Coney Island lag te glinsteren in de middagzon. De jongen had al weken over het pretpark gepraat, dus toen hij eindelijk in New York arriveerde was ongeveer het eerste wat we deden naar Coney Island gaan.
In de zomer van 2025 was ik daar in een achtbaan, nota bene eentje voor kleuters, zo misselijk geworden dat ik tegen hem had moeten zeggen: ‘We gaan weer eens.’
Elke zomer biedt nieuwe kansen, vooral in het pretpark.
Ik had me verheugd op het spookhuis – van alle attracties zijn het spookhuis en de botsautootjes mij het liefst, het reuzenrad verdraag ik ook – maar uitgerekend het spookhuis weigerde de jongen te betreden.
Een vriendin stuurde een sms: ‘Het echte leven is spookhuis genoeg.’
Ja. Maar het spookhuis biedt mogelijkheden. Het echte leven soms ook.
Na Coney Island was Washington DC aan de beurt. Tussendoor was ik nog geïnterviewd over oorlog en genocide. Zelf had ik de mobilisatie van de massa ter sprake gebracht, want wie de wereld waarlijk wil veranderen moet de massa mobiliseren of wachten op AI. De keuze lijkt mij niet moeilijk.
De mobilisatie van de massa laat ik echter voorlopig aan anderen over, en gelukkig was Washington begin augustus leeg. Zelfs de metro was verlaten.
In Hotel Lombardy regeerde het verleden, het gelukkige verleden zullen we maar zeggen, in het restaurant van het hotel verklaarde een alleraardigste ober – een heilige onder de obers – dat hij er al vanaf 1991 werkte en de jongen was bereid broccoli te eten.
Wel schreef zijn moeder na het videobellen: ‘Kun je zijn haren alsjeblieft met conditioner wassen? Ik kon de klitten zien zitten. Straks kom je er niet meer doorheen met een kam.’
Nog diezelfde avond werden zijn haren met conditioner gewassen. Het geschreeuw ging door merg en been. Maar Washington is wel wat gewend.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant