Eyal Boers | auteur en regisseur Eyal Boers schreef een boek over het beeld van ‘de Jood’ in Nederlandse speelfilms, en de betekenis van Joodse regisseurs, producers en bioscoopeigenaren voor de vaderlandse filmindustrie. „Ik was direct gegrepen door het feit dat een Joods gezin centraal staat in een van de oudste Nederlandse speelfilms.”
Carice van Houten als de Joodse Ellis in de film ‘Zwartboek’ uit 2006.
In de openingsscène van de stomme film Weergevonden uit 1914 zien we hoe een man zijn woning betreedt terwijl hij ondersteund wordt door een vrouw. Op de achtergrond rijdt een paard-en-wagen. Twee heren van stand houden hun pas in om het tafereel te bekijken. Wie is de man? Waarom wordt hij ondersteund door de vrouw?
Op de daarop volgende beelden draagt de man een keppel en staat hij voor een mooi gedekte sjabbattafel, omringd door twee dochters. Hij moet blind zijn, want hij grijpt bijna mis als hij de challe, het gevlochten brood, in zout wil dopen.
In de volgende ruim drie kwartier zien we hoe de oudste dochter een relatie krijgt met een niet-Joodse arts. Haar wanhopige vader verbreekt het contact, met als gevolg dat hij en zijn andere dochter in een kelder moeten gaan wonen omdat de verstotene in hun levensonderhoud voorzag. Het contact wordt hersteld als de jongste dochter ernstig ziek wordt en haar zwager haar geneest.
Foto privécollectie
Eyal Boers studeerde Film & tv aan de Universiteit van Tel Aviv. Hij is hoofd van de film- en tv-afdeling van de Ariel Universiteit en regisseerde onder meer de documentaires Classmates of Anne Frank (2008) en Live or Die in Entebbe (2012).
De Israëlische regisseur Eyal Boers (51) was „flabbergasted” toen hij de film voor het eerst zag. „Zó’n oude film met zó’n Joodse verhaallijn, daar stond ik echt van te kijken”, zegt hij vanuit zijn woonplaats Givatayim, nabij Tel Aviv. Nederland telde in 1914 zo’n 6 miljoen inwoners, rekent hij voor, van wie er ruim 100.000 Joods waren. „Te weinig om zo’n film tot een commercieel succes te maken, maar de thema’s in Weergevonden – de kloof tussen arm en rijk en die tussen conservatieve ouderen en progressieve jongeren – spraken een breed publiek aan.”
Boers zag Weergevonden tijdens de research voor zijn recent verschenen boek The Jew in Dutch Cinema: Images, Stereotypes and National Identity. Daarin beschrijft hij hoe het beeld van ‘de Jood’ in Nederlandse films verandert, afhankelijk van sociaal-politieke ontwikkelingen – van bange, passieve outsiders als Arie Cohen Kaz in Pastorale 1943 uit 1978, tot mooie, verleidelijke vrouwen als Ellis in Zwartboek (2006) en een „arrogante, racistische kolonialist” als David in Alleen maar nette mensen uit 2012.
Hij laat ook zien hoe belangrijk Joodse regisseurs, producers en bioscoopeigenaren zijn geweest voor de Nederlandse filmindustrie, zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog. „Ze zeggen vaak dat Joden Hollywood hebben uitgevonden, daar is een beroemd boek over geschreven. Maar ook in de Nederlandse filmindustrie waren Joden als Loet Barnstijn, Maurits Binger en Abraham Icek Tuschinski pioniers.”
Neem de in 1880 geboren ondernemer Barnstijn, zegt Boers, die bioscopen runde en films distribueerde en produceerde. Tijdens zijn vele reizen naar de VS ontdekte hij de mogelijkheden van geluidsfilms. Met hulp van Philips ontwikkelde hij een apparaat waarmee al in 1931 de eerste korte Nederlandse geluidsfilm werd geïntroduceerd: Zijn Belooning. Barnstijn was ook medefinancier van de tweede Nederlandse speelfilm met geluid, De Jantjes uit 1934. „Een filmtycoon”, noemt Boers hem.
Birgit Doll en Max Croiset in de film ‘Charlotte’ van Frans Weisz uit 1981.
„Ik was een paar maanden oud toen mijn ouders van Israël naar Nederland verhuisden, het land waar al in 1565 een van mijn voorouders woonde. Op mijn zevende verhuisden mijn ouders weer terug naar Israël, waar ik Film & tv ben gaan studeren aan de universiteit van Tel Aviv. Daar volgde ik een seminar van Ilan Avisar, auteur van het boek Screening the Holocaust: Cinema’s Images of the Unimaginable. Tegen het eind moesten we een paper schrijven, en ik stelde Avisar voor om onderzoek naar Joden in Nederlandse films te gaan doen. ‘Dat is nooit eerder gedaan’, riep hij verbaasd. Toen ik hem een paar jaar later weer tegen het lijf liep, moedigde hij me aan te promoveren op dit onderwerp.”
