Home

De wilde jaren van oom Ad

Mijn oom Ad kreeg nog een tientje van Wim Suurbier. Dat zit zo. Begin jaren zeventig werkte hij als portier bij Carré. Op een avond komt Suurbier, de rechtsback van het Gouden Ajax, naar een voorstelling. Mijn oom verkeerde in Ajaxkringen, althans voor zover die zich ophielden in Café Bobby Haarms, dus Suurbier herkent hem. „Ik heb geen geld bij me, maar ik wil straks wel wat kunnen drinken in de foyer.” Mijn oom, een goeie jongen, leent Wim Suurbier een tientje. Nooit wat van teruggezien.

Het waren wilde jaren. In de jaren zestig was hij „een braaf christelijk jongetje” geweest, veruit de jongste van vier kinderen. Vader was ambtenaar van de burgerlijke stand, moeder verwierf, mede dankzij het tot op zeer hoge leeftijd dragen van hoge hakken, op het Buikslotermeerplein de bijnaam „koningin van Amsterdam-Noord”. In militaire dienst wisten ze hem te vinden: matras verstoppen als hij ’s nachts naar de wc was geweest, dat werk. Voetbalhumor zonder voetbal.

Dat christelijke werd er vlot afgespoeld in het Amsterdamse caféleven, waar jaren van twaalf ambachten en dertien ongelukken aanbraken: talloze horecabaantjes, schilderklusjes, hi-fi-verkopen op Schiphol – en als André van Duin optrad in Carré verkocht Ad posters voor de deur, door de artiest persoonlijk gesigneerd in zijn kleedkamer.

De liefde leverde ook ongelukjes op, zoals de keer dat hij zijn woning verspeelde omdat hij onweerstaanbaar bleek voor zijn hospita – en zij voor hem. Hij kon er geweldige verhalen over vertellen, net als over de avond waarop niemand minder dan Willeke Alberti hem apart nam en hem op het hart drukte dat hij wat rustiger aan moest doen met dat bier.

Willeke Alberti maakte het verschil niet. De wending kwam toen hij in restaurant ’t Seepaerd werkte en mijn tante verscheen, een Surinaamse die hem even liefdevol als beslist het juiste pad op zou duwen. „Als jij die kelner zo’n leuke jongen vindt, moet je zijn nummer vragen”, had haar oom tegen haar gezegd. „Dan betaal ik je krabcocktail. Anders betaal jij de mijne.” Zij vroeg het nummer, Ad kwam langs bij haar en haar negenjarige zoon en ging nooit meer weg: een liefdesgeschiedenis van 47 jaar.

Een paar jaar geleden kreeg zij alzheimer en zo leerde hij op zijn zeventigste nog koken. Afgelopen februari verhuisden ze naar een verzorgingsflat, waar haar gezondheid snel verslechterde. Hij kreeg last van zijn benen en daarna een reeks andere klachten; in april lag hij tien dagen in het ziekenhuis. Op de derde dag na zijn thuiskomst stierf mijn tante.

Amper twee maanden later stond de kist van mijn oom aan het water bij Café ’t Sluisje. Twintig jaar lang had hij zijn ziel en zaligheid in het Nieuwendammer Shantykoor gelegd en die liefde was wederzijds. Tien dagen voor zijn dood hadden ze hem nog meegenomen naar een festival op Ameland. Ze reden hem rond, tilden hem het podium op. „Het weekend van mijn leven.”

Bij ’t Sluisje zong het koor ‘Aan de Amsterdamse grachten’ en ‘Aan de zonzij van het IJ’ – met tranen in de ogen. Gevoelige mannen. Een witte roos die in het water was beland werd opgepikt door een meerkoet en naar haar nest gebracht.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next