Home

Raakt Europa achterop bij Amerika, of praten Europeanen zichzelf de put in?

Is de Europese economie in verval? Of laten Europeanen zich te veel opjutten door de regering-Trump? Daarover twisten twee Nobelprijswinnaars. Europa glijdt af, terwijl Amerika floreert, waarschuwt de Franse econoom Philippe Aghion. Europa’s pessimisme slaat nergens op, meent Amerikaan Paul Krugman.

is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over de financiële sector.

‘Mijn boodschap aan Europeanen is dat jullie veel sterker zijn dan jullie denken. Handel daarnaar.’ Was getekend, Paul Krugman. In een serie artikelen stak de Amerikaanse stereconoom Europa de voorbije weken een hart onder de riem.

Nee, de Europese economie is niet in verval, aldus de Nobelprijswinnaar: ‘Het bewijsmateriaal schraagt simpelweg niet de extreem pessimistische verhalen die zo wijdverbreid zijn over Europa.’ Zijn Franse vakbroeder Gabriel Zucman en de Amerikaanse journalist Seth Ackerman betoogden eerder al dat de vermeende economische ondergang van het avondland een statistische luchtspiegeling is.

Europa’s al dan niet gewaande aftakeling leidt in Trump-kringen tot leedvermaak. Zo trakteerde Howard Lutnick, Amerikaans minister van Handel, zijn Europese disgenoten in januari tijdens een diner in Davos op zo’n denigrerende tafelrede – ‘You’re dead’, zei Lutnick over de Europese economie – dat ECB-voorzitter Christine Lagarde het etentje uit protest midtoespraaks verliet. En Andrew Puzder, Trumps EU-ambassadeur, jaagt Brusselse diplomaten graag op de kast met zijn correcte constatering dat West-Virginia, Amerika’s op één na armste staat, qua bbp per inwoner nu rijker is dan Duitsland, en de armste staat, Mississippi, rijker dan Frankrijk.

Zelf zijn Europeanen volop in de greep van de achteruitgangsvrees. De kloof met de VS is sinds 2000 zo hard gegroeid dat Europa voor een ‘existentiële uitdaging’ staat, stelde Mario Draghi twee jaar geleden in een invloedrijk rapport. Zonder forse investeringen in bijvoorbeeld AI, de energietransitie en het elektriciteitsnet wacht Europa een ‘trage lijdensweg’. ‘Als we geen actie ondernemen zal onze kwaliteit van leven hard achteruitgaan’, zei ook ex-ASML-topman Peter Wennink vorig jaar in zijn blauwdruk voor Nederland.

Krugman vindt de Europese crisisstemming echter ‘misleidend’. Volgens hem laat de ‘misschien wel enige democratische supermacht ter wereld’ zich onnodig in de put praten door de ‘trash talk’ van Trump en co.

Toegegeven, volgens de gangbaarste maatstaf – het bbp in constante prijzen, dus gecorrigeerd voor inflatie – groeide de Amerikaanse economie sinds 2000 harder dan de Europese, erkent Krugman: jaarlijks gemiddeld 2,2 tegenover 1,5 procent, blijkens Oeso-cijfers. Ook Amerika’s productiviteit steeg sneller: 1,6 tegenover 1 procent per jaar.

Dit betekent echter niet dat het verschil in levensstandaard is gegroeid, meent Krugman. ‘Sterker nog, op veel gebieden – misschien wel de belangrijkste – doet Europa feitelijk niet onder voor de VS.’

Krugman kreeg felle repliek van een andere Nobelprijswinnaar, de Franse econoom Philippe Aghion. Qua productiviteitsgroei raakt Europa wel degelijk steeds verder achterop bij de VS, betoogt hij met enkele collega’s. En productiviteitsgroei – meer gedaan krijgen in dezelfde tijd – is de motor van de welvaart. Als die motor sputtert, loopt alles gevaar ‘wat Europa dierbaar is: loonsverhogingen, de verzorgingsstaat, herbewapening, de energietransitie en technologisch onderzoek’.

Hun debat is een botsing van wereldbeelden. Aghion (1956) gelooft als Schumpeteriaan heilig in ‘creatieve destructie’, het idee dat de welvaart vooruit wordt geblazen door een ‘nimmer aflatende storm’ van innovatie, die telkens opnieuw de oude economie vernietigt en een nieuwe creëert.

Krugman (1953) gruwelt als Keynesiaan juist van de stormschade – de faillissementen, verpauperde regio’s, politieke onvrede – die onder het mom van creatieve destructie wordt vergoelijkt. Waar Aghion bijvoorbeeld grote welvaartsgroei verwacht van AI, en vreest dat Europa de boot mist, ziet Krugman vooral AI’s schaduwkanten.

Zes vragen over een fundamenteel debat: is Europa echt in verval? Of lijden we aan economische hypochondrie?

Welk Europa is in crisis?

Polen trad onlangs toe tot ’s werelds twintig grootste economieën. Het 38 miljoen inwoners tellende land passeerde Zwitserland, en heeft nummer 19 en 18, Saudi-Arabië en Nederland, in het vizier.

De Polen combineren werklust – ze klokken bijna evenveel arbeidsuren als Amerikanen – met rap groeiende productiviteit. Die steeg sinds 2000 gemiddeld 3,2 procent per jaar, sneller dan de Amerikaanse. In 2000 bedroeg de Poolse materiële levensstandaard 48 procent van het EU-gemiddelde, nu 81 procent. Niet slecht voor een land waarin menigeen de tijd nog heeft meegemaakt dat suiker, bloem en chocola op rantsoen waren.

Het ene Europa is het andere niet. Waar Oost-Europa progressie boekt en Scandinavië, de Benelux en Zwitserland qua productiviteitsniveau nog enigszins kunnen meekomen met de VS, blijven vooral Europa’s grootste economieën achter: Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk. Draghi’s ‘existentiële uitdaging’ geldt misschien voor alle Europeanen, maar niet in elk land is de situatie even zorgelijk.

Twee parallelle werkelijkheden?

Een van de alarmerendste passages in het Draghi-rapport toont een grafiek van de Europese productiviteit. Daarin is te zien dat Europeanen rond de millenniumwisseling bijna even productief waren als Amerikanen. Sindsdien verloor Europa echter snel terrein, waardoor de VS anno nu een kwart productiever zijn.

Klopt dat wel? Het is maar hoe je het bekijkt, schrijft Krugman. Er zijn namelijk twee manieren om productiviteit te meten, met twee totaal verschillende uitkomsten.

Krugman neemt Nederland als voorbeeld. Volgens de gangbaarste methode – het bbp in constante prijzen, oftewel het reële bbp, zie de dalende lijn in onderstaande grafiek – heeft Nederland sinds 2000 steeds meer terrein verloren op de VS, en liggen de Amerikanen inmiddels voor.

Deze methode corrigeert de productiviteit (het bbp per gewerkt uur) voor binnenlandse inflatie. Hiervoor gebruiken statistici een ijkjaar, in dit geval 2020, om de inflatie uit de groeicijfers te filteren. Het resultaat sluit naadloos aan bij Draghi’s grafiek: Nederland kachelt gestaag achteruit.

Methode twee – een voor koopkrachtverschillen gecorrigeerd bbp in actuele prijzen, zie de stabiele lijn – toont echter een volstrekt andere grafiek: hier is Nederland sinds 2000 grofweg op hetzelfde niveau gebleven. Sterker nog, Nederlanders zijn zelfs iets productiever dan Amerikanen.

Deze tweede methode gebruikt dan weer de lopende, steeds wisselende prijzen die consumenten daadwerkelijk aan de kassa betalen. Statistici corrigeren in dit geval niet voor binnenlandse inflatie, maar voor verschillen in levenskosten tússen landen. Deze methode levert warempel een veel rooskleuriger beeld op, niet alleen voor Nederland, maar voor heel Europa.

Was Nederland anno 2000 absurd productief?

Wie de logica van Draghi en Aghion verkiest, moet volgens Krugman een ‘absurde’ consequentie accepteren: dat Nederlanders rond 2000 liefst een kwart productiever waren dan Amerikanen. ‘Ik betwijfel of veel mensen het daarmee eens zullen zijn. Het was in elk geval niet wat men destijds geloofde’, schrijft Krugman.

Aghion & co vinden het helemaal niet absurd. ‘We kunnen ons prima vinden in het idee dat Nederland in 2000 vooropliep en sindsdien jaar na jaar achterop is geraakt bij de VS.’ Een andere conclusie die voortvloeit uit Aghions logica is dat Italië midden jaren negentig veel productiever moet zijn geweest dan de VS, en dat Amerika destijds blijkbaar achterliep op vrijwel heel West-Europa.

Andersom leidt Krugmans logica ook tot saillante conclusies. De Belgische econoom Hanno Lustig merkt op dat Rusland althans volgens Krugmans rekenmethode een ongekende inhaalslag moet hebben gemaakt. Daarbij zou de Russische levensstandaard zijn gestegen van amper 20 procent van het Amerikaanse welvaartsniveau in 2000 naar 55 procent nu. Dit terwijl het Russische bbp per inwoner in constante prijzen al jaren kabbelt tussen 25 en 30 procent.

Parasiteert Europa op Amerikaanse tech?