„Die landen hebben wereldberoemde regisseurs voortgebracht: Steven Spielberg, Ingmar Bergman, Alfred Hitchcock. Een van de redenen, denk ik, waarom daar meer filmonderzoek wordt gedaan. Toch is er genoeg interessants als het om Nederlandse films gaat. Ik was direct gegrepen door het feit dat een Joods gezin centraal staat in een van de oudste Nederlandse speelfilms. Weergevonden verscheen nog vóór de beroemde Duitse stomme speelfilm Der Golem (1920), over een pop van klei die tot leven werd gewekt om de joodse bevolking tegen vervolging te beschermen.”
„Dat Barend en Mimi de oorlog overleefden, via allerlei omzwervingen door Europa, Jamaica en Engeland, is een wonder. In 2018 zond Fryslân Dok een documentaireserie uit over hun ruim negen minuten lange bruiloftsfilm uit 1939: De Joodse bruiloft van Annet Huisman. Hoe was het de gasten die in beeld komen vergaan? Bijna allemaal bleken ze te zijn vermoord.”
„Bij mijn zoektocht naar relevante films heb ik hulp gehad van Rommy Albers, curator van het Eye Filmmuseum. Veel documenten en brieven van regisseurs uit privécollecties zijn aan het museum geschonken. Zo ontdekte ik bijvoorbeeld dat regisseur Hein Josephson, anders dan in sommige boeken wordt gemeld, zelf het script voor Zes Jaren (1947) schreef, een van de eerste naoorlogse Nederlandse speelfilms. Zes jaren is te zien in het Filmmuseum, maar ook veel andere films met Joodse personages, zoals Weergevonden, Van den vos Reynaerde (1943), LO/LKP (1949) en Gisteren komt nooit weerom (1959). Daarnaast heb ik gesprekken gevoerd met Joden die van betekenis zijn geweest voor de Nederlandse filmindustrie, zoals regisseur Frans Weisz.”
Weisz is een van de weinige regisseurs die, in nauwe samenwerking met dichter en toneelschrijver Judith Herzberg, Nederlandse films over de Holocaust maakte vanuit een Joods perspectief, schrijft Boers in The Jew in Dutch Cinema. „Een van de grootste regisseurs uit de Nederlandse filmgeschiedenis”, noemt Boers hem. „De Nederlandse Woody Allen.”
Waar Joodse personages in klassiekers als Pastorale 1943 (Wim Verstappen, 1978) Soldaat van Oranje (Paul Verhoeven, 1977) en Het meisje met het rode haar (Ben Verbong, 1981) de heldhaftigheid van verzetsstrijders moeten benadrukken, brengt Weisz de oorlogsverschrikkingen dichtbij door in het hoofd van de Joodse kunstenaar Charlotte Salomon te kruipen (Charlotte, 1981) en door meerdere generaties van een Joods gezin te volgen in zijn triologie Leedvermaak (1989), Qui Vive (2001) en Happy End (2009).
Kitty Courbois (achter) in ‘Leedvermaak’ uit 1989, het eerste deel van een triologie van Frans Weisz over een Joods gezin dat worstelt met de nasleep van de Tweede Wereldoorlog.
„In veel naoorlogse Nederlandse films wordt de hulpvaardige christen tegenover de hulpeloze Jood gezet: Zes Jaren, Niet tevergeefs (1948), LO/ LKP (1949), Soldaat van Oranje (1977), Het meisje met het rode haar (1981), De ijssalon (1985) en Zwartboek (2006). Op zichzelf niet uniek, want meerdere landen brachten films uit met Oscar Schindler-achtige personages, die de positieve volksaard verbeelden. Probleem is alleen dat in geen ander Europees land – met uitzondering van Oost-Europa – zoveel Joden werden vermoord als in Nederland. The Dutch paradox wordt dit wel genoemd.”
Hij denkt even na. „In Niet tevergeefs uit 1948 was al een vader te zien die zijn zoon doodschoot omdat die onderduikers dreigde te verraden. En in Soldaat van Oranje sluit Alex zich aan bij de Waffen-SS. Niet lang daarna kwam Claude Lanzmann met zijn niets verhullende documentaire Shoah (1985), die velen de ogen heeft geopend. Maar je hebt gelijk, pas in Riphagen wordt het opportunisme van Nederlanders tijdens de oorlog als uitgangspunt genomen.”
„Alleen maar nette mensen is een van de weinige Nederlandse speelfilms waarin het Israëlisch-Palestijnse conflict aan bod komt. ‘Nieuwe Joden’ worden Joden als David wel genoemd: assertief en overheersend. Nederlandse filmregisseurs laten het Israëlisch-Palestijnse conflict tot nu toe over aan documentairemakers, want te gevoelig. Ik betwijfel of dat snel verandert.”