Home

Opinie: De inwoners van Caribisch Nederland verdienen een stem in het buitenlandbeleid

Zolang een Koninkrijksparlement ontbreekt, hebben inwoners van Curaçao, Aruba en Sint Maarten nauwelijks democratische invloed op het buitenland- en defensiebeleid dat ook namens hen wordt gevoerd. Buitenlandse Zaken is er zogenaamd ‘voor Nederland wereldwijd’, maar niet voor het hele Koninkrijk.

Op sociale media schamperde voormalig staatssecretaris van Defensie Gijs Tuinman dat hij als Limburger eiste dat in elk vertegenwoordigend orgaan in Nederland een Limburger zou zitten. Aanleiding hiervoor was ons onderzoek als jongerendenktank The West Wing in samenwerking met de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over hoe de stemmen van jongeren uit het Caribische deel van het Koninkrijk beter kunnen doorklinken in ons buitenlandbeleid.

Dat is broodnodig, aangezien de politiek angstvallig stil blijft over het onderliggende probleem: ruim driehonderdduizend inwoners van ons Koninkrijk hebben geen kiesrecht over het buitenlandbeleid dat mede namens hen wordt gevoerd. Voeg daar een polycrisis van geopolitieke spanningen, zoals in Venezuela, toenemende migratie en klimaatverandering aan toe, en de noodzaak om dit democratisch tekort te dichten dringt zich steeds sterker op.

Over de auteurs

Chris Anna Capel, Daven Inderson en Daan Jen Hong Li zijn leden van de jongerendenktank voor het buitenlandbeleid The West Wing.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Botsing met democratische waarden

Tuinman wees op een van de rariteiten in de relatie tussen de vier landen van ons Koninkrijk. Sinds de staatshervormingen van 10 oktober 2010 vormen drie landen – Curaçao, Aruba en Sint Maarten – samen met Nederland het Koninkrijk der Nederlanden. Internationaalrechtelijk is er maar één land: het Koninkrijk. Het Statuut, de Grondwet van ons Koninkrijk, bepaalt dat buitenlandse betrekkingen en defensie koninkrijksaangelegenheden zijn. Een Koninkrijksparlement dat deze keuzes controleert bestaat niet. In de praktijk is het Nederlandse parlement de controlerende macht, waardoor de minister van Buitenlandse Zaken alleen aan de Nederlandse bevolking verantwoording aflegt, en niet aan de bevolking van andere landen binnen het Koninkrijk.

Dat botst met de democratische waarden die we in Nederland koesteren. Burgers in het Caribisch deel van ons Koninkrijk hebben weliswaar stemrecht binnen hun eigen land, maar geen invloed op het orgaan dat over het buitenlandbeleid beslist. Terwijl de wetten wél voor het gehele Koninkrijk gelden.

Die gebrekkige afstemming keert telkens terug: van de onthouding bij de VN-stemming over de trans-Atlantische slavenhandel, waarover geen afstemming plaatsvond, tot gebrekkige communicatie bij de Amerikaanse troepenopbouw voor Venezuela. Ook de slagzin van Buitenlandse Zaken, ‘We zijn er. Voor Nederland wereldwijd’, spreekt niet over het gehele Koninkrijk, terwijl het ministerie eveneens verantwoordelijk is voor de Caribische landen.

Zonder grondwetswijziging

Dit is geen nieuw probleem. Zo had de Raad van State het in 2024 al over ‘morganatisch burgerschap’. Hiermee bedoelde de Raad dat het Koninkrijk weliswaar één nationaliteit kent, maar de daaraan verbonden politieke rechten verschillen afhankelijk van de woonplaats van de burger. Ook het kabinet-Rutte IV sprak in het regeerakkoord de ambitie uit om het democratisch tekort op te heffen, maar kwam vervolgens niet tot concrete beleidsmaatregelen. Het kabinet-Schoof, waar Gijs Tuinman deel van uitmaakte, erkende het probleem, maar blonk niet uit in daadkracht.

Ons onderzoek laat zien hoe dit democratisch tekort zonder grondwetswijziging kan worden verkleind. Na maanden interviews met beleidsexperts en jongeren, rondetafels en enquêtes, luidt de conclusie: een gebrek aan consultatie, informatie en representatie ligt aan de basis van het onevenwichtige buitenlandbeleid. De grap van Tuinman legt de vinger op de zere plek. Limburgers hebben actief en passief kiesrecht in elk Nederlands orgaan; inwoners van het Caribisch deel van ons Koninkrijk niet. Zelfs de AIV, die het hele Koninkrijk adviseert, heeft nog nooit een lid uit het Caribisch deel van ons Koninkrijk gehad.

Met de dag urgenter

Met de Verenigde Staten, die opereren in de geest van de Monroedoctrine, toenemende migratiestromen en de directe gevolgen van klimaatverandering wordt de inbreng van het Caribisch deel van het Koninkrijk in het buitenlandbeleid met de dag urgenter. Zolang er geen Koninkrijksparlement is, is het al een stap vooruit als alle delen van het Koninkrijk verplicht en vroegtijdig worden geconsulteerd bij ieder dossier dat hen raakt, in plaats van pas achteraf.

Andere mogelijkheden zijn een zetel voor Caribische expertise in adviesorganen zoals de AIV en een jaarlijkse rapportage over de voortgang van deze maatregelen. De maatregelen delen één uitgangspunt: zolang inwoners van Curaçao, Aruba en Sint Maarten niet adequaat vertegenwoordigd zijn, is verplichte consultatie en verantwoording het enige instrument dat hun zekerheid geeft dat hun stem niet in een la verdwijnt. Een democratisch tekort in één deel van het Koninkrijk is een tekort van ons Koninkrijk als geheel. Zoals Tuinman het schetste: iedereen verdient een stoel aan tafel.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next