Hoe valt het enorme verschil tussen Krugmans twee grafieken te verklaren? Misschien, oppert Krugman, ligt het aan de scheppingskracht van de Amerikaanse techindustrie, in haar eentje verantwoordelijk voor bijna de helft van Amerika’s productiviteitsgroei.

Neem de smartphone, zegt hij. De eerste iPhone kostte in 2007 499 dollar, een bedrag waarvoor tegenwoordig een vele malen snellere Google Pixel te koop is. Stel dat een smartphone anno 2026 tien keer zoveel rekenkracht heeft als in het ijkjaar dat statistici gebruiken voor inflatiecorrecties. Dan vertienvoudigt in hun ogen ook de economische waarde van het apparaat.

Amerikaanse statistici tellen deze kwaliteitswinst veel sterker mee dan Europese vakgenoten. Hierdoor stijgt het bbp van de VS, waar het intellectueel eigendom op de telefoons rust en de winstmarges landen, in constante prijzen fors ten opzichte van Europa. In lopende prijzen verandert er echter weinig: Europese consumenten betalen aan de kassa nog evenveel voor hun krachtigere smartphone als in 2007. Qua levensstandaard liften zij zo mee op de Amerikaanse innovatiedrift.

Aghion ziet dit als teken van zwakte. ‘Europa koopt de toekomst, Amerika bouwt eraan’, vatte The Economist samen. Ons productiviteitsprobleem is, in weerwil van wat Krugman beweert, niet simpelweg een ‘boekhoudkundige kwestie’, schrijft Aghion. De Amerikaanse technologische voorsprong helpt de VS en Europa namelijk niet op dezelfde manier: ze drijft de winsten en salarissen op van alle Amerikanen, ook buiten de techsector. ‘En die kloof met Europa wordt elk jaar groter.’

Is Europa rijker in immateriële, Amerika in materiële zin?

Robert Kennedy (1925-1968) zei ooit dat het bbp alles meet, ‘behalve dat wat het leven de moeite waard maakt’. Veel Europeanen houden zich hieraan vast in discussies over de kloof met de VS. Want is de Europese levenskwaliteit niet veel hoger?

Europeanen leven gemiddeld immers jaren langer, terwijl Amerikanen nota bene veel meer uitgeven aan gezondheidszorg. Europeanen hebben bovendien meer vrije tijd, minder ongelijkheid, een kleinere CO2-voetafdruk, een uitgebreider sociaal vangnet, een lager moordcijfer en ze kunnen uiteraard beter voetballen.

Daar staat tegenover dat Amerikanen onder meer grotere huizen hebben en meer auto’s, huisdieren, zelfrijdende auto’s en airconditioning. Hoe zaligmakend dit soort materiële luxe is – bijvoorbeeld dat de gemiddelde Amerikaan jaarlijks 53 kilo meer vlees eet dan de Nederlander, en per dag 500 calorieën meer binnenkrijgt – is natuurlijk voer voor discussie. Maar het toont wel aan dat Amerika in de enge zin van het woord welvarender is dan Europa.

Van ’s werelds twintig kostbaarste bedrijven zijn er vijftien Amerikaans en hooguit één Europees, als de dagkoersen meezitten: ASML, dat rond plaats twintig staat. Sinds 2000 stegen de besteedbare inkomens per Amerikaan bijna twee keer zo snel als die van Europeanen, constateerde Draghi. En hoewel de ongelijkheid in de VS groter is, verdienen ook doorsnee-Amerikanen blijkens Oeso-cijfers 30 procent meer dan Jan Modaal in Nederland.

Wie heeft gelijk?

Voor de Amerikaanse politiek fungeert Europa als een spiegel, en vice versa ook. Of mensen in die spiegel vooral de mooie of lelijke kanten zien, verraadt veel over hun ideologische reflexen.

Zo is Europa in de ogen van Trump en zijn adepten weinig meer dan een stel zwakke, decadente economieën, wegrottend in een moeras van Brusselse regelzucht. Het falen van Europa zou koren op de anti-globalistische, nationaal-conservatieve Maga-molen zijn. Andersom zijn Europa’s sociale verworvenheden voor linkse Amerikanen als Krugman juist een voorbeeld. Voor de Amerikaanse progressieve agenda zou een afglijdend Europa slechte reclame zijn.

Het Amerikaanse spiegelbeeld, waarin extreme ongelijkheid contrasteert met spectaculaire rijkdom, confronteert Europa op zijn beurt met een gewetensvraag. Moet Europa vooral koesteren wat het heeft, en zich niet laten ‘gaslighten’ door verwaande praatjes à la Lutnick, zoals Krugman schrijft? Of blijft, zoals Aghion denkt, Europa’s welvaart alleen behouden door het recept te volgen uit de Italiaanse klassieker De tijgerkat (1958): ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moeten we alles veranderen’?

Source: Volkskrant

Previous

Next