Zalmnorm Ruimere begrotingsregels klinken als de oplossing voor achterstallig onderhoud en digitale ambities. Maar het knelpunt is niet geld, het zijn mensen. Wie meer wil, moet inzetten op productiviteit en durven kiezen, betoogt Robert Inklaar.
Wegwerkzaamheden aan de A27 – vooral in de bouw is er behoefte aan werknemers.
Kemal Rijken heeft een punt als hij zegt dat het hoog tijd wordt om de Zalmnorm los te laten (NRC 6/7). De Nederlandse begrotingssystematiek dwingt investeringen telkens te concurreren met lopende uitgaven, en dat pakt slecht uit voor projecten met een lange horizon. Het achterstallig onderhoud aan wegen, bruggen en sporen, een opgave van 80 miljard euro, is daar het pijnlijkste voorbeeld van. Op dat probleem kom ik terug, want het verdient een beter antwoord dan Rijken geeft.
Robert Inklaar is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Zijn recept, meer lenen op de kapitaalmarkt, verwart namelijk geld met middelen. Minister Vincent Karremans (Infrastructuur en Waterstaat, VVD) zei dat hij geen pinautomaat met gratis geld heeft. Stel dat hij die wél had: waar haalt hij dan de wegenbouwers, betontechnologen en netwerkspecialisten vandaan? Nergens. Want die zijn er niet, of ze werken al ergens anders.
De werkloosheid in Nederland is al jaren heel laag (nu 4,0 procent). En hoewel de arbeidsmarkt niet meer zo krap is als in 2022, hebben werkgevers nog steeds veel vacatures per werkzoekende; 91 vacatures per 100 werkzoekenden in het eerste kwartaal van 2026. En juist in de bouw is de vacaturegraad het hoogste. Door de vergrijzing is deze krapte bovendien geen conjunctureel verschijnsel: De Nederlandsche Bank vroeg zich al in 2024 af of dit het nieuwe normaal is, en het antwoord laat zich raden.
Wat gebeurt er als de overheid in zo’n arbeidsmarkt tientallen miljarden extra leent en uitgeeft? De bouwvakker die de brug repareert, kan niet tegelijk een woning bouwen of een hoogspanningsstation aansluiten. Extra vraag zonder extra aanbod betekent vooral hogere lonen en prijzen, en verdringing van private investeringen die we net zo hard nodig hebben. De begrotingsregels zijn niet het obstakel; de regels maken zichtbaar dat kiezen onvermijdelijk is.
Voor importintensieve uitgaven, zoals defensiematerieel uit het buitenland, geldt deze beperking minder: die leggen geen beslag op Nederlandse vakmensen. Maar voor precies de voorbeelden die Rijken aanhaalt, van bruggen en sporen tot datacenters en digitale verbindingen, is het werk overwegend binnenlands. Daar is de vraag niet of we het kunnen betalen, maar wie het gaat doen.
Als er niet meer handen zijn, moet elke hand meer leveren. Juist hier is het Nederlandse verhaal zwak: de arbeidsproductiviteit groeide het afgelopen decennium met gemiddeld 0,4 procent per jaar, tegen 0,7 en 1,8 procent in de twee decennia daarvoor. Het jaar 2025 bracht met 2,4 procent de sterkste productiviteitsgroei in twintig jaar. Dat is bemoedigend, al is één jaar te weinig om van een trendbreuk te spreken; daarvoor schommelt deze reeks te sterk met de conjunctuur.
Het rapport van Peter Wennink wijst de weg, en de belangrijkste stappen vergen nauwelijks extra handen. De kern van zijn 51 aanbevelingen is dat de overheid de grootste knelpunten voor bedrijvigheid moet wegnemen, zoals trage vergunningverlening en netcongestie. Dat vergt bestuurlijke moed, geen bouwvakkers. Van de 151 tot 187 miljard euro aan productiviteitsverhogende investeringen die het rapport nodig acht, moet het leeuwendeel privaat gefinancierd worden. Bedrijven willen ook investeren, zo blijkt uit de gesprekken achter het rapport, maar lopen vast op die randvoorwaarden – niet op een gebrek aan kapitaal. Zeker, ook private investeringen leggen beslag op schaarse mensen. Maar zij vergroten de productiviteit en verruimen zo het aanbod, waar extra publieke bestedingen dat meestal niet doen. Wie moet kiezen wat schaarse vakmensen doen, kiest voor het werk dat de schaarste zelf verlicht.
Daarmee ligt er ook een antwoord op het probleem waarmee ik begon. Wennink schrijft dat de staatsschuld verantwoord mag oplopen voor investeringen met aantoonbaar hoog rendement. Daar valt goed mee te leven, maar de toets is dan het rendement, niet de begrotingsruimte. Dat is iets wezenlijk anders dan Rijkens investeringsfonds buiten de uitgavenplafonds. Met Wenninks voorstel bescherm je langetermijnprojecten tegen de waan van de dag, zonder de deur open te zetten voor alles wat zich investering noemt.
De les reikt verder dan het bedrijfsleven. Ook de overheid zelf concurreert om schaarse mensen: voor defensie, woningbouw, de energietransitie én het wegwerken van de onderhoudsachterstand. Wie zegt dat dit allemaal tegelijk kan, belooft gouden bergen met andermans handen. Een kabinet dat serieus is over infrastructuur en digitalisering, moet dus ook durven zeggen welke publieke ambities minder prioriteit krijgen, en waar de productiviteit van de eigen uitvoering omhoog moet, in de vergunningverlening voorop.
Loslaten van de Zalmnorm zou het debat verplaatsen naar de vraag hoeveel we mogen lenen. De vruchtbaarder vraag is hoe we met de mensen die we hebben, meer voor elkaar krijgen. Wie die vraag ontwijkt, heeft aan extra begrotingsruimte niets.