afro-Amerikaanse geschiedenis en Youssou Ndour van The Slave Wrecks Project Academy bij het eilandje Gorée.
Het zijn puzzelstukjes, voor nu. Maar ze helpen te laten zien hoe al hun geschiedenissen met elkaar zijn verbonden, zegt Miller. En dat is belangrijk, aldus de archeoloog. „We hebben het hier niet over een verleden dat voorbij is. Zwarte gemeenschappen wereldwijd voelen nog altijd de gevolgen van de erfenis van de slavernij.”
In het Westen ligt die boodschap politiek gevoelig, bleek een paar maanden geleden weer. Afrikaanse landen dienden eind maart bij de Verenigde Naties een resolutie in met dezelfde strekking. Vooral in de VS waren de reacties fel. Daar probeert president Donald Trump sinds zijn terugkeer in het Witte Huis de sporen van Amerika’s slavernijgeschiedenis juist vakkundig uit te wissen. Onder meer met aanvallen op instituten als het museum waarvoor Miller werkt.
Het maakt hun werk alleen maar urgenter, zegt de archeoloog, wier eigen voorouders als slaaf te werk werden gesteld op het Caraïbische eiland St. Croix. Te lang, stelt zij, had hun vakgebied iets voyeuristisch: het waren vooral buitenstaanders die zich opwierpen als experts van culturen die niet die van hen waren. „Dat wordt des te problematischer als het gaat om een geschiedenis zo pijnlijk en gewelddadig als de slavernij.”
Archeologie is immers van nature destructief, zegt Miller. „Je kunt iets maar één keer opgraven. Dus de middelen die je gebruikt en de vragen die je stelt, doen ertoe.”
In de wateren rond Gorée ging dat al eens mis. Eenmaal eerder, in 1988, ging een Franse onderwaterarcheoloog het team van Thiaw, Gueye en Miller voor, in het kader van een programma van UNESCO. Maar wat hij deed was du n’importe quoi, aldus Thiaw. Zo haalde de Fransman tijdens zijn duiken tal van objecten, waaronder houten scheepsdelen, naar boven, zonder ze daarna op een juiste manier te conserveren.
Sommige stukken lagen al dertig jaar in emmers zeewater toen ze door de onderzoekers werden teruggevonden in het historisch museum dat nu in het fort is gehuisvest. Van andere objecten was nauwelijks meer dan gruis over. In een ruimte van het oude fort waar ook hun duikmateriaal ligt opgeslagen, hebben ze de afgelopen tijd geprobeerd met ziplockzakjes en stiften ook orde in die achtergelaten chaos te scheppen.
Archeologische opgravingen hebben context nodig, zegt Gueye, als hij even later weer plaatsneemt op de boot, een spoor van druppels om hem heen. „Waar is iets gevonden? Wanneer? Wat lag er omheen?” Zonder dat, stelt hij, is het verschil met plunderen klein.
Vondsten uit een scheepswrak, waaronder de halzen van wijnflessen, worden bewaard in het Historisch Museum op het eiland Gorée voor de Senegalese hoofdstad Dakar.
Abdoulaye Faye, deelnemer aan de SWP Academy, brengt een duiklocatie bij het eiland Gorée in kaart.
Hun team haalt vooralsnog niets naar boven. Niet omdat ze dat niet willen, zegt Gueye daar eerlijk bij. Maar ze hebben de middelen niet. Ja, ze hebben nu een eigen boot, zuurstoftanks, een machine waarmee ze sediment van de bodem kunnen opzuigen om bloot te leggen wat daaronder ligt. Wat nog ontbreekt, is een professioneel laboratorium waar objecten die eeuwen onder water hebben gelegen, onder de juiste omstandigheden kunnen worden onderzocht en bewaard.
Al tijden lobbyen Thiaw en Gueye bij hun universiteitsbestuur om daar verandering in te brengen. Het lijkt de goede kant op te gaan, zegt die laatste voorzichtig. Zo tekenden zij onlangs een akkoord met de decaan om onderwaterarcheologie formeel in het curriculum op te nemen. Een lab, hopen de onderzoekers, is de volgende stap.
Tot die tijd blijft het bij observeren, in kaart brengen. Ook wanneer Nafiissatou Diouf en haar medestudent Youssou Ndour die middag proestend van enthousiasme bovenkomen. „Madicke, we hebben iets gevonden!” Verstopt onder een dun laagje zand troffen ze een ijzeren drijfnagel, kromgebogen door de impact die het schip waarschijnlijk deed zinken. Op hun tekenbord heeft Ndour de locatie op schaal nagetekend. Ernaast een hartje bij hun naam.
Het Senegalese eiland Gorée, gezien vanaf de veerboot die het eiland nadert.